Over de inbreng in genot

Voor een goed begrip van de tegenwerpelijkheid van de (maatschaps)overeenkomst

De maatschap heeft een eigen vermogen, afgescheiden van de vermogens van de maten. Waar dit onder het W.Venn. door de meeste hedendaagse auteurs werd bepleit, blijkt dit sinds de invoering van het WVV duidelijk uit art. 1:1 en 4:13-4:15 WVV.

Het WVV zegt niet wat het voorwerp is van deze vermogensafscheiding. Mij lijkt het duidelijk dat de maatschapsschuldeisers enkel een bevoorrechte positie hebben t.a.v. de goederen die in onverdeeldheid tussen de maten zijn (K. Geens, “De fundamenten van het vennootschapsrecht dooreengeschud voor de eeuwwende”, in De nieuwe vennootschapswetten van 7 en 13 april 1995, 29, nr. 23; J. Vananroye, Onverdeelde boedel en rechtspersoon, 262, nr. 354.). Anders gezegd: een goed dat een maat enkel in genot inbrengt, zonder overdracht van eigendom of een ander zakelijk recht, kan nog wel door de persoonlijke schuldeiser van die maat worden uitgewonnen. Het gebruiksrecht van de maatschap komt dan wel in onverdeeldheid toe aan de maten, maar dit heeft geen goederenrechtelijke gevolgen voor het goed waarop dit gebruiksrecht betrekking heeft.

Ten onrechte houdt een deel van de moderne (vooral Franstalige) rechtsleer voor dat de vermogensafscheiding ook geldt voor de goederen waarop een louter verbintenisrechtelijk gebruiksrecht is ingebracht. Continue reading “Over de inbreng in genot”

Het belang van IPR bij schuldeisersbescherming bij vennootschappen

Video van presentatie door dhr. Michiel Poesen

Het internationaal privaatrecht is het onderschatte sluitstuk van schuldeisersbescherming. Het zijn immers de IPR-regels die bepalen of schuldenaars dwingende regels kunnen “wegbedingen”, ten nadele van hun schuldeisers, door keuze voor een rechtstelsel dat die regel niet kent. Zo laat ons land sinds kort de insiders van de vennootschap volledig vrije keuze van het toepasselijke vennootschapsrecht. In welke mate beperken andere rechtsdomeinen, zoals het insolventierecht, de rechtskeuze ter bescherming van de schuldeisers?

Dhr. Michiel Poesen (KU Leuven) besprak deze thema’s op 15 oktober 2020. U kan zijn presentatie hier (her)bekijken.

Meer info vindt u ook  in het boek van dr. Gillis Lindemans over Schuldeiser en Rechtspersoon.

Over oud en nieuw. Cassatie over gerechtskosten en de opschorting

Cass. 11 januari 2021

Vroeger, toen art. 7 Hyp.W. nog onverdund van toepassing was, konden in principe alle tegenwoordige en toekomstige schulden worden verhaald op alle goederen van de debiteur, ongeacht het ogenblik waarop deze werden geacht te zijn ontstaan in zijn vermogen. (Zie wel M.E Storme, Zekerheden- en Insolventierecht, II, p. 561 e.v. voor een overzicht van hypotheses waarin het ogenblik van ‘ontstaan’ van een schuldvordering belangrijk is – bv. derdenbeslag, dat enkel bestaande vordering kan treffen).

Die simpele tijd is niet meer. De laatste 25 jaar trekt het insolventierecht steeds meer cesuren in de tijd, maakt het een onderscheid tussen oud en nieuw.

De kwijtschelding van de restschulden na faillissement, maakt een onderscheid tussen schulden van vóór of tijdens de faillissementsprocedure en nieuwe schulden.

Het nieuwe art. XX.110 § 3 WER trekt deze fresh start naar voren: “Uit het actief van het faillissement worden eveneens uitgesloten de goederen, de bedragen, sommen en uitkeringen die de gefailleerde ontvangt sinds de faillietverklaring op grond van een oorzaak die dateert van na het faillissement.” Nieuwe goederen vallen buiten de boedel, oude erin (zie eerder hier).

Schuldvorderingen in de opschorting zijn “de schuldvorderingen ontstaan voor het vonnis dat de procedure van gerechtelijke reorganisatie opent of die uit het verzoekschrift of gerechtelijke beslissing genomen in het kader van de procedure volgen” (art I.22, 11° WER). Vóór of na het vonnis betekent het verschil tussen in of buiten de opschorting.

