Reorganisatieschulden en het pand handelsfonds: vele varkens maken de spoeling dan toch niet altijd dun

Gastblogger mr. Jente Dengler over Bergen 1 februari 2021, 2018/RG/15 en Cass. 10 juni 2022, C.21.0377.F

Op 10 juni 2022 moest het Hof van Cassatie zich andermaal buigen over een zaak waarin de toepassing van art. XX.58 WER (oud art. 37 WCO) centraal stond.[1] Ter herinnering, deze wetsbepaling voorziet dat schuldvorderingen voor prestaties verricht tijdens een reorganisatieprocedure worden beschouwd als ‘boedelschulden’ in een navolgend faillissement en zelfs bij voorrang moeten worden betaald met de opbrengst van activa, indien deze prestaties hebben bijgedragen tot het behoud ervan, niettegenstaande eventuele preferente aanspraken van zekerheidsschuldeisers (vandaar de toepasselijke benaming: ‘supervoorrang‘).

De concrete casus betrof een slachthuis dat in februari 2014 werd toegelaten tot een gerechtelijke reorganisatie middels collectief akkoord (beter bekend als de ‘GRP 2’), vervolgens noodgedwongen overschakelde naar een procedure tot overdracht onder gerechtelijk gezag (oftewel, een ‘GRP 3’), maar uiteindelijk het faillissement niet kon afwenden en in maart 2015 de boeken neerlegde. Tijdens haar vergeefse reorganisatiepogingen kon het bedrijf niettemin blijven rekenen op haar belangrijkste, en bovenal zeer loyale, slachtveeleveranciers.

Na faillissement claimde één van deze leveranciers dat de door hem geleverde varkens hadden bijgedragen tot het behoud van het handelsfonds van het slachthuis en beriep zich op art. XX.58, in fine WER om bij (super)voorrang aanspraak te maken op de verkoopopbrengst ervan.

De huisbankier van het slachthuis, tevens begunstigde van een pandrecht op het handelsfonds, was hier evident niet mee opgezet. Om een uitholling van haar onderpand te vermijden, betoogde de bank dat het handelsfonds tijdens de reorganisatieprocedure(s) alleen maar in waarde was gedaald en er bijgevolg van een “bijdrage tot behoud” in de zin van art. XX.58 in fine WER geen sprake kon zijn.

Achtergrond

Van oudsher worstelen de Belgische hoven en rechtbanken met de concrete toepassing van art. XX.58 in fine WER op universaliteiten, zoals bv. een handelsfonds.[2] De samenstelling van zulk ‘vlottend’ onderpand (in het Engels: floating charge) verandert immers voortdurend. Voorraden nemen af naarmate er bestellingen worden uitgeleverd, klantenvorderingen komen in de plaats, nieuwe schulden worden aangegaan voor het wederom aanleggen van voorraden, enz. Door dit veranderlijk karakter is het niet vanzelfsprekend om ex post na te gaan of bepaalde prestaties verricht vóór faillissement hebben bijgedragen tot het “behoud” van dit onderpand.

In haar princiepsarrest van 28 februari 2014 (‘Fortemps’) stelde het Hof van Cassatie zich aanvankelijk nog soepel op ten aanzien van een leverancier van verpakkingsmateriaal voor tuinmeubilair.[3] Volgens het Hof hadden diens leveringen toegelaten dat de (later gefailleerde) tuinmeubelwinkel tijdens haar reorganisatie nog meubels kon verkopen en als gevolg hiervan het handelsfonds intact bleef. Niet geheel verrassend, lazen de lagere rechtbanken en doctrine in deze cassatierechtspraak een ruime invulling van het supervoorrangsrecht.[4]

In het Alfacam-arrest van 22 februari 2018 nuanceerde het Hof echter haar eigen rechtspraak en oordeelde dat het louter bijdragen tot de verderzetting van de activiteit door de schuldenaar, met alle risico’s van dien, niet automatisch tot gevolg heeft dat de economische waarde van de handelszaak behouden blijft, maar dat het aan de leverancier is om zijn bijdrage tot dit behoud in concreto aan te tonen.[5]

Beoordeling

Op de hamvraag (pun intended)of de varkensleveringen in casu hadden bijgedragen tot het behoud van de economische waarde van het handelsfonds van het slachthuis, antwoordde het Hof van Beroep te Bergen ontkennend bij gebrek aan concreet bewijs.[6] Veel verder dan dat zijn leveringen de verderzetting van de slachthuisactiviteit mogelijk hadden gemaakt, ging het betoog van de varkensleverancier immers niet.

