EU geeft controlerende aandeelhouders meer macht: dat vraagt dringend om verantwoordelijkheid en aanscherping van de corporate governance

Een post door professoren Arnoud Boot (Universiteit Amsterdam), Harm-Jan de Kluiver (Radboud) en Philip Wallage (Universiteit Amsterdam en Vrije Universiteit)

De uitdaging: Amerikaanse suprematie

De Amerikaanse suprematie in big tech en de groei en macht van de toonaangevende tech companies, de ‘Magnificent’ Seven (Microsoft, Meta, Alphabet, Apple, Nvidia, Amazon en Tesla), leidt niet slechts tot ongemak over onze afhankelijkheid daarvan, maar roept ook de vraag op hoe Europa zelf tech-ondernemers kan creëren. In hun bekende rapporten zoeken Letta en Draghi, maar ook Pieter Wennink, het antwoord in een combinatie van een beleid gericht op het bevorderen van de bloei van innovatieve ondernemingen in Europa en het sterk vergemakkelijken van de toegang tot de kapitaalmarkt.

De EU wil innovatieve ondernemingen en toegang tot de kapitaalmarkt bevorderen

Tekenend voor een poging die beide doelstellingen te combineren is recente EU-regelgeving (Richtlijn 2024/2810) die de groei van innovatieve ondernemingen wil stimuleren door het aantrekkelijker te maken om buiten de grote beurzen om, aandelen te plaatsen, en zo geld op te halen op meer informele beurzen (zogenaamde Multilateral Trading Facilities; MTF’s). De crux van de nieuwe EU-regel is dat ondernemingen het recht krijgen om bij verhandeling op zo’n beurs oprichters of andere kernaandeelhouders aandelen met meer stemrecht te geven dan die van de overige aandeelhouders. Op die wijze kunnen bijvoorbeeld oprichters de macht in de onderneming behouden, ook bij een toestroom van nieuwe aandeelhouders.

Continue reading “EU geeft controlerende aandeelhouders meer macht: dat vraagt dringend om verantwoordelijkheid en aanscherping van de corporate governance”

Klimaatrechtspraak: Ondernemingsrechtbank Henegouwen (afdeling Doornik) – 18 maart 2026

Gisteren heeft de Ondernemingsrechtbank Henegouwen een tussenvonnis geveld in de zgn. Farmer case. Het vonnis kan hieronder worden geconsulteerd. Voor een beknopte toelichting wordt verwezen naar deze post van Mr Guillaume Croisant.

The Administration of Maritime Insolvencies under the Paradigm of Cooperative Territoriality

A post by Dr Warren de Waegh (University of Cape Town)

The most international kind of insolvency

There is arguably no line of business in which insolvencies are as international as in shipping. By their nature, ships are destined to be mobile and travel the seven seas. At the same time, ships are fictionally immobilised in the country of registration, often in an offshore open registry with faint connections to the shipowner’s country of origin, but with a favourable fiscal and regulatory regime. The choice of this registry is often pushed by ship financiers, who hold strong bargaining powers against the shipowner and enable the building and purchase of ships.

For its operation, shipowners typically resort to charterers, who sometimes may decide to register the ship in yet another country. Seafarers, the most vital links to the daily operation of the ship, are often recruited through shipping agencies in low-wages countries overseas. Along its voyages, the ship can be the object of various commercial and operational dealings in the different countries in which it calls port, e.g. with cargo interests, service providers and suppliers active in the port, pilotage and towage services, and shipyards. In addition, the ship can be faced with more inadvertent creditors, such as salvors, general average contributors, and creditors in tort following a collision or another maritime casualty.

When the shipowner becomes insolvent, all these sundry interests from different parts of the world suddenly face each other off. Against this highly international background, it is somewhat ironic that the administration of insolvencies of shipping companies or maritime insolvencies has proven to be challenging under existing cross-border insolvency instruments, such as the UNCITRAL Model Law on Cross-Border Insolvency (MLCBI) and the European Insolvency Regulation, recast (EIR). Given the pivotal role of shipping to global trade, the resulting chaos to the world economy can be enormous, as was illustrated most strikingly in the insolvency of the South Korean container shipping giant, Hanjin Shipping, now about ten years ago.

