Last call: disputatio woensdag 1 juni 2022 (vereffening, soortvorming aandelen, gerechtelijke reorganisatie)

Lustrum Corporate Finance Lab

Voor de studienamiddag op 1 juni e.k. te Leuven zijn op dit ogenblik meer dan 200 deelnemers ingeschreven. Dat is een mooie opkomst voor een academische oefening van bijna duizend jaar oud, waarbij zes doctores drie vragen telkens een uur lang fileren.

Omdat vele deelnemers via livestream volgen is het mogelijk alsnog in te schrijven (EUR 75 met koffiepauze en receptie). De studiedag is voor 4 punten erkend door OVB, IBJ en Nationale Kamer van Notarissen. Voor magistraten, gerechtelijke stagiairs en personeelsleden neemt het IGO de kosten ten laste.

Wie voorbereid aan het debat wil deelnemen vindt hier de digitale documentatiemap (in opbouw).

Na de aankondiging van het event heb ik quasi onmiddellijk afgesproken met een collega om gezamenlijk af te zakken naar Leuven. De onderwerpen, het concept en de keuze van de disputanten garanderen een erg interessante en –  in het genre – zelfs leuke namiddag.

Een rechter in een Ondernemingsrechtbank

Programma

Continue reading “Last call: disputatio woensdag 1 juni 2022 (vereffening, soortvorming aandelen, gerechtelijke reorganisatie)”

Shareholder activism in Belgium: boon or curse for sustainable value creation? 9 June 2022

Activisten, zo wil het dominerende verhaal, hebben geen positieve naam (zie over het belang van “the narrative”, M. J. Roe en R. Shapira, “The Power of the Narrative in Corporate Law Making”, Harvard Business Law Review 2021, 237-278). Ze zijn uit op snelle winsten en maken het leven van bestuurders zuur. Een andere visie luidt dat activisten tekortkomingen (en soms meer dan dat) in het ondernemingsbeleid blootleggen en zo waarde creëren voor alle aandeelhouders. Ook leggen activisten meer en meer niet-financiële (ESG) klemtonen.

Het “narratief” van het activisme is niet zwart-wit, maar geschakeerd. Om de verschillende facetten van (ESG)aandeelhoudersactivisme in kaart te brengen, organiseren het VBO en de Jean-Pierre Blumberg Leerstoel (UA) op 9 juni 2022 een studiedag gewijd aan activisme. Tijdens deze studiedag zullen alle facetten van (ESG)aandeelhoudersactivisme in kaart worden gebracht.

Het programma van de studiedag is als volgt:

9:30 – 9:55: Setting the scene: causes and consequences of shareholder activism (Tom Vos, University of Antwerp)
9:55 – 10:20: Setting the scene: ESG-focused shareholder activism (Anna Christie, University of Edinburgh and University of Cambridge)
10:20 – 10:45: Setting the scene: recent trends in (ESG) shareholder activism (Wouter Gabriëls, Lazard)
10:45 – 11:00: Q&A nr. 1
11:00 – 11:15: Coffee break

11:15 – 11:40: The activist’s (legal and extra-legal) toolbox (Pierre Nothomb, Deminor)
11:40 – 12:05: The company’s rights, challenges and obligations when faced with activism  (Deborah Janssens & Sigrid Ververken, Freshfields)
12:05 – 12:30: Securities law and shareholder activism (Marijke Spooren, Cleary Gottlieb Steen & Hamilton)
12:30 – 12:45: Q&A nr. 2
12:45 – 14:00: Walking lunch
14:00 – 14:25: The view from a non-profit activist (Maria van der Heide, ShareAction)
14:25 – 14:50: The view from an asset manager (Gisele Duenas Leiva, BlackRock)
14:50 – 15:15: The view from the FSMA: what (not) to expect from the securities and markets regulator (Annemie Rombouts, FSMA)
15:15 – 15:30: Q&A nr. 3
15:30 – 16:00: Coffee break

16:00 – 16:25: Shareholder activism in the Belgian courtroom (Robbie Tas, KU Leuven and Intui & Karel Schulpen, Arcas Law)
16:25 – 16:50: Shareholder activism in the Dutch courtroom (Sven Dumoulin, VU Amsterdam and De Brauw Blackstone Westbroek)
16:50 – 17:00: Q&A nr. 4
17:00 – 17:30: Panel discussion
Marieke Wyckaert (KU Leuven)
Xavier Dieux (ULB)
Thierry L’Homme (Linklaters)
17:25 – 17:30 : Closing remarks (Arie Van Hoe)

Inschrijven voor deze unieke studiedag is nog steeds mogelijk.