Al deze regels nopen tot criteria die bepalen wanneer een goed of een schuld ontstaat.

In een arrest van 11-januari-2021 (C.20.0195.N) moest het Hof van Cassatie oordelen of de schuld tot betaling van de gerechtskosten in of buiten de opschorting was. Het betrof de gerechtskosten voor een procedure opgestart vóór het vonnis dat de gerechtelijke reorganisatie opende, maar waarbij de veroordeling tot het eindvonnis plaats vond dat vonnis. Continue reading “Over oud en nieuw. Cassatie over gerechtskosten en de opschorting”

Grenzen aan uitkeringen in het vennootschaps- en insolventierecht

Video van presentatie door Prof. Dr. Robbie Tas

Uitkeringen zijn in zekere zin intrinsiek controversieel: ze laten toe dat aandeelhouders, die nochtans achtergesteld heten te zijn, toch al een vermogensvoordeel ontvangen zonder dat alle schulden van de vennootschap moeten zijn betaald.

Prof. Dr. Robbie Tas (KU Leuven, Intui) besprak op 15 oktober 2020 de grenzen aan uitkeringen in het WVV en hun verhouding met de remedies uit het insolventierecht, zoals de pauliana. U kan zijn presentatie hier (her)bekijken.

Meer info vindt u ook  in het boek van dr. Gillis Lindemans over Schuldeiser en Rechtspersoon.

Afgeleide schade, zijdelingse vordering en minderheidsvordering na ontbinding: Cassatie spreekt zich (gedeeltelijk) uit

Cass. 11 december 2020 (C.19.0318.N)

In een arrest van 11 december 2020 kwamen enkele principiële vragen in het vizier van het Hof van Cassatie:

1. Geldt de regel dat een aandeelhouder geen afgeleide schade kan vorderen ook na ontbinding van de vennootschap?

2. Kan een aandeelhouder net zoals een schuldeiser de zijdelingse vordering instellen indien de vennootschap (in casu in de persoon van de vereffenaar) weigert een vordering in te stellen?

3. Kan de minderheidsvordering worden ingesteld door een meerderheidsaandeelhouder?; en

4. Kan de minderheidsvordering nog worden ingesteld tijdens de vereffening van de vennootschap?

Continue reading “Afgeleide schade, zijdelingse vordering en minderheidsvordering na ontbinding: Cassatie spreekt zich (gedeeltelijk) uit”

Bestuursaansprakelijkheid bij nakende insolventie – video van presentatie door Professor M. Wyckaert

Video 15 oktober 2020

Het aansprakelijkheidsrisico voor bestuurders wordt des te nijpender in de schemerzone voor insolventie. De kans neemt dan immers aanzienlijk toe dat schuldeisers (of een faillissementscurator namens hen) de bestuurders persoonlijk verantwoordelijk zullen stellen voor het ontstane tekort. In hoeverre moeten bestuurders werkelijk aansprakelijkheid vrezen voor bv. wrongful trading, onrechtmatige selectieve betaling of kennelijk grove fout?

Deze actuele kwesties werden besproken door Prof. Dr. Marieke Wyckaert op de studiedag aan de KU Leuven op 15 oktober over Schuldeisers en Rechtspersonen. U kan haar presentatie hier bekijken (30 min.).

Meer info over de band tussen het vennootschapsbelang, het schuldeisersbelang en andere normen vindt u in het boek van dr. Gillis Lindemans over Schuldeiser en Rechtspersoon

Pand op levende bankrekeningen: Swedbank arrest “revisited”

Een post door gastbloggers Ivan Peeters en Sean Jonckheere

Collateral Richtlijn

1.         De invoering van de Richtlijn 2002/47/EG (de “Collateral Richtlijn”)[1] beoogde een communautaire, geharmoniseerde regeling te bewerkstelligen ter versterking van de positie van de gewaarborgde schuldeiser van een financiële zekerheidsovereenkomst en om systeemrisico’s in de financiële markten beter te kunnen beheersen. De omzetting van de Collateral Richtlijn naar Belgisch recht vond plaats in 2004 middels de befaamde Wet financiële zekerheden[2] (“WFZ”).

2.         De Collateral Richtlijn voorziet in een gunstregime voor de financiële zekerheidsovereenkomsten die onder haar toepassingsgebied vallen. EU-lidstaten zijn onder meer verplicht om bepaalde formaliteiten inzake de totstandkoming, derdenwerking en uitvoering van financiële zekerheidsovereenkomsten te versoepelen en bepalingen inzake insolventierecht van hun nationaal recht niet toepasselijk te verklaren om de afdwinging van financiële zekerheidsovereenkomsten te bevorderen.