Continue reading “The Administration of Maritime Insolvencies under the Paradigm of Cooperative Territoriality”

Flitsbericht: Europese Commissie lanceert EU Inc.

Vandaag stelt de Europese Commissie het zgn. 28ste regime voor, dat voorziet in de introductie van een pan-Europese rechtsfiguur, aangeduid als “EU Inc.” De achtergrond van deze innovatie is genoegzaam gekend. Opeenvolgende rapporten van Europese prominenten hebben blootgelegd dat de beloftes van de interne markt slechts gedeeltelijk gerealiseerd zijn. Een nieuwe, Europese, rechtsfiguur, die vlot opgericht kan worden, en zonder frictie doorheen de Europese Unie kan bewegen, wordt geacht een deel van de oplossing te zijn. Het voorstel van de Europese Commissie is omvangrijk, en zal dra en veelvuldig het voorwerp uitmaken van nadere analyse. Watch this space.

Enkele aandachtspunten kunnen nu reeds worden vermeld:

  • Digitalisering en standaardisering zijn de ordewoorden; transactiekosten moeten lager, hetgeen onmiddellijk de vraag doet rijzen of dit dan ook niet kan/moet voor de nationale rechtsfiguren;
  • EU Inc. moeten worden aangevuld met nationaal vennootschapsrecht. Zal dit de globale doelstelling ondergraven?
  • EU Inc. voorziet in een duidelijk fiscaal regime voor aandelenoptieplan: geen belasting upfront maar bij realisatie van de onderliggende aandelen. Een oud zeer in België. Hoe houdbaar zal het zijn om deze regeling niet ook te voorzien voor nationale rechtsvormen?

Wie het voorstel van de Europese Commissie leest (en zeker kritische juristen), ziet onmiddellijk vele hindernissen. Of EU Inc. de golden bullet wordt ter ontsluiting van de interne markt zal dan ook in belangrijke mate afhangen van het voluntarisme waarmee dit instrument in de praktijk wordt toegepast en door de nationale wetgevers wordt behandeld.    

Europees Parlement keurt Insolventierichtlijn goed

Gisteren keurde het Europees Parlement het voorstel van nieuwe Insolventierichtlijn goed. Waar de Europese wetgever voorheen focuste op IPR (Insolventieverordening) en gerechtelijke reorganisatie (Herstructureringsrichtlijn) zal nu ook het nationaal materieel faillissementsrecht moeten worden aangepast. Komen aan bod:

  • voorwaarden voor het aanvechten van transacties (pauliana);
  • de opsporing van activa over de grens heen door de toegang van insolventiefunctionarissen tot activaregisters te faciliteren;
  • voorbereiding en onderhandeling van een verkoop vóór de formele opening van de insolventieprocedure mogelijk (pre-pack);
  • plicht voor bestuurders om insolventieprocedure aan te vragen;
  • verbetering van de vertegenwoordiging van schuldeisers via schuldeiserscomités.

Verwacht wordt dat de Raad deze tekst in zijn huidige vorm snel zal goedkeuren. De praktijk doet er daarom best aan de komende wijzigingen aan het nationale faillissementsrecht te anticiperen. De omzetting van de Richtlijn komt einde deze maand aan bod op de eerste dag van de internationale conferentie van CERIL te Leuven, op 26 en 27 maart 2026. Inschrijven is nog mogelijk.

Joeri Vananroye

Zekerheden door een VZW of stichting: toets aan het verenigings- of stichtingsbelang

Bij vennootschappen dient een persoonlijke of zakelijke zekerheid die wordt gesteld voor de schuld van een derde en zonder een marktconforme vergoeding verantwoordbaar zijn vanuit het eigen belang van die rechtspersoon.

