FSMA kan bankiers binnenkort tuchtsancties opleggen voor onprofessioneel of onbillijk gedrag

Een post door gastblogger Matthias Wauters en Carl Clottens (Eubelius)

De wet van 20 december 2023 houdende diverse financiële bepalingen (de “Programmawet” – BS 15 januari 2024) bevat belangrijke nieuwigheden voor leidinggevenden en bepaalde medewerkers in de banksector.

Vooreerst (i) zullen individuele gedragsregels worden vastgelegd voor wie bankdiensten verricht, (ii) zal de FSMA toezien op de naleving ervan, en (iii) tuchtsancties kunnen opleggen indien inbreuken worden vastgesteld. Iedereen zal bij de FSMA een klacht kunnen indienen wanneer hij van oordeel is dat de gedragsregels niet zijn nageleefd.

Daarnaast worden de “fit & proper“-criteria aangescherpt en kan de Nationale Bank van België (NBB) een beroepsverbod opleggen aan wie niet langer aan de geschiktheidscriteria beantwoordt.

Continue reading “FSMA kan bankiers binnenkort tuchtsancties opleggen voor onprofessioneel of onbillijk gedrag”

Naasting in het burgerlijk proces: the easy way out?

Gastblog door Mr Sven Sobrie

De mogelijkheid tot naasting van betwiste rechten is een rechtsfiguur die in de praktijk niet altijd even gekend is en die dan ook af en toe voor verrassingen zorgt bij procespartijen. Een recent arrest van het Hof van Cassatie nodigt uit om stil te staan bij de bestaansreden van het naastingsrecht en bij de toekomst ervan.

Wat is naasting?

Wanneer een (schuld)eiser in de loop van een gerechtelijke procedure de litigieuze schuldvordering overdraagt aan een derde, kan de verweerder het geding beëindigen door aan de overnemer (de nieuwe eiser) het bedrag te betalen dat deze voor de overname van de schuldvordering heeft betaald, inclusief kosten en interesten. Dat ‘naastingsrecht’ lag vroeger vervat in de artikelen 1699 e.v. OBW en is tegenwoordig te vinden in artikel 5.178 BW.

De naasting betekent op die manier een nulwinst voor de overnemer, die het geïnvesteerde bedrag terugkrijgt zonder er een meerwaarde op gerealiseerd te hebben. Voor de verweerder betekent het een relatief goedkope uitweg uit de procedure. Goedkoop, omdat het overnamebedrag, gelet op de verrekening van het proces- en insolventierisico, normaliter een stuk lager zal liggen dan de nominale waarde van de vordering die de inzet van het geschil vormt. De verweerder kiest m.a.w. eieren voor zijn geld en koopt de procedure af met een ‘korting’, veeleer dan een veroordeling tot betaling van het nominale totaalbedrag te riskeren.[1]

Continue reading “Naasting in het burgerlijk proces: the easy way out?”

Vraagstukken Ondernemingsrecht jaargang 2024

KMO Campus

In deze unieke webinar-reeks stellen academici en experts scherp op 5 actuele vraagstukken uit het ondernemingsrecht die de praktijk bezig houden, en brengen zij een analyse van de praktijkervaringen en adders onder het gras.

In elke sessie zal de spreker met pittige vragen en scherpe standpunten het vuur aan de schenen worden gelegd door een debater. De 5 webinars kunnen in zijn geheel of afzonderlijk gevolgd worden afhankelijk van de voorkennis en/of de gewenste verdieping.