(side note: de aanscherping in Alfacam volgde kort na het eerste vonnis dat de leverancier wél nog gelijk gaf en hem de supervoorrang toekende in navolging van Fortemps)

Dat de leverancier ook nadien in cassatie bot ving, lijkt te bevestigen dat het Hof definitief haar eerder soepele opstelling in de Fortemps-zaak heeft verlaten voor de strengere benadering in Alfacam. In het licht van de paritas creditorum-regel en met het oog op de bescherming van klassieke zekerheidsfiguren tegen een al te verregaande uitholling, is een zekere terughoudendheid bij de toekenning van de supervoorrang van art. XX.58 WER  ongetwijfeld toe te juichen – al had de praktijk ook wel gebaat geweest bij een precisering, minstens enkele richtsnoeren[7], over wat deze concrete bewijslast juist inhoudt. Een gemiste kans?

Prima facie lijkt het besproken arrest dus weinig tot geen nieuwe inzichten op te leveren.

De aandachtige lezer merkt echter op dat het Hof niettemin van de gelegenheid gebruik maakte om – zonder weliswaar het arrest zelf te vernietigen – de zin en vooral de onzin van bepaalde argumenten opgeworpen in de beroepsprocedure op de korrel te nemen.

Zo argumenteerde de curator van het failliete slachthuis onder meer dat van enige bijdrage aan het behoud van het handelsfonds geen sprake kon zijn, omdat de varkensleveringen niet “onmisbaar” waren voor de handelsactiviteit en de gefailleerde op eender welk moment op een andere leverancier beroep had kunnen doen. Terecht oordeelde het Hof dat de aanwezigheid van alternatieve leveranciers niet ter zake doet (of, anders gezegd, een leverancier moet in geen geval monopolist zijn om zich succesvol op art.XX.58 in fine WER te kunnen beroepen). Overigens, ook in het licht van de bijdrageplicht die onverkort geldt voor separatisten wat boedelschulden van hun subboedel betreft (vgl. art. 20,4° Hyp.W.)[8], is dit betoog van de curator volstrekt impertinent.

Daarnaast bleek het gegeven dat het handelsfonds tijdens de gerechtelijke reorganisatie in waarde zou zijn verminderd, eveneens an sich onvoldoende om een beroep op art. XX.58 in fine WER per definitie uit te sluiten. Nochtans een vaak gehoord argument contra de supervoorrang is dat er van enig “behoud” van het handelsfonds enkel sprake zou kunnen zijn, als de waarde ervan gedurende de reorganisatieprocedure minstens behouden is gebleven.[9] De achterliggende idee is dat moet worden vermeden dat eender welke verlieslatende onderneming zomaar kan worden voortgezet in reorganisatie met tal van (super)bevoorrechte reorganisatieschulden tot gevolg, waarvan de rekening vervolgens gepresenteerd wordt aan de pandhouder op handelsfonds (die hun onderpand uitgehold zien). [10]  

Deze vergelijking in de tijd (vgl. waarde van het handelsfonds bij aanvang van reorganisatie versus op datum van faillissement) lijkt echter nogal kort door de bocht:

Ten eerste kent ons Belgisch insolventierecht een ‘open portaal’-benadering, wat wil zeggen dat het gamma aan reorganisatieprocedures openstaat voor (quasi) [11] alle ondernemingen, ook voor verlieslatende, met alle mogelijke gevolgen voor het handelsfonds van dien. De aanvrager- schuldenaar zal in zijn reorganisatieaanvraag moeten toelichten “welke maatregelen hij overweegt om de rendabiliteit van zijn onderneming te herstellen”.[12] De Belgische wetgever gaat er dus schijnbaar zelf vanuit dat de activiteiten van de aanvrager niet zelden verlieslatend zullen zijn.

Ten tweede zal een zekerheidsschuldeiser van zodra het reorganisatieverzoek door de schuldenaar is ingediend, zijn onderpand in principe niet meer kunnen verzilveren (moratorium).[13] De pandhouder zal dus hoe dan ook de gevolgen van de verderzetting van de onderneming door de schuldenaar en de eventuele waardevermindering van het handelsfonds moeten ondergaan, ook zonder dat er per se sprake moet zijn van oplopende reorganisatieschulden (bv. door het verlies van belangrijke handelscontracten).[14]