Daarmee heeft de rechtspersoon een grens aan het beheer van het vermogen die een natuurlijke persoon niet heeft (al zijn er bij natuurlijke personen ook wel een reeks aanvechtingsmogelijkheden voor verarmende handelingen). Dat is de ‘prijs’ die betaald moet worden om te kunnen genieten van vermogenssplitsing (beperkte aansprakelijk en afgescheiden vermogen).

In bv. een vennootschapsgroep zullen activa en passiva worden gecompartimentaliseerd door het oprichten van dochtervennootschappen, waarbij de activa van een entiteit enkel dienen tot verhaal van de schuldeisers van die entiteit en schulden niet kunnen worden verhaald bij andere entiteiten. De prijs die hiervoor betaald moet worden is dat er niet zomaar met activa en schulden geschoven kan worden, bv. door het aangaan van zekerheden. In dat opzicht is de toets aan het vennootschapsbelang een regel van vermogensbescherming die schuldeisers en (eventuele) minderheidsaandeelhouders van een dochtervennootschap wil beschermen.

Dat betekent geenszins dat een zekerheid gesteld voor een andere vennootschap binnen een groep per se strijdig is met het vennootschapsbelang. De rechtspraak erkent dat het individuele vennootschapsbelang op lange termijn gebaat kan met een opoffering op korte termijn in het groepsbelang (zie hierover bv. J. Vananroye, A. Van Hoe en G. Lindemans, “Curb Your Opportunism: Limits to Group Structures and Asset Partitioning in Insolvency in Belgium”, in The 800-Pound Gorilla. Limits to Group Structures and Asset Partitioning in Insolvency, NACIIL Preadviezen, Eleven, Den Haag, 2018, 40 e.v.).

Meestal wordt dit probleem enkel besproken voor vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid. Ook andere (privaatrechtelijke) rechtspersonen moeten in principe handelen in hun eigen belang.

Continue reading “Zekerheden door een VZW of stichting: toets aan het verenigings- of stichtingsbelang”

International Conference on European Restructuring and Insolvency Law (26 and 27 March, Leuven, Belgium)

Hosted this year by KU Leuven, CERIL’s 4th International Conference will explore the rapidly expanding landscape of European restructuring and insolvency law. Once an area largely untouched by harmonisation efforts, this field has undergone remarkable transformation in the last years. With reforms driven by the EU’s Capital Markets Union and the prospect of a 28th company and insolvency law regime, change is underway.

This year’s programme will examine the implications of the new EU Insolvency Directive (Insolvency III) for legislators, courts, and practitioners. Building on last year’s CERIL statement, substantive discussions will focus on the European Insolvency Regulation 2015 ahead of the upcoming review. Looking ahead, the conference will explore what the next phase of development may bring — from the design of a 28th EU insolvency regime to the growing impact of digitalisation on restructuring and insolvency practice.

This year, we are pleased to welcome as key note speaker: Prof. René Repasi. He is a Member of the European Parliament, in this capacity he has acted as the shadow rapporteur for the new EU Insolvency Directive. In addition, he is currently the rapporteur for the EU 28th Regime for Innovative Companies, including the rules on insolvency law.

See for the program and registration, see here.

The venue of the conference is the Irish College of St. Antony in Leuven, in a 17th century chapel converted into a modern auditorium.

Additional certification/registration information for Belgian participants:

  • OVB – Orde van Vlaamse Balies (7 points, requested)
  • IBJ – Instituut voor bedrijfsjuristen (8 points)
  • IGO – Instituut voor Gerechtelijke Opleiding (TEC-E26143)

Twee vacatures deeltijdse praktijkassistent (5%) insolventierecht


Aan het Instituut voor Insolventie (KU Leuven) zijn er twee vacatures voor een deeltijdse praktijkassistent met een 5% aanstelling.

We zoeken iemand met interesse in het insolventierecht die wil meewerken met het onderwijsteam insolventierecht onder leiding van professor Joeri Vananroye. Dit kan omvatten (deels in functie van de voorkeuren van de kandidaat) :

  • doceren werkcolleges (Leuven);
  • doceren onderwijsgroepen (Hasselt);
  • begeleiden seminaries en masterproeven.