Inschrijven volledige reeks 

600 EUR + BTW
voordeeltarief ipv 800 EUR + BTW
Early Bird Discount
2de deelnemer gratis
10u permanente vorming
OVB | ITAA | IBR
Meer info

De Topics

Continue reading “Vraagstukken Ondernemingsrecht jaargang 2024”

Milieudefensie v ING

Op bijzonder mediatieke wijze kondigde Milieudefensie (“een vereniging met zo’n 110.000 leden en donateurs”) vrijdag een nieuwe Klimaatzaak en bijhorende fondsenwerving aan. De verweerder is ING, de grootste bank van Nederland. De eisen van Milieudefensie en de motivering ervan liggen vervat in een 41 pagina’s tellende aansprakelijkheidstelling (ING heeft 8 weken tijd gekregen om te reageren). De eerste reactie van ING kan hier geconsulteerd worden.

Mileudefensie acht het klimaatbeleid van ING onrechtmatig en vordert volgende maatregelen:

1. ING diens klimaatbeleid in lijn brengt met de 1,5°C van het Parijsakkoord;
2. ING diens uitstoot vermindert met ten minste 48% CO2 en ten minste 43% CO2e in 2030 ten opzichte van 2019; 
3. ING daarnaast zorgt dat die niet betrokken is bij de negatieve klimaatimpact van grote zakelijke klanten, zoals: 
a. ING eist een goed klimaatplan van alle grote zakelijke klanten;

b. ING stopt met het financieren en ondersteunen van grote zakelijke klanten die binnen een jaar geen goed klimaatplan hebben;
c. ING eist dat fossiele klanten stoppen met fossiele uitbreiding én een goed uitfaseringsplan opstellen;
d. ING stopt nieuwe financiering en ondersteuning van fossiele klanten die doorgaan met fossiele uitbreiding of geen goed uitfaseringsplan hebben;
e. ING stopt alle financiering en ondersteuning van fossiele klanten die na een jaar nog doorgaan met fossiele uitbreiding of geen goed uitfaseringsplan hebben.
4. Daarnaast vraagt Milieudefensie ING om met Milieudefensie in gesprek te gaan over deze maatregelen.”

Het weze duidelijk: de gevorderde maatregelen hebben niet enkel betrekking op de eigen (scope 1) activiteiten van ING (vergroening wagenpark, duurzame gebouwen, verminderen papierverbruik, …). Wat werkelijk wordt beoogd, zijn de diverse financerings-en intermediaire activiteiten die een financiële instelling traditioneel verricht. Volgens Milieudefensie handelt ING hierbij onrechtmatig en dringt een grondige bijsturing van het beleid zich op. De juridische kapstok voor dit alles is ondertussen gekend: de algemene zorgvuldigheidsnorm, zoals ingevuld door de rechtspraak (“never change a winning formula (& team)” lijkt het devies te zijn).

Deze nieuwe klimaatzaak wordt uitdrukkelijk gepresenteerd als een vervolg op Urgenda (overheid als verweerder) en Shell (industriële onderneming als verweerder). De ingebrekestelling bevat dan ook vertrouwde elementen: kennis in hoofde verweerder, stand der wetenschap, waarom het huidige klimaatbeleid onvoldoende is, invulling zorgvuldigheidsnorm, …

Over al deze elementen zullen in de nabije toekomst honderden bladzijden conclusies worden geschreven (alvast advocaten zijn altijd de winnaar in zo’n zaken). Hier wil ik volstaan met het opwerpen van één, m.i. fundamentele, vraag (en enkele deelvragen): quid wetgever?

41 pagina’s lang argumenteert Milieudefensie dat het klimaatbeleid van ING, de grootste bank van Nederland, onrechtmatig is. Nergens wordt echter beweerd dat ING wetgeving schendt. Evenmin wordt aangevoerd dat ING, als systeembank, bepaalde instructies van toezichthouders naast zich neerlegt (terwijl zeker systeembanken nauwgezet in de gaten worden gehouden – Frankfurt ziet u!). Het enige dat finaal voorligt is het oordeel/de visie van Milieudefensie dat ING de algemene zorgvuldigheidsnorm schendt. En dat oordeel wordt nu ter validatie aan de rechter voorgelegd.