Over ‘lege dozen’ en andere verwante insolventietopics: een denkoefening van een eenvoudig curator-sterveling (zonder roze bril)

Een post door gastblogger mr. Vincent Verlaeckt

Beoefenaars van de insolventiesport herinneren zich wellicht de aankondiging van een wetsvoorstel ter bestrijding van de zogenaamde lege-dozen-faillissementen, uitgaande van volksvertegenwoordiger dhr. Geens  (Parl.St. Kamer, 2020-21, 1591/001, p. 1-19).

Dit wetsvoorstel werd als ‘dringend’ omschreven gelet op de stortvloed aan faillissementen die komende was ten gevolge de corona-crisis. Het wetsvoorstel zou zelfs “gedicteerd worden door de economische openbare orde”.

De samenvatting van de memorie van toelichting, gegoten in een persmededeling werd gretig gecopy-pastet op juridische websites en nieuwsbrieven allerhande. Bijna iedereen vond het blijkbaar een goed idee. Eindelijk een oplossing voor de lege dozen.

Hoewel de mogelijke invloed van het wetvoorstel eerder beperkt is (gelet op het reeds bestaande problematische artikel 2:74 WVV), heb ik na een eerste lezing van het wetsvoorstel onmiddellijk op kantoor gedeclareerd dat ik te voet naar Scherpenheuvel zou trekken als dit voorstel ooit wet zou worden. Omdat het aantal aanwezigen in een eenmanskantoor eerder beperkt is, werd mij aangeraden mijn standpunt over dit wetsvoorstel schriftelijk uiteen te zetten voor een breder publiek.

In het document onderaan deze post kan u het resultaat hiervan lezen.

Met mijn denkoefening zal ik proberen u te overtuigen van de noodzaak aan controle door een onafhankelijk vereffeningsbewind in geval van insolventie, ook bij de zgn. “lege dozen”. Men lost geen probleem op door te doen alsof er geen probleem is en het onmiddellijk onder de mat te vegen. Ik zal uiteenzetten waarom het wetsvoorstel los tegen de openbare orde ingaat.

Met statistiek zal ik ook proberen aanschouwelijk te maken dat de Staat (publieke middelen) wel degelijk gebaat is met de aanstellingen van curatoren in geval van definitieve discontinuïteit. De Belgische Staat schiet vaak in eigen voet.

Tenslotte geef ik nog even aandacht aan de deficitaire vereffening onder het hoofdstuk “Huidige deficitaire vereffening is het failliet van de insolventieafwikkeling”. Al jaren roep ik ergens in een woestijn dat de deficitaire vereffening een kunstmatig in stand gehouden ontsnappingsalibi is. Nu heb ik het ook neergeschreven. Over dit onderwerp zullen wij ongetwijfeld veel wijzer worden tijdens de geplande “disputatio” op 1 juni 2022 ter ere van het lustrum van Corporate Finance Lab.

Of in mijn denkoefening alles even academisch werd verwoord, laat ik in het midden. Doch een genuanceerde, wollige noodrem werkt niet. Een slappe stok in een hoenderhok ook niet.

Inschrijven voor de ‘disputatio’ van 1 juni 2022 kan hier.

Vincent Verlaeckt
Advocaat

Studieavond Grondige Studie Insolventierecht (UA) – bestuurdersaansprakelijkheid bij (dreigende) insolventie

Zoals in een eerdere post aangekondigd, vindt de volgende studieavond verzorgd door studenten van de GS Insolventierecht (UA) plaats op 18 mei 2022 om 19u.

Het thema van de (reeds) veertiende van deze studieavond is opnieuw bijzonder actueel: “Dreigende insolventie: bestuurders, wees op uw hoede“.

Het programma is als volgt:

  • Inleiding: het belang van bestuurdersaansprakelijkheid bij (dreigende) insolventie – Stijn De Dier
  • Selectieve betaling bij een dreigend faillissement – Axelle Konings
  • Wrongful trading en de coronapandemie – Aruna Audenaert
  • Zorginstellingen in zwaar (corona)weer – Jarne Jacobs
  • Feitelijke bestuurder: op gelijke voet? – Sarah Serneels

Deelname is gratis, kan zowel digitaal als bij fysieke verschijning, en vereist enkel dat u zich registreert via deze webpagina.

Vereist de splitsing van soort aandelen steeds unanimiteit?