Verschaffingscriterium

3.         Een essentiële voorwaarde om als financiële zekerheidsovereenkomsten onder het toepassingsgebied van de Collateral Richtlijn te vallen, is dat de financiële activa (contanten, of financiële instrumenten) die als zekerheid moeten dienst doen worden “verschaft”. Recital (10) bepaalt dat de Collateral Richtlijn enkel handelt over “financiëlezekerheidsovereenkomsten die voorzien in een vorm van het doen van afstand van de controle, d.w.z. de verschaffing als zekerheid van financiële activa, en waarbij de verschaffing als zekerheid van financiële activa schriftelijk of door middel van een duurzaam medium kan worden aangetoond, waardoor de traceerbaarheid van die activa wordt gewaarborgd”. Bijkomend stelt artikel 2 van de Collateral Richtlijn: “Verwijzingen in deze richtlijn naar het „verschaffen” of de „verschaffing” als zekerheid van financiële activa hebben betrekking op een situatie waarin de als zekerheid verschafte financiële activa daadwerkelijk worden geleverd, overgedragen, gehouden, ingeschreven in een register of anderzijds gekwalificeerd, zodat zij in het bezit of onder de controle komen van de zekerheidsnemer of een persoon die namens de zekerheidsnemer optreedt”. Voor alle duidelijkheid, naar nationaal recht kan een zekerheid geldig zijn zonder deze verschaffing, maar deze zal dan niet kunnen genieten van het gunstregime van de Collateral Richtlijn.

Arrest Swedbank

4.         Net de preciese draagwijdte van deze vereiste van “verschaffing” stond centraal in het Swedbank-arrest.[3] Continue reading “Pand op levende bankrekeningen: Swedbank arrest “revisited””

Eén plus één is niet altijd twee : Hof van Cassatie over schadebegroting bij post-acquisitie geschillen

In een arrest van 4 december 2020 (C.19.0342.N) oordeelde het Hof van Cassatie over de schadebegroting van de persoonlijke schade in hoofde van de koper bij een post-acquisitie geschil. Het Hof bevestigt hierin dat het verschil tussen de werkelijke financiële situatie van de vennootschap enerzijds en een overschatting van deze financiële situatie in de referentiebalans anderzijds niet zomaar gelijk te stellen valt met de schade van de koper van de doelvennootschap. Continue reading “Eén plus één is niet altijd twee : Hof van Cassatie over schadebegroting bij post-acquisitie geschillen”

Gerechtelijke reorganisatie en bestuurdersaansprakelijkheid: een gewaarschuwd bestuurder is er twee waard

Voor ondernemingen in moeilijkheden is een gerechtelijke reorganisatie vaak de laatste optie om een oplossing voor de financiële problemen te vinden. Het gebruik van deze procedure kan dan ook in vele omstandigheden als een daad van zorgvuldig bestuur beschouwd worden. Evenwel biedt deze procedure geen absolute bescherming tegen latere bestuurdersaansprakelijkheid. Deze regel werd op 16 november 2020 in herinnering gebracht door de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Dendermonde.

De (boedel van de) failliete bestuurder van een failliete vennootschap wordt door de curatoren van de vennootschap aansprakelijk gesteld op basis van art. XX.227 WER (wrongful trading). Aan deze vordering ligt de vaststelling ten grondslag dat de bestuurder al geruime tijd diende te weten dat de vennootschap manifest verlieslatend en niet rendabel was.

Onmiddellijk voorafgaand aan het faillissement maakte de vennootschap het voorwerp uit van een gerechtelijke reorganisatie (die werd afgesloten met de homologatie van een reorganisatieplan). Put de bestuurder bescherming uit het feit dat de vennootschap een gerechtelijke reorgansatie heeft doorlopen voorafgaand aan het faillissement? De rechtbank beantwoordt deze vraag negatief, in zeer didactische bewoordingen

Het aanvragen van een bescherming tegen zijn schuldeisers, door middel van een procedure gerechtelijke reorganisatie kan geen middel zijn om een onderneming die geen enkele overlevingskans heeft toch in het economisch verkeer te houden.