En dat brengt ons tot de essentie van de zaak. Voldoen aan de eisen van Milieudefensie (een organisatie die een goede 100.000 mensen “vertegenwoordigt”) zal de financieringspraktijk van ING danig impacteren. De gevolgen daarvan zullen zich zich onmiddellijk laten voelen in de Nederlandse – en Belgische – economie en maatschappij. En de wetgever: die staat erbij en kijkt ernaar? Dit noopt tot een aantal deelvragen:

  • Getuigt het van zorgvuldig optreden van een (in dit geval Nederlandse) wetgever om niet in een dergelijke procedure tussen te komen, om het algemeen belang, zoals dit democratisch gelegitimeerd is (en niet door pakweg 100.000 mensen), in het debat te brengen?
  • Wat vindt de (in dit geval) Nederlandse overheid van het klimaatbeleid van ING (op vandaag kan men enkel vermoeden dat de overheid geen probleem heeft met dit klimaatbeleid) en is dat niet relevanter dan wat een organisatie zoals Milieudefensie daarvan vindt?
  • Wacht (in dit geval) de Nederlandse overheid de komende jaren braaf en rustig aan de zijkant, om vervolgens met voldongen feiten geconfronteerd te worden?

Uiteraard kan en zal het antwoord op deze vragen verschillen, daar is niets mis mee. In elk geval verdienen ze gesteld te worden.

De werknemer: een onderbelicht slachtoffer van de afschaffing van de immuniteit van de uitvoeringsagent

De duizendste blogpost op Corporate Finance Lab

Het ziet er dus naar uit dat er een politieke meerderheid (misschien zelfs consensus) bestaat omtrent de afschaffing van de immuniteit van de uitvoeringsagent. Zie de post van Roodhooft van gisteren. In kort komt de tekst goedgekeurd in de Commissie Justitie hier op neer:

  • De immuniteit van de uitvoeringsagent wordt afgeschaft: de hoofdschuldeiser kan dus de uitvoeringsagent van zijn hoofdschuldenaar aanspreken indien die een onrechtmatige daad begaat in de uitvoering van de hoofdovereenkomst;
  • De uitvoeringsagent kan de excepties inroepen uit de verhouding tussen hoofdschuldeiser en hoofdschuldenaar (zoals in het initiële wetsvoorstel);
  • De uitvoeringsagent kan ook de excepties inroepen uit zijn verhouding met de hoofdschuldenaar (anders dan in het initiële voorstel);
  • Er is geen sprake meer van een rechtstreeks vordering (wat ergens onderweg een amendement was van de indieners van het initiële voorstel).

Deze post – overigens de duizendste post op Corporate Finance Lab – wil wijzen op een tot nu onderbelicht slachtoffer van de afschaffing van de immuniteit van de uitvoeringsagent: werknemers.

Continue reading “De werknemer: een onderbelicht slachtoffer van de afschaffing van de immuniteit van de uitvoeringsagent”

Feuilleton van de quasi-immuniteit: seizoensfinale

Gisteren werd het wetsvoorstel over boek 6 BW (buitencontractuele aansprakelijkheid) aangenomen in tweede lezing door de commissie justitie. Het wetsvoorstel gaat nu naar de plenaire vergadering van de Kamer.

Een belangrijk amendement (3213/010) dat op het laatste nippertje nog werd ingediend en (onder voorbehoud van publicatie van de definitieve tekst aangenomen door de commissie) goedgekeurd, gaat over de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent. Net als in een feuilleton over het bewogen liefdesleven van het hoofdpersonage, stapt de wetgever af van de affaire met de ingewikkelde rechtstreekse vordering die voorlag (zie hierover meer in een eerdere blogpost) en keert hij terug naar zijn eerste geliefde, de vordering op buitencontractuele basis.