Een disputatio over soorten van aandelen tussen Marieke Wyckaert en Hans De Wulf

Dat één van de doelstellingen van het WVV een verregaande flexibilisering van het vennootschapsrecht was, is welbekend onder vennootschapsjuristen. Een concrete uiting hiervan is dat er sinds het WVV voor de niet-genoteerde BV en NV een quasi-onbegrensde vrijheid bestaat om de stem- en vermogensrechten verbonden aan aandelen te regelen (in een genoteerde BV en NV houdt de wetgever wel sterker vast aan het beginsel van “één aandeel, één stem”, met beperkte uitzonderingen voor onder andere aandelen zonder stemrecht en loyauteitsstemrecht; maar de vermogensrechten kan men ook in genoteerde vennootschappen volledig vrij regelen). 

Zulke flexibiliteit betekent dat soortvorming een belangrijker onderwerp is geworden. Het WVV bevat een (erg brede) definitie van soortvorming: soorten van aandelen zijn aandelen waaraan andere rechten zijn verbonden dan aan andere aandelen uitgegeven door dezelfde vennootschap (Artikel 5:48, 6:46 en 7:60 WVV). Zodra men dus gaat spelen met de stemrechten of vermogensrechten verbonden aan aandelen, zal er soortvorming zijn.

In een bijdrage met Frank Hellemans voor de Themis reeks, waarschuwden we (overigens niet als enigen) reeds voor de gevaren van soortvorming, meer bepaald als het gaat over de wijziging van soortrechten (zie artikel 5:102 en 7:155 WVV). Ten eerste gaat een toegenomen flexibilisering gepaard met een groter belang van algemene normen (zoals het gelijkheidsbeginsel, het vennootschapsbelang, misbruik van meerderheid, …).[1]

Ten tweede heeft het WVV het toepassingsgebied van de bijzondere procedure voor de wijziging van soortrechten sterk uitgebreid, meer bepaald bij de uitgifte van aandelen die niet evenredig binnen elke soort gebeurt. Dit houdt het risico in dat een (beperkte) blokkeringsminderheid binnen één soort zorgt voor een voortdurende betonnering van de rechten verbonden aan de soorten van aandelen, zelfs indien het voor de verdere ontwikkeling van de vennootschap aangewezen is om aanpassingen door te voeren. 

Ten derde concludeerden Frans Hellemans en ik in onze bijdrage dat de wetgeving rond de wijziging van soortrechten op een aantal punten onduidelijk is, bijvoorbeeld over de volgende vragen:

  • Als de uitgifte van aandelen niet volstrekt evenredig met het aantal aandelen uitgegeven binnen elke soort gebeurt, maar dit te wijten is aan de afronding van fracties van aandelen, leidt dit dan tot toepassing van de procedure voor wijziging van soortrechten?
  • Als de uitgifte van nieuwe aandelen volstrekt evenredig met het aantal aandelen uitgegeven binnen elke soort gebeurt, maar dit geen impact heeft op de soortrechten (stel bijvoorbeeld dat het soortrecht een voordrachtrecht voor bestuurders is dat ook na de uitgifte blijft bestaan), leidt dit dan tot toepassing van de procedure voor wijziging van soortrechten?
  • Kunnen de aandeelhouders met unanimiteit afwijken van de noodzaak om een verslag van de commissaris, bedrijfsrevisor of externe accountant, zonder dat de wetgeving deze mogelijkheid bevat (de memorie van toelichting suggereert van wel)?
  • Moet de verslaggevingsplicht worden nageleefd als er een nieuwe soort van aandelen wordt uitgegeven, maar er voor de uitgifte slechts één soort bestond?
  • Mag de meerderheid vereist voor de wijziging van soortrechten worden verstrengd in de statuten? 
  • Vereist de splitsing van een bestaande soort aandelen in twee verschillende soorten aandelen steeds de unanimiteit tussen aandeelhouders?

Deze laatste vraag is de focus van de tweede sessie van de studiedag van 1 juni ter ere van 5 jaar Corporate Finance Lab, die plaats vindt volgens het format van de “disputatio”. Marieke Wyckaert (KU Leuven) zal tijdens de disputatio de stelling verdedigen: “een splitsing van een soort aandelen vereist altijd unanimiteit”. Hans De Wulf (UGent) zal tegen deze stelling argumenteren. Ikzelf zal optreden als voorzitter (‘praeses’).

Continue reading “Vereist de splitsing van soort aandelen steeds unanimiteit?”

Weg met de deficitaire vereffening?

