De collectieve vordering 2.0 : boedelvordering zonder boedelschade

Cass. 16 september 2016: curator kan soms ook vorderen zonder dat er collectieve schade is

In een eerdere post berichtten we over het arrest van het Hof van Cassatie van 16 september 2016. Daarin oordeelde het Hof dat de enige vennoot-rechtspersoon van een EBVBA hoofdelijk borg staat voor alle schulden ontstaan in de periode dat de vennootschap eenhoofdig was (art. 213, §2, 2de lid W.Venn.). Hoewel de enige vennoot enkel moet instaan voor de omvang van de schulden die werden aangegaan tijdens de eenhoofdigheid, geldt die aansprakelijkheid volgens het Hof ook ten aanzien van schuldeisers wier vordering dateert van vóór of  na de eenhoofdigheid. Bijgevolg, aldus het Hof, is de curator bevoegd om de aansprakelijkheid van de enige vennoot-rechtspersoon in rechte af te dwingen.

Op twee vlakken gaat dit arrest verder in op ingeslagen jurisprudentiële wegen:

Vooreerst  bevestigde het Hof daarmee zijn eerdere arresten over de bevoegdheid van de curator ten aanzien van de hoofdelijke aansprakelijke vennoten van een VOF, gewone Comm.V. en de CVOA.

Deze oplossing kent nochtans geen evident dogmatische fundering. De failliete (eenpersoons)vennootschap beschikt niet over een vordering tegen haar hoofdelijke aansprakelijke vennoten. De hoofdelijke aansprakelijkheid geldt immers enkel t.a.v. de schuldeisers van de vennootschap en niet t.a.v. de vennootschap zelf. Oefent de curator dan een boedelvordering uit die strekt tot herstel van het patrimonium van de gefailleerde ? Neen, want de curator beschikt in beginsel niet over méér rechten dan de gefailleerde zelf én bovendien is er in casu geen sprake van enige ‘schade’.

Bij de klassieke collectieve (rechts)vordering moet er sprake zijn van een “collectieve” schade in de zin van een stijging van het nettopassief of een daling van het nettoactief van de boedel, ook al heeft niet elke individuele schuldeiser daadwerkelijk schade geleden. In het onderliggende geval heeft de boedel echter géén schade geleden: ook als de vennootschap tijdens haar eenhoofdigheid floreerde, blijft de enige vennoot-rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden die toen werden aangegaan. De solvabiliteit van de (eenpersoons)vennootschap is dus irrelevant.

De vordering die de curator instelt, strekt dan ook niet tot herstel van enige boedelschade. In het mijlpaalarrest Unac (Cass. 12 februari 1981, Arr.Cass. 1980-81) stelde het Hof van Cassatie dat de curator niet de individuele vorderingsrechten van de schuldeisers in de massa uitoefent. De logische conclusie zou dan luiden dat de curator ter zake onbevoegd is.

Niet zo volgens het Hof, dat de bevoegdheid van de curator in dergelijke gevallen als volgt motiveert: de individuele vordering van de schuldeisers (van een VOF, Comm.V., CVOA of EBVBA) wordt na het faillissement van de vennootschap gecollectiviseerd omwille van de efficiënte afwikkeling van het faillissement en de gelijke behandeling van schuldeisers.

Wij zien echter nog een andere motivering voor deze casus. De aansprakelijkheidsvordering jegens de enige vennoot heeft, in tegenstelling tot de klassieke collectieve vordering, geen vergoedende functie. De hoofdelijke borgtocht, c.q. het verlies van beperkte aansprakelijkheid kwalificeert als een ”private straf”. Ze is bedoeld om de enige vennoot-rechtspersoon te disciplineren. Het is een cadeau van de wetgever voor de schuldeisers van de EBVBA, die hun vorderingen op een extra vermogen kunnen verhalen. Na faillissement komt die vordering toe aan de curator, die de gezamenlijke schuldeisers vertegenwoordigt..

Ten tweede bevestigt dit cassatiearrest een vonnis uit 2014 waarin geoordeeld werd dat de curator bevoegd is om de enige vennoot-rechtspersoon van een NV (die eenzelfde hoofdelijke borgtocht kent, zie art. 646 W.Venn.) aan te spreken voor de schulden die werden aangegaan tijdens de eenhoofdigheid.

Er is een grotere kans dat de curator een vordering instelt dan dat de schuldeisers allemaal individueel zullen vorderen, wat leidt tot een verhoogde afdwinging van de aansprakelijkheid. De proceskosten zullen lager liggen en bewijsproblemen zullen grotendeels verdwijnen omdat een schuldeiser niet langer moet aantonen dat zijn vordering dateert uit de periode van eenhoofdigheid. Het Hof van Cassatie maakt met deze interpretatie ook de afdwinging van de aansprakelijkheid buiten faillissement heel wat makkelijker. Elke schuldeiser kan immers vorderen, zelfs indien zijn vordering al bestond op het moment dat de BVBA eenhoofdig werd of dateert van na de eenhoofdigheid.

Deze rechtspraak valt daarom toe te juichen. Evenwel met die kanttekening dat schuldeisers na faillissement ook mogelijkheden moeten hebben om te (re)ageren indien de curator stilzit.

De volledige annotatie van het arrest werd gepubliceerd in TRV-RPS 2017, vol. 1, p. 44 e.v.

Roel Verheyden

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s