Bij interesse kan de kandidaat ook ingeschakeld worden in het onderzoek van het Instituut (bv. door publiceren van bijdragen of spreken op studiedagen) en in onderwijstaken.

Continue reading “Twee vacatures deeltijdse praktijkassistent (5%) insolventierecht”

Hoe ‘belangeloos’ is het belangeloos doel bij VZW en stichting?

Volgens artikel 1:2 en 1:3 WVV streeft elke VZW of stichting “een belangeloos doel na in het kader van één of meer welbepaalde activiteiten die zij tot voorwerp heeft.” Regelmatig rijst de vraag: “Wat houdt een belangeloos doel precies in?” of ook “Wanneer is een doel belangeloos?” In deze blogpost verduidelijken we waarom die vraag niet eenduidig te beantwoorden is. Het ene belangeloos doel is immers niet het andere.

Continue reading “Hoe ‘belangeloos’ is het belangeloos doel bij VZW en stichting?”

Het uitkeringsverbod bij VZW en stichting: de toets van de marktconformiteit als centrale waarborg tegen vermogenslekken

Artikel 1:2 en artikel 1:3 WVV definiëren het uitkeringsverbod als het verbod voor VZW en stichting om rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel uitkeren of bezorgen” aan haar oprichters, leden, bestuurders of enig ander persoon, behalve voor uitkeringen die gebeuren in het in de statuten bepaald belangeloos doel. Het uitkeringsverbod onderscheidt VZW’s en stichtingen van vennootschappen. Terwijl het vermogen van een VZW of stichting niet mag worden uitgekeerd aan de personen die het voor het zeggen hebben in de organisatie (de zogenaamde insiders), mogen vennootschappen daarentegen wel uitkeringen doen aan hun aandeelhouders, mits naleving van de wettelijke voorschriften.

Het belang van het uitkeringsverbod is niet te onderschatten.

Continue reading “Het uitkeringsverbod bij VZW en stichting: de toets van de marktconformiteit als centrale waarborg tegen vermogenslekken”

Dagvaarding vereffenaar q.q. na sluiting vereffening: wat als een verkeerde persoon als vereffenaar werd gepubliceerd?

Een vonnis van 3 februari 2026 van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank behandelt een particuliere casus:

  • Een vennootschap wordt failliet verklaard in 2009, waarbij meester X wordt aangesteld als curator.
  • Het faillissement wordt afgesloten in 2016. Dat brengt de sluiting van de vereffening van de rechtspersoon met zich mee waarbij, bij afwezigheid van een vereffenaar, de voormalige zaakvoerder als vereffenaar geldt die desgevallend later nog in die hoedanigheid kan worden gedagvaard.
  • Het vonnis tot sluiting van het faillissement vermeldt correct de voormalige bestuurders als vereffenaars, maar de publicatie van dat vonnis in het BS (wat gebeurt door de griffie) vermeldt per vergissing meester X (de voormalige curator) als vereffenaar.
  • Het Fonds Sluiting Ondernemingen dagvaardt in 2025 de ontbonden en vereffende vennootschap, gebruikmakend van de zgn. ‘passieve rechtspersoonlijkheid’ (die traditioneel gelezen wordt in de verjaringsregel art. 2:143 § 1, vijfde streepje). In casu bleek er een bescheiden bedrag te zijn geconsigneerd, wat de reden was om een titel lastens de vereffende vennootschap te verkrijgen.
  • Na een vereffening verdwijnt een vennootschap als rechtspersoon. De ‘passieve rechtspersoonlijkheid’ die hierop een uitzondering vormt veronderstelt dat de voormalige vereffenaar ‘in hoedanigheid’ wordt gedagvaard. Dit betreft geen vordering tegen de vereffenaar persoonlijk; de vereffenaar is slechts formele procespartij. Als die vordering slaagt verkrijgt de eiser een veroordeling van de vereffende vennootschap.
  • Het Fonds had de voormalige bestuurders ‘in hoedanigheid’ moeten dagvaarden, maar, misleid door de slordige publicatie, wordt meester X als vereffenaar van de vennootschap gedagvaard.