De vennootschap die in vereffening wordt gesteld, blijft krediet genieten wanneer haar schuldeisers hun vertrouwen in deze beslissing en in het verloop van de vereffening behouden, voor zover dit vertrouwen op regelmatige en transparante wijze wordt verkregen. De vennootschap, waarvan de ontbinding gebeurt met bedrieglijke benadeling van de rechten van de schuldeisers of, waarvan de ontbinding toelaat te ontsnappen aan de bijzondere aansprakelijkheden die verbonden zijn aan de staat van faillissement of aan het in vraag stellen van handelingen die werden gesteld tijdens de verdachte periode, waarbij de ontbinding plaatsvindt in hun nadeel, steunt niet op het vertrouwen van de schuldeisers, zelfs wanneer deze hun wantrouwen niet zouden hebben geuit.

Zo kan de rechtspraak van het Hof van Cassatie worden samengevat sinds het arrest van 5 juni 2020 (dat u eerst op deze blog las en dat sindsdien enkele van de beste pennen in het vennootschaps- en insolventierecht heeft bewogen). Frapperend in dit arrest is dat het arrest a quo niet werd verbroken, ook al sprak het slechts van aanwijzingen dat de vereffening van de schuldeisers benadeelt (R. Aydogdu, “La failliet des liquidations déficitaires: The Usual Suspects”, TBH/RDC 2021, 609).

Continue reading “Weg met de deficitaire vereffening?”

Heiploeg: Europees Hof van Justitie geeft groen licht voor een wettelijk vastgelegde pre-pack of stil faillissement

In een eerdere post kondigden we aan dat de Nederlandse Hoge Raad in de context van de pre-pack van de Heiploeg-concern twee prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Europees Hof van Justitie. Het Europees Hof van Justitie heeft deze vragen vandaag beantwoord. Het arrest vormt een nieuw hoogtepunt in de saga Estro – Plessers – Heiploeg.

Continue reading “Heiploeg: Europees Hof van Justitie geeft groen licht voor een wettelijk vastgelegde pre-pack of stil faillissement”

Save the date: ‘disputatio publica’ n.a.v. 5 jaar Corporate Finance Lab – Leuven, 1 juni 2022, namiddag

Corporate Finance Lab bestaat dit jaar vijf jaar en dat willen we op middeleeuwse wijze academisch met u vieren met een traditionele disputatio.

Deze academische oefening bestaat uit een puntige stelling, met een respondens die pro de stelling argumenteert en een opponens die contra is. Traditioneel was het de proef op het einde van de bachelor-opleiding. De winnende student slaagde, de andere niet. Een slaagcijfer van 50%, daar zou vandaag uiteraard elke bachelor-student voor tekenen.

De befaamde 95 stellingen van Luther waren een uitnodiging tot een disputatio. Ook veel andere historische en fictieve disputen bevonden zich in de religieuse sfeer, van het dispuut over het heilig Sacrament van Rubens in de Antwerpse Sint-Pauluskerk (waar de kerkvaders zo gepassioneerd discussieren dat ze het mirakel niet zien), het dispuut tussen de Fransciscanen en de inquisitie in Eco’s De naam van de roos of de infame disputen tussen christenen en joden die niet zelden uitmondden in een pogrom.

Zo ver willen we het niet laten komen en we houden het aardser met enkele stellingen over het geldende recht die de praktijk bezig houden:

  • Professor Robbie Tas en Dr. Jasper Van Eetvelde over de deficitaire vereffening (mede in het licht van recente cassatie-rechtspraak daarover)
  • Professor Dominique De Marez en Professor Frederik De Leo over de goedkeuring van het herstelplan in de gerechtelijke reorganisatie en de rol van de aandeelhouder in dat plan
  • Professor Hans De Wulf en Professor Marieke Wyckaert over de wijziging van soortrechten van aandelen

Daarmee komt het dispuut terug thuis, want de jurist kan natuurlijk niet anders dan het rechtsgeding zien als de inspiratiebron van de disputatio. Corporate Finance Lab hoopt hiermee te doen wat, op goede dagen, hopelijk de huisstijl is: op een gevatte manier actuele informatie brengen, een mix maken tussen oud en nieuw, en bovenal debatten die in de academie en de prakijk sluimeren in de voetnoten duidelijk en spannend articuleren.

Waar: Leuven, auditorium Zeger van Hee
Wanneer: woensdag 1 juni 2022, namiddag

We voorzien een democratische prijs en een erkenning door de relevante overheden. Inschrijven kan hier.

Dispuut over het Heilig Sacrament (Sint-Pauluskerk, Antwerpen)

Over de aansprakelijkheid van feitelijke bestuurders

De bepalingen inzake bestuursaansprakelijkheid van Boek 2 WVV gelden voor de leden van het bestuursorgaan, het dagelijks bestuur én “alle andere personen die ten aanzien van de rechtspersoon werkelijke bestuursbevoegdheid hebben of hebben gehad” (art. 2:56, eerste lid WVV). Die laatste omschrijving heeft als doel om de zgn. ‘feitelijke bestuurders’ te vatten.