Kortom, dat de pandhouder op handelsfonds mogelijks de rekening van de (mislukte) reorganisatie gepresenteerd krijgt, valt geenszins de loyale leveranciers van de schuldenaar te verwijten. Deze risicoverschuiving is niets meer dan een inherent gevolg van het debtor-friendly reorganisatiebeleid waarvoor de Belgische wetgever destijds heeft gekozen.[15] Had de Belgische wetgever het anders gewild, dan zou hij verlieslatende ondernemingen in eerste instantie al niet toelaten tot de gerechtelijke reorganisatie, laat staan een moratorium voorzien dat deze zekerheidsschuldeiser tijdelijk zijn executierechten ontneemt.[16]

Een zinvollere vergelijking bestaat er volgens de auteur dan ook in te kijken naar de reële waarde van het handelsfonds op het moment van faillissement vs. haar hypothetische waarde in de veronderstelling dat de betrokken leveringen niet hadden plaatsgevonden. Is deze hypothetische waarde gelijk of hoger, dan hebben de betrokken prestaties geen wezenlijk verschil gemaakt. Is de hypothetische waarde daarentegen lager, dan hebben de leveringen onmiskenbaar bijgedragen tot het behoud van het handelsfonds, zelfs bij een verlieslatende voortzetting (desgevallend hebben ze minstens de schade beperkt en dus in elk geval de pandhouder tot voordeel gestrekt).

In dezelfde zin oordeelde het Hof van Cassatie in haar arrest van 10 juni 2022 dat de weigering van het supervoorrangsrecht niet was ingegeven door de waardevermindering van het handelsfonds gedurende de reorganisatie, maar wél volgde uit de vaststelling dat in het alternatieve scenario dat er geen varkens waren geleverd, het handelsfonds niet minder waard zou zijn geweest op datum van faillissement.

Conclusie: geen baanbrekend arrest, maar wel een consequente handhaving door het Hof van haar eerdere rechtspraak met hier en daar een nuance over wat wel en vooral niet ter zake doet in de voorrangsdiscussie van art. XX.58 in fine WER.

Deze blogpost is een verkorte weergave van “Reorganisatieschulden en het pand handelsfonds: Vele varkens maken de spoeling dan toch niet altijd dun” (TIBR 2024, afl. 2, p. 7-14), dat hier te raadplegen is, over de delicate evenwichtsoefening tussen de belangen van reorganiserende schuldenaars, loyale leveranciers en bevoorrechte schuldeisers in het kader van de toepassing van art. XX.58 WER en de conflicterende voorrangsrechten op een verpand handelsfonds.

 Jente Dengler
Advocaat Monard Law
Vrijwillig medewerker KU Leuven
Instituut voor Handels- en Insolventierecht


[1] Cass. 10 juni 2022, TIBR 2023, afl. 2, RS-33-35.

[2] Vgl. voorrecht voor het behoud van de zaak (artikel 20, 4° Hyp.W.) dat enkel van toepassing is op specifieke goederen.

[3] Cass. 28 februari 2014, Arr.Cass. 2014, afl. 2, 563.

[4] Kh. Brussel (Nl.) nr. K/12/02682, 3 april 2014, DAOR 2015, afl. 113, 96 (m.b.t. onbetaalde RSZ-bijdragen voor tewerkstelling personeel); Kh. Gent (afd. Oudenaarde) 14 april 2016, A/2013/0968, onuitg. (m.b.t. levering van elektriciteit);

[5] Cass. 22 februari 2018, RW 2018-19, afl. 23, 899.

[6] Bergen 1 februari 2021, 2018/RG/15.

[7] Voor een interessante illustratie, zie Antwerpen 21 juni 2018, RW 2018-19, afl. 23, 906.

[8] E. DIRIX en R. DE CORTE, Zekerheidsrechten, Mechelen, Kluwer, 2006, 54; A. DE WILDE, Boedelschulden in het insolventierecht, Antwerpen, Intersentia, 2005, 558.

[9] Dit argument werd o.a. ook opgeworpen in Gent 22 mei 2017, 2015/AR/3137, TRV-RPS 2018, afl. 7, 759.  Zie ook C. VAN DEN BROECK, “De voorrang van reorganisatieschulden in een navolgend faillissement”, TRV-RPS 2018, afl. 7, 705.

[10] Zie ook S. BRIJS en A. VAN HOE, “De gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag: conceptuele en juridische knelpunten”, TBH 2012, (319) 417.

[11] Nuance: indien de schuldenaar kennelijk niet meer in staat is de continuïteit van zijn activiteiten te verzekeren, kan de voortijdige beëindiging van de gerechtelijke reorganisatie worden gevraagd (art. XX.62 WER).

