Nieuw Insolventierecht: interuniversitaire studiemiddag op 23 november 2023 te Brussel en online

De Belgische wetgever maakte van de langverwachte omzetting van de Europese Herstructureringsrichtlijn gebruik om het insolventierecht andermaal te hervormen. Hoewel de klemtoon van de hervormingen, die op 1 september in werking treden, duidelijk ligt bij de reorganisatieprocedures, vallen ook, belangrijke wijzigingen op te tekenen op het vlak van de preventieve mechanismen en het faillissement.

UGent, KU Leuven, VUB en UAntwerpen organiseren op 23 november e.k. te Brussel (KU Leuven, campus Brussel, dicht bij Centraal Station) een studiemiddag over deze hervorming.

Tijdens deze hybride, interuniversitaire studiedag bieden de sprekers u een volledig overzicht van de wijzigingen. De bijdragen worden gebundeld in een verslagboek dat meteen een volledig overzicht biedt van het vernieuwde Boek XX WER.

Op het programma staat:

  • Grondslagen van de hervorming – Prof. dr. em. Eric Dirix (KU Leuven), afdelingsvoorzitter Hof van Cassatie 
  • Preventieve mechanismen, ondernemingsbemiddeling en minnelijke herstructureringstools – Prof. dr. Melissa Vanmeenen, UAntwerpen
  • Nieuwe bepalingen inzake gerechtelijke reorganisatie in het algemeen – Prof. dr. Diederik Bruloot, UGent, advocaat
  • De nieuwe procedure van gerechtelijke reorganisatie voor grote ondernemingen – Prof. dr. Frederik De Leo, gastprofessor UHasselt en KU Leuven, advocaat 
  • De vernieuwde procedure van overdracht onder gerechtelijk gezag – Mr. Matthias Ghesquière, advocaat, gastprofessor VUB
  • Wijzigingen inzake faillissement – Prof. dr. Joeri Vananroye, KU Leuven, advocaat
  • Vooruitblik: Europees voorstel tot verdere harmonisatie van het insolventierecht – Prof. dr. Matthias Storme, KU Leuven, advocaat

Meer info en inschrijven hier.

The new Belgian restructuring plan for large enterprises: debt-to-equity swap

A post by guest blogger Eric Blomme (Simmons & Simmons)

The long anticipated law of 7 June 2023 implementing the European Directive on restructuring and insolvency brings about a major reform of Belgian insolvency law. Among various other innovations, it introduces a new judicial reorganisation through collective agreement for large enterprises.

The new law will apply to all procedures opened as from 1 September 2023.

In this second of two blog posts (see first here), we will examine to which extent creditors can seek to impose a debt-to-equity swap on shareholders within the new judicial reorganisation for large enterprises.

Continue reading “The new Belgian restructuring plan for large enterprises: debt-to-equity swap”

The new Belgian restructuring plan for large enterprises: secured creditors no longer entitled to the reorganisation value

A post by guest blogger Eric Blomme (Simmons & Simmons)

The long anticipated law of 7 June 2023 implementing the European Directive on restructuring and insolvency brings about a major reform of Belgian insolvency law. Among various other innovations, it introduces a new judicial reorganisation through collective agreement for large enterprises.[1]

The new law will apply to all procedures opened as from 1 September 2023.

What does this reform mean for secured creditors? In this first of two blog posts, we will examine the “value” to which secured creditors are entitled under the new judicial reorganisation through collective agreement for large enterprises.

Continue reading “The new Belgian restructuring plan for large enterprises: secured creditors no longer entitled to the reorganisation value”

De Vereniging van Mede-eigenaars als onderneming

Een post door gastblogger Dr. Mr. Sven Sobrie

Veel is al geschreven over de draagwijdte van het nieuw ondernemingsbegrip (zie o.a. hier) . Vaak gaat het dan over de vennootschapsbestuurder (zie oa hier, hier en hier). De vraag of hij als een ‘onderneming’ moet worden beschouwd, met alle gevolgen van dien (i.h.b. op het vlak van insolventie), zorgt al enige tijd voor polemiek en het laatste woord is er allicht nog niet over gezegd.

Maar ook elders zorgt het ondernemingsbegrip voor rimpelingen op het wateroppervlak. Neem bv. de VME. Dat is een rechtspersoon, en dus een onderneming in de zin van art. I.1 WER.

Die kwalificatie heeft concrete procesrechtelijke gevolgen. Zo valt de VME als onderneming onder het vrij bewijsrecht, zodat zij er bv. goed aan doet om facturen tijdig te protesteren, bij gebreke waaraan de factuur bewijs zal opleveren van de erin vervatte rechtshandeling (art. 8.11 § 4 BW).

Of nog: wanneer de VME pakweg een aannemer of architect wil dagvaarden, zal deze procedure gevoerd moeten worden voor de ondernemingsrechtbank, die inderdaad bevoegd is voor ‘de geschillen tussen ondernemingen als bedoeld in artikel I.1, 1° WER’ (art. 573 Ger.W.), en dus niet langer voor de rechtbank van eerste aanleg.

Niet iedereen is daar gelukkig mee. Zo werd in de rechtsleer reeds verdedigd dat, in de mate dat de mede-eigenaars zelf de hoedanigheid van consument hebben, er niet kan worden ingezien waarom zij, door als groep op te treden voor de delen van het gebouw waarvan zij nu eenmaal samen eigenaar zijn, plots niet meer als consument zouden moeten worden gekwalificeerd (zie bv. F. VAN IN, “VME: wel rechtspersoon, geen onderneming!”, RW 2020-21, afl. 24, 956).

Ook de Ned. Rb. Brussel vond het opportuun om het GwH te bevragen over de exclusieve bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank voor vorderingen ingesteld door een VME ten aanzien van ondernemingen.

Het GwH (arrest 93/2023 van 15 juni 2023) ziet er evenwel geen graten in, en lijkt in één beweging ook het verschil inzake bewijsregeling te onderschrijven:

“De toewijzing, door de wetgever, van de bevoegdheid om kennis te nemen van de geschillen tegen een onderneming aan verschillende rechtscolleges naar gelang van de aard van de persoon die de vordering instelt, doet op zich niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de betrokken personen. Die kunnen hun rechten op gelijkwaardige wijze doen gelden voor de ondernemingsrechtbank of de rechtbank van eerste aanleg. In het bijzonder blijkt niet dat de bewijsregeling ingevolge de kwalificatie van een vereniging van mede-eigenaars als een « onderneming » en de procedurele context voor de ondernemingsrechtbank de betrokkenen benadelen.”

Toch lijkt het er op dat de critici alsnog zullen zegevieren. Er is immers een wetsvoorstel hangende dat, althans volgens een recent amendement (Kamer 55-1372/003), via een wijziging aan art. I.1 WER, de VME alsnog de hoedanigheid zou verlenen van consument wanneer minstens de helft van de kavels van het gebouw uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd is voor bewoning.

Wordt dus vervolgd.

Sven Sobrie

Uittreding en uitsluiting van aandeelhouders: een never ending story

Een post door gastblogger Floris Parrein

20 december 1967. Zuster Luc-Gabriël, kloosterlinge in het dominicanerklooster te Fichermont, besluit haar kap over de haag te smijten, na jarenlang met groot succes de heilige Dominicus te hebben bezongen. Het is een uittreding die niet alleen het klooster in rep en roer zet, maar ook de wereldpers haalt.

De gemiddelde uittreding (en uitsluiting) van een aandeelhouder doet gelukkig minder stof opwaaien. De geschillenregeling is dan ook een van de meest populaire procedures in het Belgische vennootschapsrecht. Uiteraard moet daarnaast, en ook steeds meer, rekening worden gehouden met de uittreding en uitsluiting ten laste van het vennootschapsvermogen, en met de bijzonder complexe verhouding tussen beide procedures. De uittreding en uitsluiting van aandeelhouders blijft de pennen van veel auteurs in beweging brengen, en ook de (cassatie)rechtspraak wordt geconfronteerd met nieuwe door te hakken knopen.

Enkele concrete voorbeelden.

Continue reading “Uittreding en uitsluiting van aandeelhouders: een never ending story”

Nieuwe cassatierechtspraak over alleenverkoopwetgeving: géén loi de police en onvoorwaardelijk arbitreerbaar

Cass. 7 april 2023, AR C.21.0325.N

‘Het spreekt voor zich dat dit arrest een grote impact zal hebben op de internationale distributiepraktijk. Maar misschien gaat de schokgolf van de ontploffing zelfs nog verder.’

In 2014 schreef Mr. P. Hollander dat het Hof van Justitie van de EU met zijn Unamar-arrest van 17 oktober 2013 een “bombe atomique” had gedropt op de Belgische alleenverkoopwetgeving.[1] Bij arrest van 7 april 2023 heeft het Belgische Hof van Cassatie die atoombom nu daadwerkelijk doen ontploffen.

Continue reading “Nieuwe cassatierechtspraak over alleenverkoopwetgeving: géén loi de police en onvoorwaardelijk arbitreerbaar”

Van onze verslaggever ter plaatse: wetontwerp omzetting Herstructureringsrichtlijn goedgekeurd

De plenaire vergadering van de Kamer keurde vanavond goed: het Wetsontwerp “tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 en houdende diverse bepalingen inzake insolvabiliteit”.

Schrijf hier in voor de disputatio van volgende week donderdag 1 juni.

Cornelis en Feltkamp over buitencontractuele aansprakelijkheid van publieke rechtspersonen in Boek 6 BW: niet ‘back to the future’ maar ‘forward to the past’?

Een post door gastblogger Jeroen Delvoie (VUB)

In hun bijdrage “SOS voor een democratisch aansprakelijkheidsrecht” in de Juristenkrant van 10 mei 2023 zijn Ludo Cornelis en Régine Feltkamp kritisch voor Boek 6 B.W. dat momenteel in de Kamer wordt behandeld. Ik juich hun initiatief toe (ook al ben ik het niet eens met de analyse), want uiteraard verdient het onderwerp een breed juridisch en maatschappelijk debat. Ook Corporate Finance Lab laat zich ter zake overigens niet onbetuigd (zie bv. hier en hier en hier). Ik kan de lezer enkel aanraden de kritische reeks van Cornelis en Feltkamp over Boek 6 verder te volgen via hun website Law Back on Track.

Maar op een bepaald moment moest ik me bij de lectuur van hun bijdrage toch even in de haren krabben. Ik licht dat graag toe.

Enerzijds wijzen de auteurs op de sterk veranderde samenlevingscontext sinds 1804. Vanaf medio 20e eeuw leidde de democratische omwenteling tot een politieke aardverschuiving, zo luidt hun analyse. Boek 6 B.W. is (net zoals de reeds aangenomen boeken) volgens Cornelis en Feltkamp nog te zeer schatplichtig aan de 19e eeuw en dus aan een “voorbijgestreefd politiek regime”. Voor wie deze auteurs volgt, klinkt dat bekend in de oren.

Continue reading “Cornelis en Feltkamp over buitencontractuele aansprakelijkheid van publieke rechtspersonen in Boek 6 BW: niet ‘back to the future’ maar ‘forward to the past’?”

Invoering boek XIX ‘Schulden van de consument’ WER

Een post door gastblogger Dave Mertens en Emilie Bogaerts

Op 27 april 2023 werd het Wetsontwerp houdende invoeging van boek XIX “Schulden van de consument” in het Wetboek van economisch recht aangenomen in de Kamer van Volksvertegenwoordigers.[1] Boek XIX WER regelt de minnelijke invordering van schulden bij betalingsachterstand van consumenten. In B2B-relaties blijft de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties (hierna: “WBH”), waarover u hier meer kan lezen, van toepassing.

De belangrijkste nieuwigheden zijn de volgende:

Continue reading “Invoering boek XIX ‘Schulden van de consument’ WER”

Is het écht nodig dat ex-BVBA’s hun statuten aanpassen voor het einde van het jaar?

Antwoord minister Van Quickenborghe op parlementaire vraag Houtmeyers

Kamerlid mevr. Katrien Houtmeyers (n-va) stelde de volgende schriftelijke vraag aan de Minister van justitie:

In 2020 besliste de federale regering dat de vennoten van een besloten vennootschap voor eind 2023 naar de notaris moeten om hun statuten te laten aanpassen en zo een volwaardige bv te worden. Een dure ingreep, met een enorme economische kostprijs. Voor de 400.000 bvba’s in ons land leidt dat tot een gemeenschappelijke last van een half miljard euro.

Ook eenpersoonsvennootschappen vallen onder deze verplichting. Het hoeft geen betoog dat dit op de kleine zelfstandigen in ons land een grote impact heeft. Niet alleen kost het veel geld om langs de notaris te gaan voor de aanpassing, ze steken er ook tijd in die ze op andere manieren nuttiger zouden kunnen invullen. Vooral nu blijkt dat eenpersoonsvennootschappen de verplichting eigenlijk rustig kunnen negeren omdat de kans op een sanctie – zonder technisch in detail te treden – bijzonder klein is.

Meneer de minister,

Ik vraag me af hoe u zelf tegenover deze verplichting staat. Vindt u het logisch dat eenmanszaken veel tijd en geld moeten steken in een officiële aanpassing, hoewel er toch geen echte sanctie is?

Wat vindt u ervan dat een professor vennootschapsrecht eenpersoonsvennootschappen in de media aanraadt om de verplichting te negeren?

Bent u al gecontacteerd door zelfstandigen of organisaties die de verplichting overdreven vinden?

Het antwoord van Minister Van Quickenborne luidt:

Continue reading “Is het écht nodig dat ex-BVBA’s hun statuten aanpassen voor het einde van het jaar?”

‘Indien een geconflicteerde bestuurder meestemt leidt dit tot nietigheid van het bestuursbesluit, zelfs bij afwezigheid van bewijs dat dit het besluit heeft kunnen beïnvloeden’

Disputatio, Leuven, donderdag 1 juni 2023

Het WVV geeft een bijzondere nietigheidsgrond in geval van schending van de regels voor belangenconflicten bij bestuurders. De rechtspersoon kan de nietigheid vorderen van besluiten of verrichtingen die hebben plaatsgevonden met overtreding van de toepasselijke belangenconflictregels, indien de wederpartij bij die besluiten of verrichtingen van die overtreding op de hoogte was of had moeten zijn.

Al sinds de invoering van die nietigheidssanctie speelt de vraag of de nietigheidssanctie geldt bij elke schending van de belangenconflictregeling. Een eerste strekking verdedigt dat enkel “wezenlijke” schendingen, die de besluitvorming of de verrichting kunnen beïnvloeden, tot nietigheid zouden mogen leiden. Een tweede strekking ziet de nietigheid verschijnen bij elke schending van de betrokken regels. Het WVV heeft deze discussie niet beslecht.

Voor beide strekkingen bestaan goede argumenten.

Continue reading “‘Indien een geconflicteerde bestuurder meestemt leidt dit tot nietigheid van het bestuursbesluit, zelfs bij afwezigheid van bewijs dat dit het besluit heeft kunnen beïnvloeden’”

De (on)zin van commerciële vs. particuliere schuldkwijtschelding

Over de aanmoediging van ondernemerschap als leitmotiv voor tweedekansbeleid – een post door gastblogger Gauthier Vandenbossche (UGent)

Niet alle EU-lidstaten behandelen ondernemers en consumenten op dezelfde manier wanneer het op tweedekansbeleid en schuldkwijtschelding aankomt. Zo maakt het Belgische insolventierecht, net zoals het Franse insolventierecht, een onderscheid tussen natuurlijke personen op basis van hun beroeps- of economische activiteit. Maar moet er op dat vlak wel een onderscheid gemaakt worden tussen natuurlijke personen? En kan een dergelijk onderscheid verantwoord worden op basis van de doelstelling van tweedekansbeleid en schuldkwijtschelding?

“Er kunnen vraagtekens worden gezet bij het verschil tussen de ‘risico-nemende’ ondernemer, voor wie een soepel tweedekansbeleid zou bestaan, en andere natuurlijke personen.”

Gauthier Vandenbossche

Continue reading “De (on)zin van commerciële vs. particuliere schuldkwijtschelding”

Special Purpose Acquisition Companies: too Alternative to be an Alternative Investment Fund?

A post by guest blogger Victor Denil

While Special Purpose Acquisition Companies (SPACs) made a comeback to the American stock markets in 2020, Euronext Amsterdam became the SPAC champion on the old continent, with 16 SPAC listings (FT, 17 February 2021). As we appear to be past the hype, burning legal questions to understand the legal landscape for alternative investment funds, and in particular European SPACs come to the fore. One of these questions is whether European SPACs are subject to the Alternative Investment Fund Managers Directive (AIFMD)? There is no clear answer to this question. In this article, I will try to summarize the pros and cons and I will bring on three arguments why AIFMD could apply in my opinion.

Continue reading “Special Purpose Acquisition Companies: too Alternative to be an Alternative Investment Fund?”

Inkoop van eigen aandelen: een onverwachte (en onbedoelde?) dubbele uitkeringstest in de NV?

Tal van ondernemingen worden in een vroege fase van hun bestaan gekenmerkt door jaren van operationele verliezen die worden veroorzaakt door allerlei kosten: onderzoek en ontwikkeling, geografische uitbreiding, uitbouwing, opschaling van productiecapaciteit, en ga zo maar door. Om die (vaak langer dan initieel vooropgestelde) opstart- en doorgroeifase te bekostigen, kan een onderneming extern kapitaal ophalen, veelal bij professionele investeerders of zelfs op de beurs. Zulke ondernemingen zetten in op langetermijngroei: winsten worden pas later gerealiseerd na commercialisatie van producten in de pijplijn, of wanneer de productie voldoende is opgeschaald.

Externe fondsen kunnen op verschillende manieren worden aangetrokken, zoals via een instap in het kapitaal. In een naamloze vennootschap wordt zulke externe inbreng nog steeds geregeld (deels) geboekt als uitgiftepremie.

Een onderneming kan tal van redenen hebben om eigen aandelen te verwerven. Zo kan het nuttig zijn dat een onderneming een aandeelhouder zelf kan uitkopen, of een personeelsparticipatieplan kan opzetten. Voor beursgenoteerde bedrijven kan het opportuun zijn om de beurskoers te ondersteunen of om aandelen in te kopen om als currency te gebruiken in M&A transacties.

We nemen de – zeer realistische – hypothese van een jonge, groeiende onderneming die verlieslatend is, maar die een stevige financiële buffer heeft omwille van externe inbrengen, welke voor een klein deel geboekt zijn als kapitaal, maar grotendeels als beschikbare uitgiftepremie. Dankzij deze financiële buffer beschikt de onderneming over voldoende uitkeerbare ruimte voor een inkoop van eigen aandelen. De uiterkingstest vervat in artt. 7:212 juncto. 7:215 is dus geslaagd.

We gaan er eenvoudigheidshalve van uit dat de inkoop van aandelen door onze hypothetische onderneming ook voor het overige voldoet aan de overige voorwaarden van art. 7:215 e.v. WVV.

Zolang de ingekochte aandelen zijn opgenomen in de activa van de balans van de onderneming, moet de onderneming een onbeschikbare reserve aanleggen, gelijk aan de waarde waarvoor de aandelen die zij zelf verkreeg in haar inventaris zijn ingeschreven (art. 7:217, §2 WVV).

Op het eerste zicht lijkt dat geen probleem te vormen. De onbeschikbare reserve voor eigen aandelen vormt de tegenhanger van de beschikbare uitkeerbare ruimte, en onze hypothetische onderneming beschikt over voldoende uitkeerbare ruimte dankzij haar beschikbare uitgiftepremies. Het WVV of het uitvoeringsbesluit sluiten overigens niet uit dat de uitgiftepremies zouden worden aangewend om een onbeschikbare reserve aan te leggen.

Wat deze werkwijze wel uitsluit, is een advies van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen (CBN). In haar advies 2021/01 stelt de CBN immers dat de uitgiftepremie neerkomt op een externe inbreng van de aandeelhouders en dat ze zich daarin onderscheidt van reserves die voortvloeien uit winsten. Volgens de CBN volgt daaruit dat een uitgiftepremie niet kan worden overgeboekt naar een onbeschikbare reserverekening.

Continue reading “Inkoop van eigen aandelen: een onverwachte (en onbedoelde?) dubbele uitkeringstest in de NV?”

New FDI rules in the Benelux: a brief analysis from a Law and Economics perspective

A post by guest blogger Thomas Van Gerven (student, KU Leuven)

On November 30 2022, the Belgian federal government and the governments of the federated entities adopted the cooperation agreement on the Belgian foreign direct investment screening mechanism. The draft text has now been submitted to the various parliaments for approval and should enter into force on June 1, 2023. This adds Belgium to the list of EU Member States that have recently tightened their rules on foreign direct investment (FDI). Similarly, in mid-2022, the Dutch Chamber of Representatives adopted the Wet Vifo, establishing the new Dutch general (F)DI screening mechanism. Its entry into force is scheduled for early summer 2023.

As many have pointed out, the practical implications of these new FDI rules for mergers and acquisitions (M&A) in the Benelux can hardly be overstated. For one thing, FDI screening will affect the timetable of transactions. As with merger control, the deal will not be able to close prior to the green light from the respective screening authorities (i.e. the Interfederal Screening Committee for Belgium and the Investment Screening Office for the Netherlands). As important as these practical implications are, the tightening of FDI rules also raises more theoretical questions, that is, from a Law and Economics perspective.

Continue reading “New FDI rules in the Benelux: a brief analysis from a Law and Economics perspective”