De feitelijke bestuurder werd voor het eerst vermeld in de bijzondere faillissementsaansprakelijkheid (oude art. 265, 409 en 530 W.Venn.). Intussen maakt de feitelijk bestuurder ook deel uit van het toepassingsgebied van de andere faillissementsaansprakelijkheden van Boek XX WER. Het WVV zet die trend voort door de regels voor bestuurdersaansprakelijkheid in art. 2:56-57 WVV toepasselijk te maken op feitelijke bestuurders, en laat zich ter zake inspireren door de omschrijving in art. XX.225-227 WER (“alle andere personen die ten aanzien van de zaken van de onderneming werkelijke bestuursbevoegdheid hebben gehad”). Deze feitelijke bestuurders zijn, luidens de memorie van toelichting, op dezelfde manier aansprakelijk als formeel benoemde bestuurders(Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 3119/001, 59).

In haar algemeenheid is die laatste bewering verstrekkend en wellicht te verstrekkend. Het komt ons voor dat de memorie van toelichting hier te weinig onderscheid maakt tussen de verschillende soorten feitelijke bestuurders en de verschillende soorten fouten.

Continue reading “Over de aansprakelijkheid van feitelijke bestuurders”

Loon, oorzaak en faillissementsboedel (Cassatie 31 maart 2022)

X ondertekent een arbeidsovereenkomst op 29 mei 2018. Op 19 juni 2018 wordt X failliet verklaard. Valt het loon van X, dat verband houdt met arbeidsprestaties geleverd na 19 juni 2018, in de faillissementsboedel? In een arrest van 31 maart 2022 beantwoordt het Hof van Cassatie deze vraag negatief.

De relevante wetsbepaling luidt als volgt:

 Art. XX.110. § 1. Te rekenen van de dag van het vonnis van faillietverklaring verliest de gefailleerde van rechtswege het beheer over al zijn goederen evenals over de goederen die hij tijdens de procedure verkrijgt op grond van een oorzaak die het faillissement voorafgaat.
  § 2. (….)
  § 3. (…)
  Uit het actief van het faillissement worden eveneens uitgesloten de goederen, de bedragen, sommen en uitkeringen die de gefailleerde ontvangt sinds de faillietverklaring op grond van een oorzaak die dateert van na het faillissement.
 (…)

De inzet van de strijd is onmiddellijk duidelijk: indien de oorzaak van het loon voorafgaat aan het faillissement, valt het loon in de boedel; indien de oorzaak van het loon dateert van na het faillissement, valt het loon buiten de boedel. Een wereld van verschil voor de gefailleerde.

Volgens de curator, die eerder door de feitenrechters in het ongelijk was gesteld, gaat de oorzaak van het loon vooraf aan het faillissement. De arbeidsovereenkomst dateert immers van voor het faillissement en deze overeenkomst bevat de kiem van de toekomstige vorderingen. Vanuit juridisch-technisch oogpunt is dit een redenering die zeker niet zomaar van tafel geveegd kan worden.

Door te beslissen dat het loon als tegenprestatie voor werk geleverd door een werknemer na de faillietverklaring niet het voorwerp van de buitenbezitstelling vormt, zelfs indien de arbeidsprestaties werden geleverd en het loon werd betaald op grond van een arbeidsovereenkomst die dateert van vóór het faillissement, en de betaling van het loon derhalve plaats vindt op grond van een oorzaak die de faillissementsdatum voorafgaat, schendt de appelrechter artikel XX.110, §§1 en 3, tweede lid WER en, voor zoveel als nodig, de artikelen 1108 en 1131 van het oud Burgerlijk Wetboek.

Het Hof van Cassatie volgt de eiseres in cassatie echter niet, met verwijzing naar de parlementaire voorbereiding.

1. (…)
Uit de wetsgeschiedenis blijkt de doelstelling van het tweede-kansen-beleid dat de gefailleerde natuurlijke personen moet aanmoedigen om opnieuw aan het economische leven deel te nemen, zodat de opbrengsten van arbeidsprestaties geleverd na de opening van het faillissement buiten de boedel dienen te blijven.

2. Het recht op loon ontstaat door het verrichten van arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst. De oorzaak van het door de gefailleerde ontvangen loon is bijgevolg de door hem verrichte arbeid.