Quid?

Continue reading “Dagvaarding vereffenaar q.q. na sluiting vereffening: wat als een verkeerde persoon als vereffenaar werd gepubliceerd?”

Wat komt er uit Europa af op het insolventierecht: conferentie te Leuven op donderdag 26 en vrijdag 27 maart

De nieuwe EU-Insolventierichtlijn zal weldra moeten worden omgezet door de nationale wetgever. In maart stelt de Commissie het zgn. “28ste regime” voor, met een luik insolventierecht. De Europese Insolventieverordening (2015) wordt op korte termijn herzien.

Het is dan ook geen overdrijving van te spreken van een Big Bang in het Europese insolventierecht. CERIL (Conference of European Insolvency and Restructuring Lawyers) brengt daarom op donderdag 26 en vrijdag 27 maart beleidsmakers, praktizijnen en academici samen in het stemmige, maar onterecht onbekende, Iers College te Leuven voor een conferentie die dit jaar gehost wordt door de KU Leuven (Instituut voor Insolventierecht).

De conferentie is voor Belgische magistraten en leden van de rechterlijke orde erkend door het IGO. Er is erkenning aangevraagd bij OVB en IBJ voor 7 punten. De inschrijvingsprijs omvat koffiepauzes, lunch en een diner op donderdagavond in de Faculty Club te Leuven. De CERIL-conferenties, eerder in Leiden en Vilnius, brengen traditioneel heel wat vooraanstaande insolventiespecialisten uit Europa en daarbuiten samen.

Program

The tentative program for the conference is as follows:

Thursday 26 March 2026 
14:00      
Europe’s New Insolvency Directive
Day Chair: Prof. Reinout Vriesendorp

Sessions:
Keynote | The big bang: the case for the Capital Markets Union and harmonisation of insolvency law
Panel I | Expansion of the EU Insolvency Universe: what will implementation of the Insolvency Directive bring?
Panel II | The EU Insolvency Directive: (new) instruments for practice

This day will conclude with a complimentary drinks reception and a conference dinner.
Friday 27 March 2026
09:00
The way forward: reviewing the EIR 2015, the 28th regime and the impact of digitalisation
Day Chair: Prof. Ignacio Tirado

Sessions:
Keynote | Future perspectives for EU insolvency law
Panel III | Reviewing the EIR 2015: the scope of the Regulation
Panel IV | Reviewing the EIR 2015: cross-border coordination
Panel V | Into the digital age: what digitalisation means for restructuring and insolvency

Meer informatie en inschrijving hier.

Formalisme als bescherming van bestuurders tegen ‘verborgen persoonlijke zekerheden’ voor vennootschapsschulden

Nieuw recht inzake persoonlijke zekerheden

Een persoonlijke zekerheid door een vertegenwoordiger van een vennootschap kan niet worden ‘verborgen’ in een overeenkomst met de vennootschap die door die vertegenwoordiger wordt ondertekend. De cassatierechtspraak uit de laatste jaren bevestigt in dit verband een gezond formalisme, dat de partij die een zekerheid bedingt verplicht om die zekerheid bij de contractsluiting onmiskenbaar naar voren te schuiven.

Continue reading “Formalisme als bescherming van bestuurders tegen ‘verborgen persoonlijke zekerheden’ voor vennootschapsschulden”

Voetangels bij agressieve handelingen namens of tegen rechtspersonen

Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel, 14 november 2025

In het eerste college aan studenten van de master Vennootschapsrecht wil ik wel eens de kille buitenwereld binnenhalen door te stellen dat ‘corporate lawyers’ in de eerste jaren van hun carrière 1/3de van hun tijd bezig zijn met het kiezen en correct identificeren van de correcte partij en desgevallend tegenpartij bij allerlei rechtshandelingen.