Continue reading “Feuilleton van de quasi-immuniteit: seizoensfinale”

Wet van 28 december 2023 houdende diverse fiscale bepalingen (1): Wijziging fiscale behandeling van schuldherschikkingen via reorganisatieakkoorden

Zijn de belangen van de schatkist en het herstel van de financiële gezondheid van de schuldenaar met elkaar te verzoenen?

Zoals inmiddels genoegzaam bekend werd met de Wet van 7 juni 2023 de Europese Herstructureringsrichtlijn omgezet in België. Deze wet voorziet in talrijke wijzigingen van het reorganisatie- en insolventierecht (zie voor een uitgebreid overzicht: F. DE LEO, TRV-RPS 2023, nr. 6, 391). Opvallend is echter dat deze Wet van 7 juni 2023 enkel wijzigingen heeft aangebracht aan het Wetboek van Economisch Recht (“WER”) en aan het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (“WVV”), maar niet aan het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (“WIB92”). Het WIB92 voorziet nochtans in een afzonderlijk fiscaal regime voor schuldherschikkingen die via een reorganisatieakkoord tussen de schuldenaar en zijn schuldeiser(s) werden overeengekomen. De wetgever heeft de recente Wet houdende diverse fiscale bepalingen (1) van 28 december 2023 (“Wet van 28 december 2023”) aangegrepen om dit fiscaal regime af te stemmen op het nieuwe reorganisatierecht (art. 48-49 Wet van 28 december 2023). Daarnaast heeft hij eveneens grondige wijzigingen aangebracht aan het bestaande regime. Deze wijzigingen zijn (gedeeltelijk) met terugwerkende kracht van toepassing vanaf 1 september 2023 (i.e. de inwerkingtreding van de Wet van 7 juni 2023) (art. 59, lid 5-7 Wet van 28 december 2023).

Continue reading “Wet van 28 december 2023 houdende diverse fiscale bepalingen (1): Wijziging fiscale behandeling van schuldherschikkingen via reorganisatieakkoorden”

Het vermogen van de redelijke persoon kent zijn grenzen

Een post door gastblogger Lukas Van Roy (Instituut voor Verbintenissrecht, KU Leuven)

“De voorgestelde bepaling is een signaal dat van een redelijk persoon niet verwacht wordt dat hij (voor hem) buitensporig hoge kosten maakt.”

Lukas Van Roy

De afgelopen maanden waren intens voor de leden van de commissie voor de hervorming van het aansprakelijkheidsrecht. Na een eerste hoorzitting in de commissie justitie waar de commissieleden het wetsvoorstel van Boek 6 toelichtten en enkele experts er hun licht op lieten schijnen, volgden twee commissies en is er een derde op komst om enkele moeilijke knopen door te hakken (zie de parlementaire documenten hier). Zo sneuvelde inmiddels de verplichte familiale verzekering en heeft het debat rond de immuniteit van de uitvoeringsagent voor een nieuwe immuniteitsregeling gezorgd waarvan de effecten voelbaar zijn tot in Boek 5. Een discussiepunt dat minder onder de aandacht kwam, is de wijziging van artikel 6.6 (vroeger 6.7), §2, tweede lid, 2° BW. In deze blogpost leest u waarom die bepaling toch belangrijker is dan men op het eerste zicht zou denken.

Algemene zorgvuldigheidsnorm

Voor wie nog niet helemaal vertrouwd is met het voorstel van Boek 6: artikel 6.6 definieert de fout. Eerst herhaalt men dat een fout ofwel een schending van een wettelijke gedragsregel is, ofwel de schending van de algemene zorgvuldigheidsnorm. Het eerste lid van de tweede paragraaf definieert de algemene zorgvuldigheidsnorm. Ook hier is er niets nieuws onder de zon. Het gaat om een codificatie van de voorzichtige en redelijke persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst. Wel vernieuwend is het tweede lid van die paragraaf. Daarin reikt de wetgever de rechter enkele instrumenten aan die hij kan gebruiken om de algemene zorgvuldigheidsnorm in te vullen. Onder andere de voorzienbare gevolgen van het gedrag en de stand van de techniek en de wetenschappelijke kennis komen er aan bod. Deze bijdrage spitst zich toe op het tweede element waarmee de rechter rekening kan houden, in het oorspronkelijke wetsvoorstel ging het om “de kosten en inspanningen nodig om de schade te vermijden”.