[12] Art. XX.41, §2, 8° WER

[13] Art. XX.50 en XX.52 WER. Een uitzondering is terug te vinden in art. XX.59/1 WER dat evenwel niet lijkt te zijn ingegeven ter bescherming van de pandhouder op handelsfonds (Parl. St Kamer, 2022-2023, doc 55 3231/001, 39)

[14] Zie bv. Gent (7e bis k.) 21 maart 2016 over het belang van een concessieovereenkomst voor de uitbating van een wegrestaurant langs de autosnelweg en ergo voor  de waarde van haar handelsfonds.

[15] N. VAN LANDUYT, “Schuldvergelijking en rechtsmisbruik in het kader van de wet continuïteit ondernemingen”, RABG 2011, afl. 9, 674.

[16] I.t.t. de traditionele openbare reorganisatieprocedures, is er bij de besloten varianten geen automatisch moratorium, maar kan de aangestelde herstructureringsdeskundige de rechtbank om een ad hoc moratorium verzoeken (art. XX.83/24 WER).

Betreffen rechten verbonden aan de persoon of hoedanigheid van de aandeelhouder soortrechten?

Soortvorming- en wijziging kwam hier eerder al regelmatig aan bod. Het Adviescomité inzake Vennootschappen en Verenigingen in de schoot, zoals dat heet, van het BCV en FedNot leverde nu een advies af over de vragen:

  • Is de toekenning van specifieke rechten die verbonden zijn aan de persoon of hoedanigheid van een aandeelhouder een verschijningsvorm van soortrechten?
  • Is het toegelaten om in de statuten van een BV of NV specifieke rechten toe te kennen die verbonden zijn aan de persoon of hoedanigheid van een aandeelhouder, naar analogie met wat is bepaald voor de CV?
  • Welke procedure dient in voorkomend geval te worden nageleefd voor de invoering en afschaffing? Is de procedure van de artikelen 5:102, 6:87 en 7:155 WVV van toepassing?

Continue reading “Betreffen rechten verbonden aan de persoon of hoedanigheid van de aandeelhouder soortrechten?”

De omvang van de gehoudenheid van een verkoper van niet-volgestorte aandelen tot volstorting

Een post door gastblogger Anneleen Steeno (intui)

Het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) voorziet in artikel 5:66 (BV) en 7:77 (NV) in de hoofdelijke gehoudenheid tot volstorting van zowel de overdrager als de overnemer van niet-volgestorte aandelen. Deze wettelijke bepaling is van dwingend recht en laat niet toe dat partijen contractueel anders bepalen. De overdrager is pas bevrijd van deze hoofdelijke aansprakelijkheid nadat er vijf jaren zijn verstreken na de (tegenstelbaarheid van de) overdracht. Wordt de overdrager aangesproken, heeft hij wel een regresvordering op de overnemer (tenzij contractueel anders was bedongen). De gehoudenheid geldt voor het bedrag waarvoor de aandelen niet werden volgestort, ongeacht het tijdstip waarop de schulden van de vennootschap ontstonden.

Continue reading “De omvang van de gehoudenheid van een verkoper van niet-volgestorte aandelen tot volstorting”

Misbruik van vennootschaps-goederen: de relatieve in concreto beoordeling van het betekenisvol nadeel van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en van die van zijn abstracte schuldeisers of vennoten (Cass. 5 april 2023)

Een post door gastblogger mr. Maximilien Arnoldy (Freshfields, VUB)

Principearresten van het Hof van Cassatie over misbruik van vennootschapsgoederen zijn legio. Dit misdrijf, met zeer specifieke bestanddelen, vereist veel interpretatiewerk door de feitenrechters en bijgevolg ook veel toezicht door het Hof van Cassatie. In een arrest van 5 april 2023 (AR P.22.1642.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230405.2F.3) kreeg de  Franstalige tweede kamer van het Hof opnieuw de kans om zich hierover uit te spreken, naar aanleiding van de veroordeling van een deurwaarder wegens misbruik van vennootschapsgoederen door het hof van beroep te Luik (ECLI:BE:CALIE:2022:ARR.20221116.1). Enerzijds zou de betrokken deurwaarder ten onrechte fondsen hebben onttrokken aan de vennootschap van het gerechtsdeurwaarderkantoor waarvan zij medevennoot was, voor een totaalbedrag van 124.905,16 EUR, waarbij zij deze als precaire voorschotten beschouwde omdat zij op de rekening-courant waren geboekt. Anderzijds zou de beklaagde de vennootschap meermaals hebben laten betalen voor uitgaven die privé-uitgaven waren van de beklaagde (zoals telefoonabonnementen voor haar familie, familiale lidmaatschapsgelden van de golfclub, huishoudelijke apparaten, meubels en decoratieve artikelen die niet bestemd waren voor het deurwaarderskantoor, …), voor een totaalbedrag van 76.911,61 EUR, bedrag dat niet in rekening-courant was geboekt.

