Faillissement: het Hof van Cassatie redt de hypothecaire schuldeisers die vergeten een aangifte van schuldvordering te doen

Een post door gastblogger Vincent Verlaeckt

In zijn arrest van 12 maart 2020 (Nr. C.19.0437.N) heeft het Hof een einde gemaakt aan een jarenlange discussie in de rechtsleer en rechtspraak over de gevolgen voor een hypothecaire schuldeiser die heeft nagelaten tijdig een aangifte van schuldvordering te doen in het passief van zijn gefailleerde schuldenaar.

Zoals u weet, moet een schuldeiser tijdig aangifte van schuldvordering doen wil hij in aanmerking komen voor uitdeling (art. 62 FW – art. XX.155 WER) . In beginsel “vervalt” het recht tot aangifte binnen het jaar na faillissement (voor uitgebreide analyse zie TBH, 2019/10, p. 1231-1247).  Het gebeurde dat een hypothecaire schuldeiser naliet tijdig een aangifte van schuldvordering te doen, doch zich wel bij de notaris meldde bij de opmaak van de onroerende rangregeling om zijn rechten als hypothecaire schuldeisers te doen gelden op de prijs van het onroerend goed van gefailleerde.

Er waren twee stellingen:

  • Zij die van oordeel waren dat de hypothecaire schuldeiser zijn rechten zag verloren gaan bij gebrek aan tijdige aangifte. (zie Orb. Gent, afd. Dendermonde 30 april 2018, T.Not 2018, 901 en Kh. Brussel 4 maart 2016, RW 2016-17, p. 1111).  Deze stelling ging voornamelijk uit van de parlementaire voorbereiding van de faillissementswetgeving en de letterlijke tekst van de faillissementswet. Er staat inderdaad letterlijk in artikel 62FW-XX.155 WER: “Om in aanmerking te kunnen komen voor een uitdeling alsmede om enig recht van voorrang te kunnen uitoefenen, zijn de schuldeisers gehouden aangifte te doen van hun schuldvorderingen”. In de Parlementaire voorbereidingen staat inderdaad ook letterlijk dat deze verplichting (tot aangifte) ook geldt voor schuldeisers met een bijzonder voorrecht, een pand of een hypotheek (Parl.St. Kamer 1991-92, nr. 631/1, p.29).
  • Anderen bekijken de problematiek meer uit zakelijkrechtelijk oogpunt. Zij betogen dat de faillissementswet geen afbreuk kan doen aan onder andere artikel 1639 Ger. Wb. en baseren zich voornamelijk op de eigenheden van een separatist in geval van samenloop. Een aangifte van schuldvordering raakt niet het afzonderings – en afscheidingsrecht. (Zie bv. Gent 8 april 2019, 2018/ AR/210, zie ook H. Braeckmans, M.E. Storme, B. Tilleman, J. Vananroye en M. Vanmeenen, “Curatoren en vereffenaars, actuele ontwikkelingen”, IV, Intersentia, p. 186, randnr. 64 )

Het Hof heeft thans de knoop doorgehakt in zijn arrest van 12 maart 2020:

hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers [kunnen] niet uitgesloten worden van de verdeling of de rangregeling van de verkoopopbrengst van de bezwaarde onroerende goederen om reden dat zij geen tijdige aangifte hebben gedaan van hun schuldvordering.

Het Hof geeft niet al teveel theoretische beschouwingen in het arrest weer. Het stelt eenvoudig artikel 62 FW tegenover artikel 1326 Ger.Wb en doet vervolgens de balans kantelen in het voordeel van 1326 Ger.Wb en neemt zo alweer een rechtsonzekerheid weg.

Vincent VerlaecktVerlaeckt Vincent
Advocaat

 

zie van dezelfde auteur:

 

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s