1. Met de invoering van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen werd ook het annulatiecontentieux van de ondernemingsrechtbanken hertekend. Tot voor kort beperkte art. 178 W.Venn. de exclusieve bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank om besluiten van vennootschapsorganen nietig te verklaren, zich tot besluiten van de algemene vergadering. Voortaan bepaalt art. 2:44 W.V.V. in zijn eerste lid dat “[d]e ondernemingsrechtbank […] de nietigheid van een besluit uit[spreekt] op verzoek van de rechtspersoon of een persoon die belang heeft bij de naleving van de rechtsregel die niet is nagekomen.”
In zuiver vennootschapsrechtelijke context brengt deze herformulering weinig zoden aan de dijk, nu de vennootschapswetgever in essentie niet meer heeft gedaan dan de jurisprudentiële praktijk om ook besluiten van de raad van bestuur per analogiam nietig te verklaren, te bevestigen. Hoogstens wordt de kring van vorderingsgerechtigden voortaan anders omschreven. Het annulatieberoep staat niet langer open voor elke belanghebbende maar enkel voor de vennootschap en personen die belang hebben bij de naleving van de rechtsregel die niet is nagekomen. Hoe die wijziging in de rechtspraak zal worden ontvangen, valt af te wachten, maar is voor deze blogpost minder van belang. Continue reading “Het recht laat zich niet in hokjes plaatsen. Of hoe art. 2:44 W.V.V. de Raad van State zijn rechtsmacht dreigt te ontnemen”
Mr. Arpi Karapetian promoveerde op 14 maart 2019 aan de Universiteit van Groningen cum laude op het proefschrift: ‘