3. Hieruit volgt dat het loon dat de gefailleerde ontvangt voor arbeidsprestaties die door hem worden geleverd na het faillissement, uit het actief van het faillissement wordt uitgesloten, ook al werd de arbeidsovereenkomst gesloten vóór het faillissement

Door de oorzaak van het door de gefailleerde ontvangen loon te koppelen aan (het tijdstip van) de door hem verrichte arbeid, wordt besloten dat dit loon buiten de faillissementsboedel valt. Dat de arbeidsovereenkomst, de contractuele bron van het toekomstige loon, aan het faillissement voorafgaat, is hierbij irrelevant voor het Hof. Deze (welwillende) visie strookt met het door de wetgever nagestreefde tweede-kansen-beleid. Dit gezegd zijnde: een beter geadviseerde gefailleerde had zich veel ongemak kunnen besparen door de arbeidsovereenkomst eerst na het faillissementsvonnis te ondertekenen.

De IPR-ontwikkeling van de paulianeuze onrechtmatige daadsvordering na het faillissement van een vennootschap

Hof van Justitie schept in arrest van 10 maart 2022 (C-498/20) duidelijkheid over toepassing art. 7 Brussel I bis-Verordening (rechtsmacht) en art. 4 Rome II-Verordening (toepasselijk recht)

Er was eens… een curator van een failliete vennootschap gevestigd in Nederland die een aansprakelijkheidsvordering instelde tegen de grootmoedervennootschap, met statutaire zetel te Duitsland, wegens schending van de op haar rustende zorgplicht jegens de gezamenlijke schuldeisers van de failliete vennootschap. De rechtbank Midden-Nederland had zich bij tussenvonnis in 2018 bevoegd verklaard op grond van de Europese Insolventieverordening, omdat het centrum van de voornaamste belangen van de failliete vennootschap in Nederland lag.[1]  

In 2019 had de Nederlandse rechtbank een verzoek van de Stichting Belangenbehartiging Crediteuren om te mogen tussenkomen in het hoofgeding ingewilligd op grond van artikel 8, tweede lid van de Brussel I bis-Verordening. De stichting betoogt onder meer dat de indirect aandeelhouder ook onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van de failliete vennootschap en vordert namens die schuldeisers schadevergoeding via een collectieve actie (art. 3:305a NBW). De grondslag van de vorderingen van de Stichting is dezelfde als die van de curator. Anders dan in België is de bevoegdheid van de curator over de Peeters/Gatzen-vordering immers niet exclusief. Volgens de curator moet de indirecte aandeelhouder schadevergoeding betalen aan de boedel voor de onbetaalde schulden van de failliete vennootschap. Volgens de stichting moeten de schulden rechtstreeks aan de individuele schuldeisers worden betaald.[2]

Doordat het Hof van Justitie in het arrest van 6 februari 2019 had geoordeeld dat de rechtsmacht over een zgn. Peeters/Gatzen-vordering (het equivalent van onze collectieve paulianeuze onrechtmatige daadsvordering) wordt bepaald aan de hand van de Brussel I bis-Verordening, vroeg de rechtbank zich af (i) of zij nog bevoegd was om kennis te nemen van de vordering van de curator en de vordering tot tussenkomst van de stichting en (ii) of zij dan het Nederlandse recht kon toepassen. De rechtbank stelde talloze prejudiciële vragen, die het Hof van Justitie in het hierna besproken arrest van 10 maart 2022 reduceerde tot een kwartet.

Continue reading “De IPR-ontwikkeling van de paulianeuze onrechtmatige daadsvordering na het faillissement van een vennootschap”

Het vervolg van het Shell-vonnis: eerste ronde

Op 26 mei 2021 waren alle ogen gericht op de rechtbank te Den Haag. Die dag deed de rechtbank immers uitspraak over de vordering van Milieudefensie et al. tegen Royal Dutch Shell plc, de topholdingvennootschap van de Shell-groep. Het resultaat is ondertussen gekend (minstens voor de niet-heremieten onder ons). Op grond van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad) werd geoordeeld dat Royal Dutch Shell plc de verplichting heeft om via het concernbeleid van de Shell-groep de CO2-uitstoot van de activiteiten van de Shell-groep eind 2030 te verminderen met netto 45% ten opzichte van 2019.

Onder juristen zijn de meningen over het Shell-vonnis op zijn zachtst gezegd sterk verdeeld. Sommigen beschouwen het vonnis als juridisch logisch en maatschappelijk noodzakelijk. Anderen beschouwen het vonnis als schoolvoorbeeld van een activistische rechterlijke power grab. Zonder in karikaturen te vervallen, is duidelijk dat het Shell-vonnis geen doornee vonnis is. Het beweegt zich op het snijvlak tussen recht, ecologie, economie en politiek (begrepen als beleidsbepaling).