De rechtbank heeft bij het openen van de procedure gerechtelijke reorganisatie geen beoordelingsmogelijkheid in verband met de levensvatbaarheid van de onderneming en de kans op slagen van de reorganisatie. Het volstaat voor de rechtbank vast te stellen bij de opening van de procedure dat er nog een economische activiteit is.

Het vragen van bescherming tegen haar schuldeisers, door middel van een procedure gerechtelijke reorganisatie, mag geen middel zijn voor een onderneming, die geen enkele overlevingskans heeft, toch kunstmatig in het economisch verkeer te blijven.

De onderneming die de opening van een procedure gerechtelijke reorganisatie van de rechtbank bekwam dient zelf haar overlevingskansen en de kans op herstel in te schatten. Eens zij tot de conclusie komt of redelijkerwijze tot de conclusie dient te k0men dat geen herstel mogelijk is, zal zij indien de voorwaarden voor faillissement vervuld zijn de boeken dienen neer te leggen. Uit een beslissing van de rechtbank tot opening van de procedure gerechtelijke reorganisatie mag dus niet worden afgeleid dat er een kans op herstel is. Dit is ook het geval met betrekking tot een vonnis waarbij de rechtbank de toegestane opschorting verlengd. Niet altijd heeft de rechtbank voldoende inzicht in de herstelmogelijkheden van de onderneming, oak niet bij een verlenging.

Een onderneming die een gerechtelijke reorganisatie vraagt en rendabel is, zou normaal geen liquiditeitsproblemen mogen kennen. lmmers de schulden uit het verleden dienen niet betaald terwijl zij nag wel inkomsten kan verkrijgen uit activiteiten voor de opening van de procedure. Wanneer na de opening van de procedure schulden worden opgebouwd zoals hierboven onder de randnummers XX tot XX weergegeven, dan moet het voor ieder redelijk ondernemer duidelijk zijn dat de onderneming niet kan worden gered door middel van een collectief akkoord.

Het feit dat verweerder tot deze conclusie niet kwam, terwijl het normaal duidelijk moet zijn geweest voor elk redelijk bestuur, laat toe aan te nemen dat de procedure gerechtelijke reorganisatie middels collectief akkoord enkel werd aangewend om tijd te winnen en een onvermijdelijk faillissement af te wenden.

Het staat vast dat, reeds ruime tijd voor de opening van de procedure gerechtelijke reorganisatie, verweerder wist of behoorde te weten dat er kennelijk geen redelijk vooruitzicht was om de onderneming of haar activiteiten te behouden en een faillissement te vermijden. [XX] heeft nagelaten om te handelen als een normaal voorzichtig en zorgvuldig bestuurder geplaatst in dezelfde omstandigheden.

De sanctie is zwaar (gelet op het reeds tussengekomen faillissement van de bestuurder komt deze sanctie echter ten laste van de persoonlijke schuldeisers van de bestuurder): een veroordeling tot het volledige netto-passief van de vennootschap.

Uit dit vonnis kunnen belangrijke lessen worden getrokken. Veel bestuurders van vennootschappen (en hun adviseurs) beraden zich vandaag over de opportuniteit van een gerechtelijke reorganisatie. Wanneer echter bij voorbaat vaststaat dat een onderneming technisch failliet is en dat een periode van opschorting de put alleen maar zal vergroten, dan is het risico op bestuurdersaansprakelijkheid reëel. Hetzelfde geldt wanneer deze vaststelling gemaakt wordt tijdens de opschorting. Wie moedwillig blind is, riskeert later de rekening gepresenteerd te krijgen.

De onderneming was niet rendabel en de liquiditeitsproblemen waren reeds zowel voor als na de procedure gerechtelijke reorganisatie dermate groot dat iedereen diende te beseffen dat de onderneming afstevende op een faillissement. Alleen de zaakvoerder en zijn vaste vertegenwoordiger wilden dit niet zien.

Dit vonnis kan ook op een positieve manier bekeken worden, namelijk als aansporing om tijdig naar de gerechtelijke reorganisatie te grijpen, op een ogenblik dat een faillissement nog echt en aantoonbaar te vermijden valt. Tevens onderstreept dit vonnis het belang van een goede begroting (art. XX.41, 6° WER) bij aanvang van de gerechtelijke reorganisatie. Hoewel de wetgever hierbij niet uitdrukkelijk bepaalt dat inkomsten en uitgaven minstens gelijk moeten zijn, is dit vanuit aansprakelijkheidsoogpunt zeker aan te bevelen.

