Stilzwijgende afstand van recht

Een post door gastbloggers Cornelis en Feltkamp over ontwerp Boek 1 NBW

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel) : zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (Afl. 12 : Stilzwijgende afstand van recht)

1.         Afstand van recht Artikel 1.12. Het voorgestelde artikel 1.12 neemt letterlijk de rechtspraak van het Hof van Cassatie inzake afstand van recht over: “Afstand van recht wordt niet vermoed. Hij kan slechts worden afgeleid uit feiten of handelingen die voor geen andere uitleg vatbaar zijn”. De toelichting bij dit artikel is wellicht daarom bijzonder bondig.

Over afstand van recht is meer te zeggen dan dat hij niet wordt vermoed en slechts kan worden afgeleid uit feiten of handelingen die voor geen andere uitleg vatbaar zijn of, zoals uit de toelichting blijkt, dat afstand van recht beperkend moet worden uitgelegd en een eenzijdige rechtshandeling is die niet door een wederpartij moet worden aanvaard, tenzij de wet anders bepaalt. [1]

Dat afstand van recht beperkend moet worden uitgelegd, valt overigens niet in artikel 1.12 te lezen.

2.        De draagwijdte van de afstand van recht. In wezen heeft artikel 1.12 enkel betrekking op de stilzwijgende afstand van recht. Hij kan uiteraard ook uitdrukkelijk gebeuren, zowel eenzijdig, als meerzijdig. Aangezien dit niet uit het voorgestelde artikel 1.12 blijkt, wordt hetzij best de titel aangepast tot “stilzwijgende afstand van recht”, hetzij in het artikel 1.12 vermeld dat afstand van recht hetzij uitdrukkelijk, hetzij stilzwijgend kan gebeuren, eenzijdig of meerzijdig kan zijn[2] en niet aan bijzondere formaliteiten is onderworpen.

Vervolgens kan dan de regel worden opgenomen dat de stilzwijgende afstand slechts kan worden afgeleid uit feiten of handelingen die voor geen andere uitleg vatbaar zijn (wat door middel van feitelijke vermoedens kan gebeuren, zie hierna randnummer 12.4).

3.        Beperking. Ongeacht zijn vorm en het kader waarin hij zich voordoet, heeft de afstand betrekking op een subjectief recht.[3]

Subjectieve rechten zijn uitwerkingen en verschijningsvormen van grond- en mensenrechten.

Er werd reeds beslist[4] dat de ontneming, als sanctie, van subjectieve rechten niet tot gevolg mag hebben dat de kern van grond- of mensenrechten van de gesanctioneerde wordt aangetast.

Zoals de democratie, raken grond- en mensenrechten, en zeker hun kern, de Europese openbare orde.[5]. Ook wanneer de afstand de vorm van een eenzijdige rechtshandeling heeft, kan daarom niet worden aanvaard dat de titularis door die afstand, (de kern van) een grond- of mensenrecht verliest. Over die kern kan de titularis niet beschikken.

Als dat toch gebeurt, is de afstand van recht ongeoorloofd.

Die begrenzing moet in artikel 1.12 worden opgenomen en daaruit blijken.

4.        Stilzwijgende afstand van recht en vermoedens. Dat afstand van recht niet wordt vermoed, verwijst naar de regels inzake bewijs. Vanuit die optiek betekent art. 1.12 dat afstand van recht niet zonder meer kan worden aangenomen, maar bewezen moet worden. Dit is voor de meeste rechtshandelingen of -feiten niet anders volgens art. 8.3 nieuw Burgerlijk Wetboek, tenzij er een wettelijk vermoeden bestaat of tenzij het gaat om algemeen bekende feiten of ervaringsregels (art. 8.4 nieuw BW).

De vraag rijst dan ook of artikel 1.12 betekent dat, in afwijking van artikel 8.29. nieuw BW, afstand van recht niet kan worden bewezen aan de hand van feitelijke vermoedens. Een dergelijke interpretatie lijkt echter niet te rijmen met de vermelding in de toelichting en in artikel 1.12 dat de stilzwijgende afstand van recht “enkel kan worden afgeleid uit feiten die niet voor een andere uitleg vatbaar zijn”. Daaruit blijkt namelijk dat afstand van recht kan worden afgeleid uit bepaalde feiten, wat eigen is aan de techniek van het feitelijk vermoeden. Dit is overigens inherent aan het stilzwijgend karakter van de afstand: vermits de wilsuiting tot afstand van recht per hypothese niet uitdrukkelijk is, kan ze enkel worden afgeleid uit bepaalde feiten.

Wat de wettekst duidelijk maakt is dat slechts tot afstand van recht kan worden besloten, zo uit nader te bepalen feiten ondubbelzinnig de intentie van de betrokken persoon (m/v/x) blijkt om niet meer over zijn subjectief recht te beschikken. Zo die feiten niet met elkaar stroken of tot meerdere gevolgtrekkingen kunnen leiden, mag de rechter niet tot afstand van recht besluiten. Ligt dit al niet vervat in de regel van artikel 8.29 nieuw BW dat vermoedens enkel kunnen worden aangenomen indien ze berusten op “één of meer ernstige en precieze aanwijzingen” en dat, indien ze steunen op meerdere aanwijzingen deze “overeenstemmend” moeten zijn? Zo dat niet het geval is en het voorgestelde artikel 1.12 daaraan bijkomende eisen stelt, moet zulks preciezer worden gezegd. In dat geval zou het bewijs van de wilsuiting inzake (stilzwijgende) afstand van recht aan een strengere regeling zijn onderworpen dan het bewijs van de wilsuiting in het kader van andere (stilzwijgende) rechtshandelingen waardoor subjectieve rechten of verbintenissen in het leven worden geroepen, worden gewijzigd of teniet worden gedaan. Dit verschil in behandeling zou dan ook moeten worden verantwoord.

In een reeks bijdragen onderzoeken Prof. L. Cornelis en Prof. R. Feltkamp de bepalingen van het voorgestelde Boek I Nieuw Burgerlijk Wetboek.

Prof. Em. L. Cornelis
Hoogleraar emeritus Verbintenissenrecht en advocaat
Prof. R. Feltkamp
Docent VUB Financieel- en economische recht
Selected topics law of obligations and contract law (Vakgroep PREC / BuCo)
advocaat


[1]        Het is derhalve niet correct te schrijven, zoals in de toelichting gebeurt, dat afstand van recht steeds een eenzijdige rechtshandeling veronderstelt. Memorie van toelichting, Wetsvoorstel Boek I BW, Parl. St. Kamer 2020-2021, 55-1805/001, p. 27.

[2]       Wetsvoorstel Boek I BW, Parl. St. Kamer 2020-2021, 55-1805/001, p. 27.

[3]         Zie hiervoor aflevering 10, randnummer 10.2.

[4]         Zie o.m. GwH 9 februari 2017 (12/2017).

[5]          T. Corthout, EU Ordre Public, Alphen-aan-den-Rijn, Kluwer Law International, 2012, 496 p. Er kan van een Europese openbare orde worden gesproken vermits de mensenrechten uit het EVRM blijken, bevestigd door artikel 2 VEU en door het Handvest.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s