Welke entiteit van de groep moet partij zijn bij de overeenkomst?; wie moet zich verbinden bij een engagement om het kapitaal te verhogen of een contract met een change-in-control bepaling goed te keuren?; hoe voorkomen dat een overdrachtsbeperking wordt omzeild door een overdracht van de aandelen in de aandeelhouder?; hoe meer in het algemeen contractueel regelen dat met de tegenpartij verwante personen het doel van het contract niet onderuit halen?; wie moet dagvaarden onder een overeenkomst met een vennootschap in oprichting als die oprichting nog niet heeft plaatsgevonden?; wie moet partij zijn bij de aandeelhoudersovereenkomst als aandelen in een maatschap zijn ingebracht? … (M.b.t. tot de laatste vraag: evident in ieder geval ook de maatschap, maar geloof me dat er vaak niet wordt aan gedacht).

Een recent vonnis van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel (eerst hier gesignaleerd op Linkedin) illustreert de ingrijpende gevolgen als daar niet wordt over nagedacht — overigens in een veel meer basale casus dan de vragen hiervoor.

Dit is een essentieel aandachtspunt bij alle agressieve rechtshandeling tegen of namens rechtspersonen. Met agressieve rechtshandelingen bedoel ik handelingen die de tegenpartij liever niet ziet komen. Als partijen hetzelfde willen is een verkeerde rechtspersoon snel rechtgezet. Agressieve rechtshandelingen zijn uiteraard dagvaardingen en andere proceshandelingen, maar ook opzeggingen, ingebrekestellingen, eenzijdige mededelingen tot buitengerechtelijke ontbinding, enz. Bij buitengerechtelijke handelingen gebeuren er overigens meer ongelukken, omdat ze niet altijd door juristen worden opgesteld en uitgestuurd. Bij dagvaardingen is er de controle door advocaat en gerechtsdeurwaarder. Dat dit geen volledige garantie biedt toont de besproken uitspraak aan.

Read more: Voetangels bij agressieve handelingen namens of tegen rechtspersonen

De belangrijkste feiten die aanleiding gaven tot de uitspraak zijn als volgt:

  • Een Belgische technologievennootschap (verweerder) heeft een contractuele relatie met een internationale rekruteringsgroep, laten we het pseudonimiseren als de Headhunter Group. (De officiële pseudonimisering van het vonnis helpt niet echt de lectuur.)
  • Headhunter Group heeft een Ltd. in London (Headhunter Group Ltd) die een bijkantoor in België heeft. Een ‘bijkantoor hebben’ wil zeggen dat deze Engelse vennootschap voldoende aanwezig is om onderworpen te worden aan enkele Belgische verplichtingen, niet in het minst de verplichting om zoals Belgische vennootschappen bepaalde elementen te publiceren ter griffie en het BS en ook in het KBO. Een bijkantoor is geen aparte entiteit: contracten bevoegd afgesloten namens het bijkantoor maken de Engelse Ltd partij.
  • Daarnaast is een Belgische vennootschap die deel uitmaakt van de Headhunter Group: Headhunter Group Belgium BV, vermoedelijk een dochter- of zustervennootschap van de Engelse Ltd.
  • Hoe die contractuele relatie is gedocumenteerd is niet heel duidelijk. Het lijkt erop dat, zoals zo vaak, er geen onderhandse akte is waarop alle partijen duidelijk zijn geïdentificeerd. Wel is er sprake van algemene voorwaarden die zijn uitgewisseld en facturen die werd gestuurd aan de verweerder — telkens naar ik begrijp door Headhunter Group Ltd.
  • De verweerder betaalt niet de vergoeding die verschuldigd zou zijn voor de aanbreng van een consultant en wordt gedagvaard door “Headhunter Group Belgium BV, onderdeel van Headhunter Group Limited, vennootschap naar het Engels recht“.

    Dat is op zich al een erg eigenaardige identificatie. Er wordt duidelijk verwezen naar de Belgische BV, maar toch wordt de link met Engelse Ltd gelegd, met ook haar volledige identificatie; dat is iets dat je enkel doet bij een bijkantoor, dat immers geen zelfstandige rechtspersoon is en slechts het ‘loket’ van de buitenlandse vennootschap.