Opdat een bestuurder vervolgd en vervolgens veroordeeld zou kunnen worden wegens misbruik van vennootschapsgoederen dienen verschillende constitutieve bestanddelen vervuld te zijn. Een van deze (materiële) bestanddelen bestaat in het feit dat het verweten “gebruik” van de goederen of van het krediet van de rechtspersoon “op betekenisvolle wijze in het nadeel is van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en van die van zijn schuldeisers of vennoten”. In het besproken arrest heeft het Hof van Cassatie drie verschillende elementen m.b.t. dit bestanddeel verduidelijkt, minstens bevestigd:

Continue reading “Misbruik van vennootschaps-goederen: de relatieve in concreto beoordeling van het betekenisvol nadeel van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en van die van zijn abstracte schuldeisers of vennoten (Cass. 5 april 2023)”

Governance van kloostervereniging – Niet al abt wat de klok slaat

Een post door gastblogger Steven Verschoot

Een recent experiment op deze blog maakt een zeer boeiende vergelijking tussen bestuur governance in een vennootschap, een huwelijk en monastieke verenigingen. Daarin wordt onder de titel ‘monastic governance’ onder meer verwezen naar de positie van de abt onder de Regel van Benedictus[i], en in het bijzonder naar het autoritair karakter van diens positie, het agentuurprobleem dat daaruit voortvloeit en de botsing van deze positie met moderne westerse verwachtingen omtrent persoonlijke autonomie. Dit is echter niet het volledige verhaal.

De abt[ii] is en was in zijn abdij inderdaad, net als een CEO of staatshoofd vandaag, een machtig en relatief autoritair figuur. Echter, onder de oppervlakte vormt zijn functie uiteindelijk slechts een (vrij belangrijk) radertje in een meer uitgebalanceerd, participatief model.[iii] Dit model houdt al sinds de vroege middeleeuwen (de regel van Benedictus dateert van de 6e eeuw[iv]) het midden tussen een autoritair leiderschap en een democratie.[v]

Continue reading “Governance van kloostervereniging – Niet al abt wat de klok slaat”

The Anatomy of Corporate Insolvency Law (Bork & Mangano)

A post by professor Reinhard Bork

Modern insolvency law has nothing in common with the grim reality depicted in certain Victorian novels of debtors subjected, not to insolvency proceedings, but to imprisonment even for indefinite periods. Since then, however, insolvency law has become a subject of extraordinary relevance and increasing intellectual fascination.

On the one hand, academics, policymakers, lawmakers, judges, and practitioners have reoriented this field of law in order to facilitate the rescue of distressed companies for as long as possible. On the other hand, this evolution has reshaped some of the most traditional categories of our legal culture. For example, this new deal has introduced into the toolbox of insolvency practitioners a great number of devices that combine the flexibility of contractual workouts with the capability of insolvency proceedings to bind even the most recalcitrant of creditors – as a result, in some cases the traditional distinction between “contract” and “proceedings” has blurred. The same tendency in favour of rescue has persuaded some lawmakers to enable distressed companies to depart from the traditional criteria according to which the debtor’s assets must be distributed – traditionally, these criteria were considered as non-negotiable – and even to waive a milestone of every company law according to which a company’s shareholders are the company’s residual claimants. A further consequence of this new approach is that in the case of group insolvencies there has been a tendency to mitigate the traditional single-entity approach according to which there ought to be one set of insolvency proceedings for each distressed company.

This finding does not relate to the insolvency law of a specific state, but to the world of all insolvency laws as a whole. Against this background, it can be an appealing task not to present and analyse a very specific insolvency law, but to ask a group of internationally outstanding scholars to examine certain core issues of insolvency law from an overarching, quasi supra-national perspective. Together with my co-editor Renato Mangano, I have now taken on this task in the book The Anatomy of Corporate Insolvency Law (Oxford University Press 2024).

Continue reading “The Anatomy of Corporate Insolvency Law (Bork & Mangano)”

Kunnen de statuten van een NV voorzien in een flexibele omschakeling tussen een raad van bestuur en een enige bestuurder, zonder nieuwe statutenwijziging?