Besluit. De gerechtelijke reorganisatie staat ter beschikking van ondernemingen in moeilijkheden. Misbruik of onzorgvuldig gebruik van deze procedure kan bestuurders echter duur te staan komen.

Stakeholderism: een wolf in schapenvacht?

Een bijdrage door Simon Landuyt en Evariest Callens

Het vennootschapsrecht als mechanisme voor de creatie van maatschappelijke waarde

Het utilitarisme, dat het grootste geluk voor het grootste aantal (huidige en toekomstige) mensen vooropstelt, vormt de impliciete rechtvaardiging voor vele van onze rechtsregels. De afgelopen jaren hebben economisten, juristen en opiniemakers een bij wijlen pittig debat gevoerd over hoe het vennootschapsrecht aan dit utilitaristisch ideaal kan of moet bijdragen en zodoende de maximalisatie van het maatschappelijk welzijn kan bevorderen.

Bepaalde dwingende regels die vervat liggen in het vennootschapsrecht zijn vanuit utilitaristisch perspectief wellicht weinig controversieel. Veelal betreft het punctuele regels waarvan in brede kring wordt aangenomen dat de realisatie van het objectief een netto batig of neutraal effect zal hebben op het totale maatschappelijk welzijn. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan genderquota in raden van bestuur.[1]

Zoals verder in deze post beschreven, is de vraag of een meer generalistische (vennootschapsrechtelijke) herijking van het vennootschapsdoel kan bijdragen tot de maximalisatie van het Continue reading “Stakeholderism: een wolf in schapenvacht?”

Hét verschil tussen ‘corporate governance’ en ‘human governance’: een meer stringente schuldeisersbescherming

Presentatie door Prof. Dr. J. Vananroye (15 oktober 2020)

Bij een natuurlijke persoon gaat het recht uit van een basisvertrouwen: het uitgangspunt is de wilsautonomie over het vermogen. Een natuurlijke persoon kan in beginsel vrij beschikken over zijn activa. De basisregel van human governance is artikel 544 BW: “op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken”. De eigenaar kan naar eigen inzicht uti, frui et abuti: gebruikmaken van zijn goederen, er het genot van hebben en zelfs de waarde ervan uithollen. De loutere aanwezigheid van (veel) schuldeisers doet op zich geen afbreuk aan de autonomie van een schuldenaar over zijn vermogen. Het uitgangspunt is en blijft de vrije beschikking van de eigenaar. Slechts uitzonderlijk kunnen schuldeisers ingrijpen in het vermogen (door uitwinning) of handelingen d.m.v. de actio pauliana terugdraaien.

Dit basisvertrouwen in het beheer van een natuurlijke persoon is verantwoord: de eigenaar die zijn schuldeisers verarmt, verarmt in principe ook immers zichzelf. De belangen van schuldenaar en schuldeisers zijn bij een natuurlijke persoon daardoor sterk gealigneerd. Aan de eigenaar van een vermogen wordt daarom principieel een grote autonomie verschaft om over de bestanddelen van dit vermogen te beschikken.

Bij de rechtspersoon is dit anders. Continue reading “Hét verschil tussen ‘corporate governance’ en ‘human governance’: een meer stringente schuldeisersbescherming”

De tegenwerpelijkheid van de inpandgeving van intellectuele eigendomsrechten: ik zie, ik zie wat jij niet ziet?

Een post door gastblogger Nils Wills (master in de rechten, UA)

Op 1 januari 2018 trad na lang wachten de wet zakelijke zekerheden op roerende goederen (kortweg “de nieuwe pandwet”) in werking. Eén van de krachtlijnen hiervan is de afschaffing van de verplichte buitenbezitstelling van de in pand gegeven goederen. Vandaag vormt de buitenbezitstelling niet langer een totstandkomingsvereiste voor het vestigen van een pand. Zo werd de jarenlange onduidelijkheid over de inpandgeving van onlichamelijke goederen in één keer weggewerkt. Daarnaast werd tevens een nationaal pandregister in het leven geroepen waarin elke pandhouder zijn pandrecht kan registeren.

Dit laatste kan echter voor verwarring zorgen bij de geregistreerde intellectuele eigendomsrechten, gezien er voor hen reeds geruime tijd registers bestaan. Een pand (of enig ander zakelijk zekerheidsrecht) op deze rechten, dient krachtens de verschillende bepalingen op de intellectuele eigendomsrechten ook in deze registers ingeschreven te worden om de tegenwerpelijkheid te verzekeren.