    Verder is het bizar om de Belgisch BV te omschrijven als “een onderdeel van Headhunter Group Limited”; een rechtspersoon die onderdeel is van een andere rechtspersoon is geen dingetje naar Belgisch recht; en naar ik vermoed evenmin naar Engels recht. Een rechtspersoon kan wel gecontroleerd worden door een andere rechtspersoon; en aldus deel uit maken van een groep. Een groep is echter naar Belgisch en naar Engels geen zelfstandige entiteit, heeft geen eigen rechten en verplichtingen en kan niet in rechte treden of worden gedaagd. Zelfs in de uitzonderlijke gevallen dat er materieelrechtelijk vereenzelviging (‘doorbraak’) is, waarbij entiteiten van een groep aansprakelijk zijn voor mekaars schulden, zal elke entiteit afzonderlijk moeten worden in het geding betrokken als men wil uitvoeren op haar goederen.

Met andere woorden: de identificatie van de eiser kan moeilijk naar iets anders verwijzen dan de Belgische rechtspersoon Headhunter Group Belgium BV. De verwijzing naar Headhunter Group Ltd is te nietszeggend om te kunnen argumenteren dat het hier gaat om een ongelukkige identificatie van het Belgisch bijkantoor.

De rechtbank wijst de eis dan ook af wegens gebrek aan belang en hoedanigheid. Eiser werd veroordeeld tot de kosten van het geding en de juiste vennootschap moet hopen dat de vordering intussen niet is verjaard.

De afwijzing ligt wat mij betreft voor de hand. Wel zou ik eerder simpelweg spreken van ongegrondheid. De eiser beweert een recht te hebben dat hij duidelijk niet heeft, nl. een contractuele vordering onder een contract waarbij hij geen partij is. Dit onderscheid tussen onontvankelijkheid en ongegrondheid heeft wellicht geen belang.

* * *

De verliezende eiser argumenteerde dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de situatie waarin de verkeerde partij wordt gedagvaard, en de situatie waarin de verkeerde partij dagvaardt.

Als dat al zo zou zijn, dan zou ik denken dat een fout m.b.t. de eiser strenger moet worden beoordeeld dan een verkeerde vermelding van de verweerder. Vergissingen omtrent de complexe structuur van een ander zijn sneller te vergeven dan over de eigen zelfgekozen en per hypothese gekende complexiteit. (Al zijn vergissingen over de eigen structuur, opnieuw, veel meer courant dan men zou denken. In de praktijk zijn rechtspersonen ook maar drukke, op pensioen gaande en van job veranderende mensen.)

De juridische middelen voor vergeving van de vergissing lijken me dan niet in het procesrecht (gebrek aan belangenschade) te vinden, maar in het verbintenissenrecht. De eiser zou kunnen aanvoeren dat de (verkeerde) verweerder een fout pleegde die leidde tot het verkeerde idee dat hij de correcte tegenpartij was, minstens dat er in die zin een schijn was die de verweerder kan worden toegerekend.

Het loutere feit dat er meerdere vennootschappen of bijkantoren zijn met een gelijkende naam volstaat uiteraard niet om te spreken van een fout of toerekenbare schijn. Dit is dagelijkse kost in de ondernemingswereld. Wat relevant kan zijn is als de tegenpartij zelf niet duidelijk was in haar identificatie en/of verwarring .

(Om een beroep op de schijnleer te vermijden hebben internationale groepen van dienstverleners, zoals advocatenkantoren of accountants, uitgebreide e-mailondertekeningen om aan te geven dat er verschillende rechtspersonen zijn en namens welke in het concreet geval wordt geadviseerd. Dit voorkomt dat op grond van de schijnleer een accident bij één entiteit, de rest mee de dieperik in kan sleuren. Wie daar doorgaans meer nonchalant mee omgaat zijn dienstverleners die gebruik maken van een managementvennootschap — ook advocaten. De kinderen van de schoenmaker lopen vaak op klompen.)