Een post door gastblogger Carl Clottens (Eubelius, KU Leuven)

Sinds het WVV zijn er in de NV drie bestuursmodellen mogelijk: een klassieke, collegiale raad van bestuur bestaande uit minstens drie (of uitzonderlijk twee) bestuurders (zgn. monistisch bestuur), een enige bestuurder of een duaal bestuur bestaande uit een raad van toezicht en een directieraad. De vraag of een flexibele omschakeling mogelijk is van een raad van bestuur naar een enige bestuurder of omgekeerd, zonder een nieuwe statutenwijziging maar bv. louter door het ontslag of de benoeming van bestuurders, is sinds de invoering van het WVV voorwerp van discussie.

Volgens een deel van de rechtsleer moet een NV uitdrukkelijk en ondubbelzinnig kiezen voor één van de drie bestuursmodellen en is het niet mogelijk om een facultatieve clausule op te nemen die voorziet in de omschakeling van het bestuursmodel met één bestuurder naar een raad van bestuur (of omgekeerd) afhankelijk van de vraag of één of meer bestuurders worden benoemd of in functie blijven, zonder wijziging van de statuten[1].

Een andere strekking aanvaardt dergelijke mogelijkheid wel, onder meer onder verwijzing naar de BV, waar deze flexibiliteit sinds lang bestaat[2].

Hoewel controversieel, is het gebruik van dergelijke facultatieve clausules in de NV intussen wijdverspreid.

In een recent advies nr. 2023/004 van 21 juni 2024 besluit het Adviescomité inzake Vennootschappen en Verenigingen (CASAVV)[3], na een uiteenzetting van de twee strekkingen, dat de huidige wettekst niet toelaat om deze discussie te beslechten.

Continue reading “Kunnen de statuten van een NV voorzien in een flexibele omschakeling tussen een raad van bestuur en een enige bestuurder, zonder nieuwe statutenwijziging?”

Weg met de botte bijl in de geschillenregeling

Zopas verscheen bij die Keure De geschillenregeling in de BV en de NV. Een handboek van Dominique De Marez en Anouk Vantomme. Hierna volgt bij wijze van exclusief voorproefje een uiteenzetting over één van de heikele topics waarover de auteurs in het boek een duidelijk standpunt innemen.   

1.

De wijze waarop de prijs wordt bepaald bij de gedwongen overdacht van effecten die wordt bevolen in het raam van een geschillenregeling staat vaak in schril contrast met de precisie en de zin voor evenwicht die wordt gehanteerd bij een vrijwillige, conventionele aandelenoverdracht. Waar er bij een conventionele overdracht vaak “specific indemnities” of andere contractuele mechanismen worden voorzien om de impact van eventuele toekomstige en onzekere gebeurtenissen op de waarde van de effecten te regelen, is dat bij een geschillenregeling niet het geval.  

Continue reading “Weg met de botte bijl in de geschillenregeling”

A European Central Bank Standing Guard over a European Currency Union

A post by guest blogger Jan Meyers (Cleary Gottlieb)

            A good while ago, in the late 1970s and early 1980s, I wrote my doctoral thesis at Stanford about the possible design of a more integrated European monetary system. It was then still a somewhat nebulous prospect amidst experiments with semi-fixed exchange rate arrangements between participating European currencies (the “snake-in-the-dollar-tunnel”, then “le serpent dans l’espace” and, eventually, ERM I) following the unravelling of the Bretton Woods gold-dollar standard. Fast forward to the present: a genuine European central bank has been standing guard over a genuine European currency union for 25 years, steering it through a succession of turbulences. It has been and continues to be a fascinating story, with several plot twists and an abundance of intriguing questions. I could not resist the temptation of writing another book about it. It has actually been a joy writing it.

            The book revisits the architecture of the European currency union as it continues to evolve in Europe’s incomplete EMU and now faces today’s concurrent challenges posed by government debt sustainability concerns and the considerable public expenditures, investments and reforms needed in particular to address climate change and the green transition, population ageing, the changing landscape of global trade and the rebuilding of credible defense capability.

Continue reading “A European Central Bank Standing Guard over a European Currency Union”

Zijn ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen onderworpen aan de patrimoniumtaks?