De vraag rijst nu in hoeverre de algemene bepalingen van de nieuwe pandwet kunnen worden toegepast op intellectuele eigendomsrechten. Continue reading “De tegenwerpelijkheid van de inpandgeving van intellectuele eigendomsrechten: ik zie, ik zie wat jij niet ziet?”

Hof van Cassatie beaamt individuele plicht tot toezicht op collega-bestuurders

In een cassatie-arrest van 9 oktober 2020 (C.20.0120.N) overweegt het Hof als volgt, in verband met een laattijdige fiscale aangifte binnen een VZW:

“Dat het bestuur van een vzw aan een collegiale raad van bestuur moet worden opgedragen, betekent dat elke individuele bestuurder verplicht is toezicht te houden op de medebestuurders.

Noch  een  taakverdeling  die  de  bestuurders  eventueel  zijn  overeengekomen,  noch het feit dat een bestuurder niet zelf het bestuursmandaat heeft gesolliciteerd of het feit dat een bestuurder zich het bestuur toe-eigent, doet afbreuk aan deze verplichting.”

Daarmee beaamt het Hof voor het eerst dat op elke bestuurder binnen een collegiaal bestuur een toezichtsplicht rust: elke bestuurder moet zijn collega’s in het oog houden. Bovendien voegt het Hof eraan toe dat een eventuele taakverdeling noch het gegeven dat een andere bestuurder de touwtjes in handen heeft en zich het bestuur toe-eigent, daaraan afbreuk doet. Continue reading “Hof van Cassatie beaamt individuele plicht tot toezicht op collega-bestuurders”

De actio pauliana als onderschatte remedie voor schuldeisers van rechtspersonen

Video van presentatie door dr. Gillis Lindemans (KU Leuven)

De actio pauliana kwam in het verleden in de context van het vennootschapsrecht vooral ter sprake als beschermingsmechanisme voor persoonlijke schuldeisers van een vennootschap bij een inbreng.

De actio pauliana is echter ook een krachtige remedie waarmee de vennootschapsschuldeisers hun verhaalspositie kunnen veiligstellen. Zo kan de pauliana schuldeisers beschermen tegen excessieve uitkeringen, benadelende fusies en splitsingen, onrechtmatige financiering enz.

De mogelijkheden en limieten van deze remedie werden vorige week besproken door Dr. Gillis Lindemans (KU Leuven, advocaat bij Quinz) op de studiedag over Schuldeisers en Rechtspersonen. U kan zijn presentatie hier (her)bekijken.

Meer info vindt u in zijn boek over hetzelfde thema.

Herstructureringsprocedures in België, Nederland en de richtlijn (TvI 2020/40)

De omzetting van de Herstructureringsrichtlijn in België: veel werk, weinig tijd

Eerder dit jaar werd mij door de redactie van het Tijdschrift voor Insolventierecht (TvI) gevraagd een bijdrage voor te bereiden over de vraag hoe de Europese Herstructureringsrichtlijn naar huidige verwachting in België zal worden geïmplementeerd, afgezet tegen de Nederlandse WHOA en de Europese Herstructureringsrichtlijn. Het resultaat daarvan is te vinden in het recentste nummer van het TvI. Hoewel verschenen in een Nederlands tijdschrift, is de bijdrage ook bijzonder relevant voor de Belgische jurist én wetgever. Ik ben dan ook dankbaar dat de uitgever mij de toestemming heeft gegeven om de publishers version via het Corporate Finance Lab te verspreiden (zie infra).

In wat volgt, som ik kort enkele elementen op die in de bijdrage aan bod komen. Wellicht zijn veel van de gehanteerde termen voor de Belgische jurist nog onduidelijk of zelfs onbekend. Het is immers opvallend dat, in vergelijking met de Nederlandse doctrine (waar tijdschriften volledige afleveringen aan de WHOA spenderen), in de Belgische doctrine amper aandacht wordt gespendeerd aan de Herstructureringsrichtlijn. Nochtans zou de omzetting van de richtlijn er in principe al moeten zijn tegen 17 juli 2021 (al is uitstel nog wel mogelijk). Helaas stellen we vast dat de Belgische wetgever daarover nog weinig tot niets heeft bekend gemaakt. De elementen die in de bijdrage aan bod komen, zijn dan ook mijn eigen analyses. Komen aan bod:

Continue reading “Herstructureringsprocedures in België, Nederland en de richtlijn (TvI 2020/40)”