* * *

De les is dus: kijk goed wie je tegenpartij is in de contractuele documentatie en stuur je opzegging, ingebrekestelling of dagvaarding naar deze partij.

Nee!

Het contract is slechts het startpunt van de identificatieoefening. De partij bij de overeenkomst is vaak niet de partij die eiser of verweerder hoeft te zijn. De contractuele rechten en plichten kunnen immers intussen zijn overgedragen.

Zo kan de tegenpartij het contract hebben overgedragen. Vaak gebeurt dit in het kader van de overdracht van een bedrijfstak, waarbij wordt meegedeeld: gelieve vanaf nu de facturen te betalen op een nieuw rekeningnummer en een nieuwe entiteit. Moet de andere partij dan daarvoor geen toestemming geven? Indien de contractuele verhouding wordt verdergezet en de facturen betaald, gebeurt die toestemming impliciet. Vaak is er ook geen reden om er tegen te zijn; het briefje wordt behandeld als een louter praktisch punt voor Jeanine van boekhouding. Pas later, als verhouding misloopt, moet gehoopt worden dat Josiane van legal een performant informatiesysteem heeft opgezet waardoor het oorspronkelijk contract gelinkt wordt aan de mededeling van de overdracht.

Nog gevaarlijker — en voor vele litigators een makkelijk te vermijden dode hoek — zijn contractsoverdrachten die helemaal niet moeten worden meegedeeld. Dat geldt met name voor herstructureringen in de zin van Boek 12 WVV, zoals een splitsing of een overdracht of inbreng van een bedrijfstak of algemeenheid, waarbij contracten, rechten en verplichtingen overgaan van één rechtspersoon (soms een natuurlijke persoon) op een andere rechtspersoon. De toestemming van de tegenpartij is niet vereist; de overdracht is immers tegenwerpelijk door publicatie in het Belgisch Staatsblad (art. 2:18 WVV). Wie de overdragende vennootschap dagvaardt zal zijn eis zien worden afgewezen (B. Tilleman, N. Van Dammen en K. Dewaele, Proceshandelingen van en tegen vennootschappen, die Keure, 2020, 113, nr. 129).

Elke tegenwerpelijkheidsregel legt een onderzoekslast op. Vaak ligt die onderzoekslast voor de hand. Wie een onroerend goed koopt weet dat hij het hypotheekregister moet checken of er tegenwerpelijke conflicterende zakelijke rechten zijn. Wie een contract afsluit met een vennootschap, weet dat handtekeningsregeling moeten worden gecheckt. Iedere professionele koper checkt bij aankoop van een roerend goed het pandregister op zoek naar een tegenwerpelijk pandrecht of eigendomsvoorbehoud — ja toch?

Minder intuïtief is dat bij elke dagvaarding namens of tegen een rechtspersoon, buiten de context van elke herstructurering om, in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad moet worden gecheckt of er geen tegenwerpelijke overdracht van de litigieuze rechten en verplichtingen is gebeurd.

1/3de van de arbeidstijd? Het zal maar een beetje overdreven zijn.

Joeri Vananroye

CORRECTIE: Een eerdere versie verwarde de datum van het vonnis met de datum van publicatie van het vonnis. Dit werd rechtgezet.

Cash is key, ook in pre-packs. Maar waar blijft het voorrecht?

Jente Dengler (Monard Law) over tussentijdse financiering, boedelschulden en een merkwaardige lacune in het ‘stil faillissement’

Zonder liquiditeit valt elke onderneming stil, hoe beloftevol de doorstartplannen ook zijn. Voor de gerechtelijke reorganisatie voorziet de wetgever sinds jaar en dag een incentive om de motor draaiende te houden en tussentijds krediet te faciliteren: de zgn. ‘synthetische boedelschuld’. Vreemd genoeg ontbreekt dit voorrangsrecht in de toolkit van de Belgische pre-pack. Een gemiste kans, want nét daar is de nood het hoogst.

Continue reading “Cash is key, ook in pre-packs. Maar waar blijft het voorrecht?”