Tegen het Shell-vonnis werd hoger beroep ingesteld. Dat is al een tijdje bekend. Op 22 maart 2022 heeft Royal Dutch Shell plc haar memorie van grieven neergelegd. Zoals gebruikelijk (zie hier voor de Belgische klimaatzaak) in dit soort klimaatzaken werd deze memorie zowel door appellante als door geïntimeerde online gepubliceerd (de memorie verwijst op p. 80 trouwens naar het vonnis in de Belgische klimaatzaak).

De publicatie van dergelijke processtukken is om meerdere redenen boeiend.

Ten eerste laat dit de geïnteresseerde burger toe het volledige procesverloop te volgen. Zo zal het tussen te komen arrest door eenieder getoetst kunnen worden aan de door de procespartijen ontwikkelde argumenten. Dit is des te relevanter voor de Nederlandse burger, aangezien de inzet van de procedure de contouren van een-op-eengeschil ruimschoots overstijgt, en repercussies heeft voor de (inrichting van de) volledige Nederlandse maatschappij.

Ten tweede bieden de processtukken een volledig inzicht in de complexiteit van het gevoerde debat. Een blik op de inhoudstafel doet elke jurist watertanden. Sommige van de meest complexe én actuele vraagstukken worden in extenso behandeld. Het recht van morgen wordt in real time gevormd, voor de ogen van eenieder die dit wenst te volgen.

Ten derde, maar dat is persoonlijke appreciatie (en los van de grond van de zaak), strekt dit processtuk (velen) tot voorbeeld. In de meest heldere termen worden de meest moeilijke rechtsvragen te lijf gegaan. De vele studenten (en ook wel de vele advocaten) die deze blog lezen, worden vrijblijvend uitgenodigd dit stuk te lezen (in samenhang met het bestreden vonnis). Niet alleen zullen zij hierdoor meer inzicht verwerven in een actueel vraagstuk. Tevens zullen zij zien hoe processtukken op overtuigende manier (kunnen) worden opgesteld (wie meer wil lezen over climate litigation, kan hier terecht, waar volgend mooi citaat is te vinden: “Writing around the hardest legal questions was a risky move. Unless the opposing counsel are incompetent or the judges unprepared, the proverbial chickens will almost always come home to roost“.).

De memorie van antwoord van Milieudefensie moet op 18 oktober 2022 worden ingediend. To be continued dus, en naar alle waarschijnlijkheid opnieuw live te volgen.

Op 6 mei 2022 organiseert het TBH een studienamiddag over recht en duurzaamheid. Tijdens deze namiddag zal o.a. worden gedebatteerd over het Shell-vonnis, en de betekenis van dit vonnis voor België. U weet wat te doen.

Cass. 18 maart 2022: natuurlijke persoon met zelfstandige beroepsactiviteit is slechts onderneming indien hij ‘een eigen organisatie’ vormt

Cass. 18 maart 2022 (C.21.0006.F)

Mario D. was zaakvoerder van een BVBA, een immovennootschap. De vrederechter stelt een bewindvoerder aan over de persoon en de goederen van Mario. Deze bewindvoerder q.q. doet aangifte van het faillissement van de BVBA en van Mario zelf. Zoals bekend veronderstelt dit dat Mario een ‘onderneming’ is in de zin van art. XX.1, 1° al. 1 WER (zie definitie van ‘schuldenaar’ in art. XX.99 al. 1 WER). Het gaat hier om het zgn. ondernemingsbegrip in formele zin.

Er is geen andere activiteit waarop voor Mario de kwalificatie als onderneming wordt gesteund dan zijn (bezoldigde) bestuurstaak bij de immo-BVBA. (Parenthesis: dat een voorlopig bewindvoerder over een natuurlijke persoon ook de bevoegdheden van die natuurlijke natuurlijke persoon als vennootschapsbestuurder uitoefent, werd blijkbaar niet geproblematiseerd. Vanzelfsprekend is dit nochtans niet, al is het een pragmatische oplossing bij een vennootschap met wellicht één vennoot en één bestuurder.)

De Ondernemingsrechtbank te Henegouwen (25 november 2019) weigert het faillissement van Mario uit te spreken met als argument dat hij geen onderneming is. Dit wordt in beroep bevestigd door het Hof van Beroep te Bergen (14 juli 2020).

Uit het arrest blijken heel wat bijzondere omstandigheden: de gezondheidstoestand van de bestuurder liet al lang geen activiteiten toe, de bestuursvergoeding was minimaal, de vennootschap zelf leek een slapende vennootschap, ….