Een post door gastblogger Dirk Deschrijver

1. In artikel 147 W.Succ. staat dat “de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de private stichtingen, beheerst door het Wetboek van vennootschappen en verenigingen” vanaf 1 januari volgend op de datum van hun oprichting onderworpen zijn aan een jaarlijkse taks tot vergoeding van de successierechten.[1] Deze bepaling gaat terug op artikel 44, lid 1 van de wet van 27 juni 1921[2] waarin stond: “De vereenigingen zonder winstgevend doel en de instellingen van openbaar nut zijn onderhevig aan eene jaarlijksche belasting.” Het ging toen om de invoering van een jaarlijkse “taxe tot vergoeding der successierechten” ten belope van 0,10% op het brutovermogen van die lichamen. Vrijstellingen van die belasting werden toen niet voorzien. Daarentegen was er bijv. in artikel 2, § 1 van de wet van 17 oktober 1945[3], welke een éénmalige belasting van 5% op het kapitaal invoerde, wel sprake van een vrijstelling ten behoeve van “erkende mutualiteitsverenigingen.”[4]

Continue reading “Zijn ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen onderworpen aan de patrimoniumtaks?”

Remuneration of independent directors in shares

A post by guest blogger Pieterjan Heynen

Based on the annual reports of Belgian listed companies, Guberna and VBO recently conducted a study in order to determine to what extent the recommendations of the Belgian Corporate Governance Code are being observed. Particular attention was paid to Recommendation 7.6, a relatively new provision which was introduced into the Code in 2020. This Recommendation states that non-executive directors should receive part of their remuneration in shares. However, the Guberna and VBO study showed that this provision is currently one of the least complied with in the Code, since only 15% of Belgian listed companies include shares in the remuneration package of their non-executive directors.

In response to the low level of application of this recommendation, we conducted a more in-depth empirical study, complemented by theoretical and comparative findings. The results of our analysis will be presented at a conference on “Recent Trends in the Remuneration of Executives and Directors”, which will take place at the University of Antwerp on 23 May 2024 (see also here). Our focus was on the compensation of independent directors, who, as non-executive directors, also fall within the scope of Recommendation 7.6. At first glance, this may sound surprising. The “explanations” of companies that do not comply with this recommendation sometimes state that they do not provide for remuneration in shares, precisely because they do not want to jeopardize the independence of their independent directors…

Is this skepticism justified? Does equity compensation inevitably impair a director’s independence? Answering this question requires a good understanding of the role and functions of independent directors. After all, they are key players in Belgian listed companies and form a de facto majority on most boards. Moreover, the Belgian Code for Companies and Associations (CCA) assigns them specific roles in related parties transactions and audit, remuneration and nomination committees.

From these specific legal tasks, it can be inferred that independent directors have a role to play as “mediators” in two of the three well-known principal-agent conflicts of corporate law. On the one hand, they should act as a buffer between the executive management of the company and its shareholders, as a kind of additional control mechanism. This follows, among other things, from their presence on the audit and remuneration committee. On the other hand, they also appear to mediate the second principal-agent conflict, between the controlling shareholder and minority shareholders, which follows from their involvement in related party transactions.

Taking these tasks as a starting point, it may indeed be interesting to remunerate independent directors in shares. In this way, they are no longer merely mediators in the principal-agent problems mentioned above, but instead they become principals themselves. An independent director who is also a (small) shareholder may experience an important additional incentive to look after the interests of all small shareholders.

However, not everyone will agree with this view. For example, it could also be argued that independent directors should not only look after the interests of minority shareholders, but that because of their independence, they are rightly positioned to take into account a broader, societal interest as well. According to this view, their role includes the observation of the interests of all the company’s stakeholders. Consequently, remuneration in shares could be counterproductive in such a case, because it could narrow the focus of independent directors to the interests of shareholders, while overlooking other stakeholders.

Thus, the question of whether independent directors have a narrow or a broad role, focusing on the interests of shareholders or of all stakeholders, respectively, cannot be answered unambiguously. Moreover, a comparative law analysis shows that legal systems often provide different answers to this question. In our presentation we examine these different approaches that can be found in Belgium, France, the Netherlands, Germany, the UK and the US. We will also look at results from economic research. Does equity compensation incentivize independent directors to better perceive their role? Or does it have only a minor impact on their attitude on the board?

Based on these theoretical, comparative law and empirical findings, we take stock of Recommendation 7.6 of the Belgian Corporate Governance Code regarding equity compensation for independent directors.

This blogpost is based on a joint research project with Pieterjan Heynen, Tom Vos and Theo Monnens.

Pieterjan Heynen
Jan Ronse Institute
KU Leuven

De termijn tot aangifte van een schuldvordering in een faillissement kan niet omzeild worden langs de achterdeur (Cass. 12 april 2024)

Een post door gastblogger mr. Vincent Verlaeckt

1. Het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest van 12 april 2024 (C.23.0415.F/1) bevestigd dat de aangiftetermijn tot het indienen van schuldvorderingen niet kan omzeild worden door een schuldvordering op te nemen in een proces-verbaal van verificatie dat wordt neergelegd na de aangiftetermijn van 1 jaar met het doel deze schuldvordering via de betwistingsprocedure alsnog te laten opnemen in het passief middels een vonnis.

Continue reading “De termijn tot aangifte van een schuldvordering in een faillissement kan niet omzeild worden langs de achterdeur (Cass. 12 april 2024)”

Duurzaamheid beoordelen kan binnenkort niet langer zonder vergunning

Een post door gastbloggers Chloë De Somviele & Lisa Nelis

Toegang tot kwalitatieve duurzaamheidsdata is al langer een pijnpunt wanneer beleggers rekening willen houden met de ecologische, sociale en governance (ESG) factoren van bedrijven.[1] Correcte informatie over ESG-factoren neemt aan belang toe in de financiële sector om de risico’s en investeringsopportuniteiten ten gevolge van de energietransitie, klimaattransitie en sociale uitdagingen accuraat in rekening te brengen. Bedrijven die ondernemingen op basis van ESG-factoren beoordelen en rangschikken, ook wel ESG-ratingagentschappen genoemd, zijn daarin essentieel maar ook problematisch, aangezien bijvoorbeeld onduidelijk is welke ESG-criteria zij hanteren, welke ESG-criteria zwaarder doorwegen, en hoe ESG-informatie wordt verzameld.  

De Europese Unie regelt reeds bepaalde delen van de beleggingsketen die uitvoerig op deze blog werden besproken, zoals wanneer een economische activiteit ecologisch duurzaam is, over welke duurzaamheidsinformatie bedrijven moeten rapporteren, hoe informatie over duurzaamheid in precontractuele en periodieke documenten van financiële producten moeten worden opgenomen, en hoe in de distributie van financiële instrumenten gevraagd moet worden naar duurzaamheidsvoorkeuren. Uitgevers van ESG-ratings bleven voorlopig buiten schot. Woensdag 24 april keurde het Europees Parlement een compromistekst van februari 2024 goed. Daarmee ligt nu de verordening van toepassing op ESG-ratings ter stemming voor bij de Europese Raad. Hieronder bespreken we de tekst van het akkoord tussen het Europees Parlement en de Raad zoals die door het Parlement werd goedgekeurd.[2]

Continue reading “Duurzaamheid beoordelen kan binnenkort niet langer zonder vergunning”

ESG, (bestuurders)aansprakelijkheid en verzekering – TPR Lezing door prof. dr. Wim Weterings

TPR – Wisselleerstoel

Wouter Devroe, decaan van de Faculteit Rechtsgeleerdheid en Criminologische Wetenschappen, Prof. dr. Caroline Van Schoubroeck en prof. dr. Joeri Vananroye, Onderzoekseenheid Economisch recht,
Prof. dr. Matthias E. Storme en prof. dr. Vincent Sagaert, directeuren TPR,
hebben het genoegen u uit te nodigen op de  

Inaugurale lezing van prof. dr. Wim Weterings
“ESG, (bestuurders)aansprakelijkheid en verzekering”  

op maandag 10 juni 2024 om 17.00
in de Oude Valk, aula Zeger Van Hee, Tiensestraat 41 te Leuven.  
Na de lezing wordt u een receptie aangeboden in de Laga Lounge vanaf 18.30  

De toga wordt gedragen. 1 OVB-punt toegekend.
PROGRAMMA
17.00 Verwelkoming en voorstelling TPR-Wisselleerstoeldoor prof. dr. Matthias E. Storme en prof. dr. Vincent Sagaert
17.15 Inleiding prof. dr. Wim Weterings, Tilburg University, door prof. dr. Caroline Van Schoubroeck
17.30 Inaugurale rede TPR: “ESG, (bestuurders)aansprakelijkheid en verzekering”
18.30 Receptie    

Gelieve uw aanwezigheid te bevestigen vóór 3 juni via deze link.

Een agency-theorie voor vennootschappen met sociaal doel

Een belangrijke, of zelfs de belangrijkste stroming in de rechtseconomische analyse van het vennootschapsrecht is de “agency-theorie”. Zij gaat terug tot de jaren 1970 en biedt een nuttig kader voor het begrip van vennootschappen met enkel een winstverdelingsdoel, m.a.w. de (klassieke) vennootschappen die ernaar streven hun aandeelhouders rechtstreekse of onrechtstreekse vermogensvoordelen te bezorgen. Met vennootschappen die ook een sociaal (niet op aandeelhouderswaarde gericht) doel nastreven, heeft de agency-theorie meer moeite.

Continue reading “Een agency-theorie voor vennootschappen met sociaal doel”