Kritiek: de redelijke persoon mag geen homo economicus zijn

Vanuit de oppositie volgde daarop een dubbele kritiek. Ten eerste zou de indicatieve lijst van artikel 6.6, §2 tweede lid overbodig zijn omdat ze niet op alle gevallen toepasbaar is en voor zinloze discussies kan zorgen. Daarom diende ze een amendement in  ter afschaffing van het lid. Ten tweede, mocht het lid toch behouden blijven, wijst de oppositie het criterium onder 2° af. Het zou een merkwaardig signaal geven. In haar amendement haalt ze het voorbeeld aan van een ziekenhuis dat geen aansprakelijkheid riskeert wanneer het vanwege financiële moeilijkheden een patiënt in levensgevaar niet behandelt.

Ook in de rechtsleer is er kritiek op de bepaling. Zo verscheen er vorige week nog een opiniestuk van enkele academici in De Standaard (10 januari 2024) waarin kritiek klonk op het criterium van inspanningen en maatregelen bij de beoordeling van de fout.

Continue reading “Het vermogen van de redelijke persoon kent zijn grenzen”

Verklaring omtrent risicobeheersing (Nederland)

In Nederland hebben de zgn. schragende partijen een akkoord bereikt over de opneming van een verklaring omtrent risicobeheersing (VOR) in de (plaatselijke) Corporate Governance Code. Het voorstel kan hier worden geconsulteerd. Een aantal elementen van dit voorstel worden hierna hernomen.

Principe 1.2 Risicobeheersing
De vennootschap beschikt over adequate interne risicobeheersings- en controlesystemen. Het bestuur is verantwoordelijk voor het identificeren en beheersen van de risico’s verbonden aan de strategie en de activiteiten van de vennootschap.

Vergelijk art. 2.8 Belgische Corporate Governance Code: “De raad van bestuur bepaalt de bereidheid van de vennootschap om risico’s te nemen teneinde de strategische doelstellingen van de vennootschap te verwezenlijken.”

1.2.1 Risicobeoordeling
Het bestuur inventariseert en analyseert de risico’s die verbonden zijn aan de strategie en de activiteiten van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. De inventarisatie en analyse dekt in ieder geval de strategische, operationele, compliance en verslaggevingsrisico’s. Het bestuur stelt de risicobereidheid vast en besluit welke maatregelen tegenover de risico’s worden gezet.

Vergelijk art. 2.14 Belgische Corporate Governance Code: “De raad keurt het kader van interne controle en risicobeheer goed, dat wordt voorgesteld door het
uitvoerend management, en beoordeelt de implementatie van dit kader.”

Principe 1.4 Verantwoording over risicobeheersing
Het bestuur legt verantwoording af over de effectiviteit van de opzet en de werking van de interne risicobeheersings- en controlesystemen.

1.4.3 Verklaring van het bestuur
Het bestuur verklaart in het bestuursverslag met een duidelijke onderbouwing:
i. dat het verslag in voldoende mate inzicht geeft in tekortkomingen in de werking van de interne risicobeheersings- en controlesystemen;
ii. dat deze systemen een redelijke mate van zekerheid geven dat de financiële
verslaggeving geen onjuistheden van materieel belang bevat;
iii. dat deze systemen ten minste een beperkte mate van zekerheid geven dat de
duurzaamheidsverslaggeving geen onjuistheden van materieel belang bevat;
iv. welk niveau van zekerheid deze systemen geven dat de operationele en
compliance risico’s effectief worden beheerst;
v. dat het naar de huidige stand van zaken gerechtvaardigd is dat de financiële
verslaggeving is opgesteld op going concern basis; en
vi. dat in het verslag de materiële risico’s als bedoeld in best practice bepaling 1.2.1 en de onzekerheden zijn vermeld, voor zover die relevant zijn ter zake van de verwachting van de continuïteit van de vennootschap voor een periode van twaalf maanden na opstelling van het verslag.

In dit verband kan tevens worden verwezen naar de recent gepubliceerde European Sustainability Reporting Standards (in het kader van de CSRD) (noot aan de lezer: consulteer de Engelse versie van de ESRS; de andere taalversies zijn het resultaat van automatische vertalingen en het resultaat durft weleens tegen te vallen). “Disclosure Requirement GOV–5 – Risk management and internal controls over sustainability reporting” bepaalt het volgende inzake risico’s.

  1. The objective of this Disclosure Requirement is to provide an understanding of the undertaking’s risk management and internal control processes in relation to sustainability reporting.
  2. The undertaking shall disclose the following information:
    (a) the scope, main features and components of the risk management and internal control processes and systems in relation to sustainability reporting;
    (b) the risk assessment approach followed, including the risk prioritisation methodology;
    (c) the main risks identified and their mitigation strategies including related controls;
    (d) a description of how the undertaking integrates the findings of its risk assessment and internal controls as regards the sustainability reporting process into relevant internal functions and processes; and
    (e) a description of the periodic reporting of the findings referred to in point (d) to the administrative, management and supervisory bodies.

Risico, het beheren ervan en het (intern en extern) rapporteren over risico, zal de komende jaren alleen maar aan belang toenemen (zie ook CSDDD). Risico, een notoir subjectief begrip, wordt daardoor meer en meer een juridisch begrip, rijp voor allerlei discussies.

De goedkeuring door aandeelhouders van de overdracht van significante activa

Enkele kritische bedenkingen bij het wetsontwerp

Zoals eerder bericht op deze blog diende de regering recent een wetsontwerp “houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis” in bij de Kamer. Dit wetsontwerp omvat ook enkele belangrijke wijzigingen aan de governance van genoteerde vennootschappen, waaronder de verplichte goedkeuring door de aandeelhouders van de overdracht van significante activa. 

In deze blogpost maak ik, na een korte bespreking van de ratio van het wetsontwerp, enkele kritische bedenkingen bij de tekst van het wetsontwerp, meer bepaald bij het gebrek aan bijzondere bescherming in geval van de overdracht van significante activa aan een verbonden partij, en bij het gebrek aan duidelijkheid over de toepassing op de overdracht van significante activa door een dochtervennootschap van de genoteerde vennootschap. 

Ik hoop dan ook dat deze blogpost een aanzet kan geven tot verdere verfijning van het wetsontwerp, vooraleer het definitief zou worden aangenomen door de Kamer.

Continue reading “De goedkeuring door aandeelhouders van de overdracht van significante activa”

Flashbericht: politiek akkoord over Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD)

Deze nacht/morgen werd een politiek akkoord bereikt over de zgn. Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD): Corporate sustainability due diligence: Council and Parliament strike deal to protect environment and human rights – Consilium (europa.eu).

Anders dan de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD), die essentieel betrekking heeft op rapportering, legt de CSDDD een actief due diligence beleid op aan bepaalde ondernemingen (afhankelijk van grootte en/of sector), om schade aan milieu en mensenrechten op te sporen, te voorkomen en, desgevallend, te beëindigen.

Het belang van de CSDDD is groot, niet alleen voor ondernemingen die formeel binnen het toepassingsgebied vallen. Ook is er een klimaatluik, gealigneerd op het Klimaatakkoord van Parijs.

Het is wachten op de finale teksten om de volledige impact van het bereikte akkoord (te proberen) in te schatten. Meer hierover ongetwijfeld in volgende blogposts.

Nieuw wetsontwerp stelt aanpassing governance van genoteerde vennootschappen in het vooruitzicht

Wetsontwerp houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis

In een recent ingediend wetsontwerp “houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis” gaan enkele wijzigingen aan het WVV schuil. Met die wijzigingen wil de regering – in feite komen de ideeën van de FSMA, die iets meer dan een jaar geleden haar werven voor de toekomst voorstelde – de corporate governance van genoteerde vennootschappen aanscherpen.

We overlopen hieronder de belangrijkste ingrepen van het wetsontwerp.

Continue reading “Nieuw wetsontwerp stelt aanpassing governance van genoteerde vennootschappen in het vooruitzicht”

Gratis studie-avond UAntwerpen: omzetting herstructureringsrichtlijn –programma en inschrijving

Zie hier het programma van de studie-avond georganiseerd door de masterstudenten van de grondige studie insolventierecht aan de Universiteit Antwerpen.

De studieavond gaat door op woensdag 20 december 2023 om 19u (tot ong. 20u30), en dit in lokaal R014 (Stadscampus Antwerpen) of online. Deelname is gratis, maar inschrijven is verplicht. Inschrijven kan hier.

  • Jeroen Delbeke – Kwijtschelding of toch liever verschoonbaar?
  • Melisa Ergin – Rol van de herstructureringsdeskundige
  • Maxime Voet – Rechten en verantwoordelijkheden van kapitaalhouders in de nieuwe gerechtelijke reorganisatie
  • Xeres Van Den Langenberg – De positie van de aandeelhouder in de vernieuwde gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord
  • Lynn Thierens – Gerechtelijke ontbinding van lege dozen in faillissementstoestand
  • Isabelle De Bie – Was het stil faillissement beter stil gebleven?

Kan de vereffenaar op beide oren slapen na sluiting van de vereffening?

Art. 2:107 WVV

Krachtens art. 2:107 WVV kan sinds het WVV elke aandeelhouder na sluiting van de vereffening de vereffenaar aansprakelijk stellen. Deze bepaling kan verstrekkende gevolgen hebben voor vereffenaars en lijkt het uitgangspunt te doorkruisen dat aandeelhouders niet beschikken over zelfstandige vergoedingsaanspraken tot herstel van hun aandeel in de schade aan het vennootschapsvermogen.

Continue reading “Kan de vereffenaar op beide oren slapen na sluiting van de vereffening?”

Corporate sustainability due diligence: lessen uit Frankrijk

De politieke discussies over de Corporate sustainability due diligence directive (CSDDD of CS3D – voor de Berlaymont hipsters) bereiken stilaan een eindpunt (waarbij het niet uitgesloten is dat de laatste stappen worden gezet tijdens het nu echt wel nakende Belgische voorzitterschap). Enkele belangrijke jurisdicties (o.a. Frankrijk en Duitsland) kennen reeds een dergelijk systeem (en streven – pour la petite histoire – zoveel mogelijk naar een overname van hun systeem op Europees niveau).

Op 5 december 2023 werd voor de eerste keer ten gronde een uitspraak gedaan in Frankrijk op basis van de loi sur le devoir de vigilance. De uitspraak, met vakbonden als eiser en de Franse post als verweerder, kan hier worden geconsulteerd. Een uitgebreide en goede analyse van Linklaters is hier te vinden.

Voor Belgische ondernemingen is dit allemaal nog even toekomstmuziek. Stilaan nadert echter de dag dat ook zij met dit (nieuw) type regelgeving rekening moeten houden. In het kader van de implementatie van een eigen compliance-programma kan het nuttig zijn te analyseren wat er in andere jurisdicties gebeurt. Immers, meer en meer kan een tendens worden vastgesteld waarbij rechtbanken aandacht hebben voor buitenlandse rechtspraak in vergelijkbare gebieden (denk bv. aan de voortdurende grensoverschrijdende rechterlijke dialoog inzake klimaatzaken).