Daarmee werd een bekende discussie aan de orde gesteld, nl. of elke bestuurder van een vennootschap een onderneming in formele zin is. Zie eerder hier en verder o.a. A. Van Hoe en N. Appermont, “Iedereen onderneming: wat met vennootschapsbestuurders?”, TBH 2019, 494 e.v.; P. Moineau en F. Ernotte, “Les gérants et administrateurs personnes physiques face au nouveau droit de la faillite”, JLMB 2019, 697 e.v.; M. Roelants, “De kwalificatie van de natuurlijke persoon-bestuurder als onderneming na de Wet Hervorming Ondernemingsrecht”, TRV-RPS 2019, 104 e.v.; J. De Smet, “Het faillissement van zaakvoerders en bestuurders na de inwerkingtreding van Boek XX WER: moet er nog (drijf)zand zijn?”, TIBR 2019, 80 e.v..

Merk op dat, zoals in de meeste uitspraken waar dit een discussiepunt vormt, de vraag om de toepassing van de faillissementsprocedure uitgaat van de schuldenaar zelf (zij het hier middels een bewindvoerder). Het is niet een schuldeiser of het OM die een debiteur tegen zijn wil in de faillissementsprocedure wil trekken. Dit is een symptoom een insolventierecht voor ondernemingen dat grosso modo vriendelijker is voor natuurlijke personen-ondernemingen dan voor andere natuurlijke personen.

In een verrassende uitspraak van vorige vrijdag verwerpt het Hof van Cassatie het cassatieberoep tegen het Bergens arrest met een motivatie die veel verder gaat dan enkel de vennootschapsbestuurder en die verder gaat dan de zeer specifieke omstandigheden van het betrokken geschil:

Continue reading “Cass. 18 maart 2022: natuurlijke persoon met zelfstandige beroepsactiviteit is slechts onderneming indien hij ‘een eigen organisatie’ vormt”

Kredietopening, lening en wederbeleggingsvergoeding: the story goes on & on & on

In een eerdere blogpost werd de discussie over de kwalificatie van een overeenkomst als een kredietopening dan wel een lening op interesten besproken naar aanleiding van twee cassatiearresten van 2020. Deze kwalificatie is van belang voor de omvang van de wederbeleggingsvergoeding die verschuldigd is wanneer een krediet vervroegd terugbetaald wordt. Enkel bij een lening op interesten speelt de beperking van art. 1907bis oud BW.

In 2021 volgden twee bijkomende cassatiearresten over deze materie, die recent gevolgd werden door een cassatiearrest van 3 februari 2022. De conclusie van advocaat-generaal Ria Mortier bij het laatstgenoemde cassatiearrest is verhelderend.

Continue reading “Kredietopening, lening en wederbeleggingsvergoeding: the story goes on & on & on”

Leidt elke schending van de belangenconflictregels tot nietigheid? Cassatie kiest stelling

Net als het oude W.Venn., geeft het WVV een bijzondere nietigheidsgrond in geval van schending van de regels voor belangenconflicten bij bestuurders (BV: art. 5:77 § 2 WVV; NV: art. 7:96 § 2/7:103 § 2/7:115 § 2 WVV). Met het WVV is deze nietigheidsgrond nu ook voorhanden in de CV (art. 6:65 § 2 WVV), de VZW (art. 9:8 § 2 WVV) en de stichting (art. 11:9 § 2 WVV). Volgens al die bepalingen kan de rechtspersoon de nietigheid vorderen van besluiten of verrichtingen die hebben plaatsgevonden met overtreding van de toepasselijke belangenconflictregels, indien de wederpartij bij die besluiten of verrichtingen van die overtreding op de hoogte was of had moeten zijn.

Al sinds de invoering van die nietigheidssanctie speelt de vraag of de nietigheidssanctie geldt bij elke schending van de belangenconflictregeling. Een eerste strekking verdedigt dat enkel “wezenlijke” schendingen, die de besluitvorming of de verrichting kunnen beïnvloeden, tot nietigheid zouden mogen leiden. Deze strekking vond ook doorgang in de rechtspraak van de hoven van beroep van Antwerpen en Brussel – het arrest a quo is overigens opnieuw uit Antwerpen afkomstig. Een tweede strekking ziet de nietigheid verschijnen bij elke schending van de betrokken regels. Het WVV heeft deze discussie niet beslecht.

In een arrest van 9 december 2021 (C.19.0644.N) kiest het Hof van Cassatie voor de eerste strekking, weliswaar m.b.t. het oude art. 523 § 2 W.Venn. We citeren de relevante passus:

Continue reading “Leidt elke schending van de belangenconflictregels tot nietigheid? Cassatie kiest stelling”

%d bloggers like this: