Uitkeringsverbod en belangeloos doel in VZW en stichting (studiemiddag Leuven en online, 6 maart 2026)

VZW’s en stichtingen spelen vandaag een centrale rol in uiteenlopende maatschappelijke en economische contexten. Sinds de beperking op economische activiteiten werd afgeschaft in 2019, is het uitkeringsverbod er de meest fundamentele regel, die deze rechtsvormen onderscheidt van vennootschappen. Ook het belangeloos doel heeft een prominentere betekenis gekregen in de juridische definitie van de VZW en de stichting. Toch rijzen er tal van vragen: Welke verrichtingen en welke doelen zijn toegelaten? Wat zijn de fiscale implicaties van het voeren van economische activiteiten? Wat is goed bestuur in VZW’s en stichtingen? En wie grijpt er in als het fout loopt?

Tijdens een studienamiddag op vrijdag 6 maart 2026 georganiseerde door het Jan Ronse Instituut voor vennootschaps – en financieel recht (KU Leuven) belichten academici en praktijkjuristen deze vragen vanuit een praktijkgerichte en kritische invalshoek. Daarbij komen onder meer de reikwijdte van het uitkeringsverbod en het belangeloos doel, de invulling van het verenigings- en stichtingsbelang, actiemogelijkheden bij wanbeheer en fiscale aandachtspunten aan bod.

Rode draad doorheen de studienamiddag is de commerciële uitgave van het doctoraat van Bram Van Baelen, Uitkeringsverbod en belangeloos doel bij VZW en stichting, waarin deze kernbegrippen uitvoerig worden geanalyseerd als structurele fundamenten van het hedendaagse verenigings- en stichtingsrecht.

PROGRAMMA
13u00 Verwelkoming

Sofie Cools

13u10 Toegelaten verrichtingen en verboden uitkeringen binnen VZW’s en stichtingen

Bram Van Baelen

13u35 Het belangeloos doel van VZW en stichting

Sofie Cools

14u00 Het gebruik van VZW’s en stichtingen in hybride groepsstructuren

Lisa Bueken

14u25 De not-for-profitsector, het WER en het WVV: een evaluatie

Marieke Wyckaert

14u50 Q&A

15u00 Pauze

15u30 Vennootschapsbelang, verenigingsbelang, stichtingsbelang

Joeri Vananroye

15u55 Goed bestuur in VZW’s: een stand van zaken

Marleen Denef

16u20 Actiemiddelen bij wanbeheer in VZW en stichting

Matthias Wauters

16u45 Fiscaliteit van VZW en stichting

Bram Devolder

17u10 Q&A

17u20 Slotwoord

Koen Geens

17u30 Receptie

PRIJS
De deelnameprijs bedraagt 215 EUR en omvat het boek Uitkeringsverbod en belangeloos doel bij VZW en stichting (winkelprijs 160 EUR). De documentatie wordt digitaal ter beschikking gesteld. Deelname via livestream is mogelijk.

INSCHRIJVINGSLINK

Inschrijven voor deze studiedag kan hier.

ERKENNINGEN

  • OVB – Orde van Vlaamse Balies (4 punten (C-2025-1128))
  • IBJ – Instituut voor bedrijfsjuristen (voortgezette opleiding – aangevraagd voor 4 punten)
  • IGO – Instituut voor Gerechtelijke Opleiding (TEC-E26110, excl. boek)
  • IBR – Instituut van de Bedrijfsrevisoren (categorie 3)
  • ITAA – Institute for Tax Advisors & Accountants (aangevraagd attest type A voor on campus deelname, attest type B voor livestream deelname – 4 uren)
  • Nationale Kamer van Notarissen (werd aangevraagd)

Steward ownership: enkel nobele intenties?

Een post door Sofie Cools en Lisa Bueken (Jan Ronse Instituut, KU Leuven)

1. In 2022 haalde het welbekende outdoormerk Patagonia de krantenkoppen toen oprichter Yvon Chouinard alle aandelen in Patagonia Inc. wegschonk aan een trust en een non-profitorganisatie. Patagonia Perpetual Purpose Trust ontving alle aandelen met stemrecht. De aandelen zonder stemrecht en mét winstrechten gingen naar de non-profit organisatie Holdfast Collective. De trust moet haar stemrechten op de algemene vergadering van Patagonia Inc. uitoefenen in lijn met de waarden van Patagonia Inc. en Holdfast Collective moet de dividenden die ze ontvangt van Patagonia Inc. gebruiken om de klimaatcrisis tegen te gaan. “Earth is now our only shareholder” luidde het. Op deze manier hoopte Yvon Chouinard de missie van Patagonia Inc. op lange termijn veilig te stellen.

2. De nieuwe eigendomsstructuur van Patagonia wordt gezien als een schoolvoorbeeld van steward ownership. Het begrip steward ownership vindt zijn oorsprong in Duitsland, waar het door de Purpose Foundation werd gelanceerd. Sindsdien is de steward ownership-beweging wereldwijd in opmars. In steeds meer landen ontstaan organisaties die het model promoten, zoals Steward-Owned in België. Heel wat literatuur over steward ownership is sterk gebaseerd op publicaties van dergelijke organisaties en daardoor soms een tikkeltje idealistisch. Het doel van deze bijdrage is om het fenomeen met een open blik, maar ook kritisch onder de loep te nemen.

Continue reading “Steward ownership: enkel nobele intenties?”

Zijn ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen onderworpen aan de patrimoniumtaks?

Een post door gastblogger Dirk Deschrijver

1. In artikel 147 W.Succ. staat dat “de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de private stichtingen, beheerst door het Wetboek van vennootschappen en verenigingen” vanaf 1 januari volgend op de datum van hun oprichting onderworpen zijn aan een jaarlijkse taks tot vergoeding van de successierechten.[1] Deze bepaling gaat terug op artikel 44, lid 1 van de wet van 27 juni 1921[2] waarin stond: “De vereenigingen zonder winstgevend doel en de instellingen van openbaar nut zijn onderhevig aan eene jaarlijksche belasting.” Het ging toen om de invoering van een jaarlijkse “taxe tot vergoeding der successierechten” ten belope van 0,10% op het brutovermogen van die lichamen. Vrijstellingen van die belasting werden toen niet voorzien. Daarentegen was er bijv. in artikel 2, § 1 van de wet van 17 oktober 1945[3], welke een éénmalige belasting van 5% op het kapitaal invoerde, wel sprake van een vrijstelling ten behoeve van “erkende mutualiteitsverenigingen.”[4]

Continue reading “Zijn ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen onderworpen aan de patrimoniumtaks?”

Taxing the rich (non-profits)? Een nieuwe regeling voor de patrimoniumtaks in de maak

Wetsontwerp houdende diverse fiscale bepalingen (DOC 55 3607/011)

Een opvallend bericht in De Tijd vandaag: de Kamercommissie voor financiën en begroting heeft een wetsontwerp besproken dat in de kader van de federale begroting onder meer de patrimoniumtaks wil aanpassen. De patrimoniumtaks (eigenlijk is de officiële naam “taks der successierechten”) heft vandaag een belasting van 0,17% op het totale vermogen van VZW’s, IVZW’s en private stichtingen (huidig artikel 147 Wetboek der Successierechten).

Bij de invoering van de patrimoniumtaks in 1921 luidde de idee dat de taks een compensatie vormt voor het feit dat VZW’s en stichtingen niet vaak worden ontbonden en dus zo ontsnappen aan de successierechten die een natuurlijke persoon wél betaalt waardoor de staat minder inkomsten had. Onderliggend speelde ook mee dat vermogen in een “dode hand” niet al te veel aanmoediging moest krijgen.[1] Voor vennootschappen met volkomen rechtspersoonlijkheid zoals de naamloze vennootschap was de taks niet nodig, want zij hadden een wettelijke maximumduur van 30 jaar.[2]

Continue reading “Taxing the rich (non-profits)? Een nieuwe regeling voor de patrimoniumtaks in de maak”

Civielrechtelijke bevoegdheden van het Openbaar Ministerie bij stichtingen en de ‘mondkapjesaffaire’

Rechtbank Amsterdam 21 juli 2022, JOR 2022/204 met noot Van Uchelen-Schipper.

Voor Belgische stichtingen kan het OM (naast anderen) op grond van art. 2:114 WVV de ontbinding van een stichting vorderen, ondere andere, indien het vermogen voor een ander doel wordt aangewend dan het doel waarvoor zij is opgericht; als het uitkeringsverbod wordt geschonden; of als de stichting in strijd handelt met het WVV of ‘in ernstige mate’ in strijd met de statuten. Zie voor een recente bespreking (voor gelijkaardige bepaling bij VZW’s): M. Verheyden, “Gerechtelijke ontbinding wegens schending van het uitkeringsverbod”, TBH 2022, 628 e.v. Art. 2:114 § 4 laat de rechtbank toe een ontbindingsvraag bij de doeloverschrijdende aanwending van het vermogen te vervangen door een vernietiging van de betrokken verrichtingen. Hoewel de wet dit niet met zoveel woorden stelt, kan worden aangenomen dat het OM (of een andere belanghebbende) ook zelfstandige de vernietiging van een doeloverschrijdende verrichting kan vorderen. Qui peut le plus, peut le moins. Het is niet duidelijk waarom het WVV niet hetzelfde zegt voor andere ontbindingsgronden.

In Nederland gaan de bevoegdheden van het OM verder. Marleen van Uchelen-Schipper, universitair docent/onderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam (UvA), bespreekt dit n.a.v. de zgn. ‘mondkapjesaffaire’.

* * *

Continue readingCivielrechtelijke bevoegdheden van het Openbaar Ministerie bij stichtingen en de ‘mondkapjesaffaire’

De coöperatieve vennootschappen onder het WVV: wie zijn ze, wat doen ze, wat drijft hen?°

Een post door gastblogger Maxime Verheyden (doctoraatsbursaal KU Leuven)

“De coöperatieve vennootschap (“CV”) is onder het WVV voorbehouden aan de ‘eigenlijke coöperatieve vennootschappen’” en “de BV is aangepast om de ondernemingen te ontvangen die voorheen om flexibiliteitsredenen voor de CVBA kozen, zoals vrije beroepers”.

Het zijn centrale krachtlijnen van de hervorming van het CV-recht door het WVV, die meermaals worden aangehaald in de memorie van toelichting en klassiek werden overgenomen in de meeste eerste rechtsleer. Recentere bijdragen toonden echter aan dat de CV en de BV nog meer verschillen dan bovenstaande tweede stelling doet vermoeden,[1] zodat de vraag naar de grenzen en afdwingbaarheid van het voorbehoud van de CV voor eigenlijke coöperatieven aan belang wint. De ruime libellering van de wettelijke definitie laat echter veel ruimte voor interpretatie, al is volgens een deel van de rechtsleer en de minister van justitie bij de rechtsvormkeuze[2] (minstens voorzichtigheidshalve) rekening te houden met de meermaals in de memorie van toelichting aangehaalde coöperatieve beginselen van de International Co-operatieve Alliance (“ICA-beginselen”). Maar wat betekenen die zeven logischerwijze eerder algemeen geformuleerde beginselen nu concreet voor de organisatie van een vennootschap naar Belgisch recht? En welke adelbrieven biedt de CV dan überhaupt nog in vergelijking met de veiligere keuze, de BV? En, ten slotte, welke rechtsvormkeuze maken de voormalige CVBA’s en, meer algemeen, wat voor vennootschappen kiest onder het WVV nog voor de coöperatieve rechtsvorm? Deze drie vragen, waarop het antwoord kan bijdragen tot een weloverwogen afweging van risico’s, nadelen en voordelen van de keuze voor de CV, staan centraal in mijn bijdrage in het laatste nummer van het Notarieel en Fiscaal maandblad.[3] In deze blogpost sta ik stil bij een aantal bevindingen van dat onderzoek.

Continue reading “De coöperatieve vennootschappen onder het WVV: wie zijn ze, wat doen ze, wat drijft hen?°”

De balans van twee jaar Boek XX WER voor not-for-profit organisaties

Sinds 1 mei 2018 kunnen vzw’s, ivzw’s en stichtingen het voorwerp worden van een procedure tot gerechtelijke reorganisatie of faillissement. Boek XX van het Wetboek van economisch recht (WER) breidde het personeel toepassingsgebied van insolventieprocedures uit naar een formeel ondernemingsbegrip. En dat laatste bleef niet zonder gevolg: tussen 1 mei 2018 en 1 mei 2020 gingen 437 vzw’s, 4 internationale vzw’s en 7 private stichtingen failliet.

In een recente bijdrage voor het Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht wordt twee jaar na de inwerkingtreding van Boek XX WER een empirische analyse gemaakt van de gevolgen van de nieuwe insolventieprocedures op rechtspersonen uit de not-for-profit sector.

Vijf vaststellingen

Het onderzoek leidt tot een aantal interessante vaststellingen:

Continue reading “De balans van twee jaar Boek XX WER voor not-for-profit organisaties”

Maatschap en feitelijke vereniging in licht van het formeel ondernemingsbegrip

D. Van Gerven: “Wat wijzigt er voor stichting, VZW, IVZW, maatschap, feitelijke vereniging en voor hun leden en bestuurders?”

In het onlangs verschenen boek Leerstukken Ondernemingsrecht bespreekt stafhouder Dirk Van Gerven wat er wijzigt voor stichting, VZW, IVZW, maatschap, feitelijke vereniging en voor hun leden en bestuurders. Over de maatschap en de feitelijke vereniging in het licht van het formeel ondernemingsbegrip schrijft hij onder meer:

“Uit (c) [van art. I.1,1° WER] volgt dat de maatschap een onderneming is. Zij is een organisatie zonder rechtspersoonlijkheid. Kenmerkend is haar afgescheiden vermogen dat gepaard gaat met een eigen bestuur en dus organogram; zij vormt een afzonderlijke organisatie, ook al heeft ze geen rechtspersoonlijkheid.[1] De maatschap kan overigens strafrechtelijk ter verantwoording worden geroepen (art. 5, derde lid Sw.). Wat geldt voor de maatschap geldt ook voor de stille vennootschap en de tijdelijke vennootschap, die in wezen varianten zijn op de maatschap. De tijdelijke vennootschap wordt afgeschaft in het WVV (de maatschap kan daarvoor dienen) en de stille vennootschap zal  door het leven gaan als de stille maatschap, een bijzondere vorm van maatschap.[2]

Wordt uitgesloten: “iedere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid die geen uitkeringsoogmerk heeft en die ook in feite geen uitkeringen verricht aan haar leden of aan personen die een beslissende invloed uitoefenen op het beleid van de organisatie” (art. I.1, 1°, tweede lid, (a) WER). Continue reading “Maatschap en feitelijke vereniging in licht van het formeel ondernemingsbegrip”

Wat kan in een VZW: verlies naast de wettelijke specialiteit de actio pauliana niet uit het oog

Gillis Lindemans in VZW Actueel

Voor VZW Actueelschreef Gillis Lindemans een speciale bijdrage over
de schuldeisersbescherming in de VZW. Hij begint met de analyse hoe de “verenigingsrechtelijke” norm van de wettelijke specialiteit soms te kort schiet:

“Grens van het toelaatbare niet altijd even duidelijk

Een VZW kent uiteraard geen regels over dividenduitkering. Toch kunnen insiders zichzelf of anderen verrijken ten koste van het verenigingsvermogen, zij het dan op
een minder pasklare wijze. Zoals aangegeven, bestaat de grens van het toelaatbare daarbij in de wettelijke specialiteit van de VZW, zoals neergelegd in art. 1:2 WVV. Continue reading “Wat kan in een VZW: verlies naast de wettelijke specialiteit de actio pauliana niet uit het oog”

Werd het badstopje uit de kuip van het VZW- en stichtingsrecht getrokken?

Uit een vorige post bleek dat in het WVV het onderscheidingscriterium tussen vennootschappen en verenigingen op papier scherp lijkt, maar bij nader toezien eerder cosmetisch is.

So what? Wordt er wel een maatschappelijk belang gediend door een onderscheid tussen vennootschappen en verenigingen? Waarom zou de wetgever überhaupt nog de vormen van een vereniging of stichting aanbieden?  De methodologische twijfel over hun bestaansreden biedt inzicht in de wijze waarop deze vormen, en in het bijzonder hun wettelijke specialiteit, wetgevend moeten worden ingevuld. Deze oefening laat toe ook de oplossingen van het WVV te evalueren. Onze conclusie daarbij is dat de nieuwe regels in belangrijke mate de Belgische verenigings- of stichtingsvormen hun nuttige signaalfunctie ontnemen.

Continue reading “Werd het badstopje uit de kuip van het VZW- en stichtingsrecht getrokken?”

Hoe vlak is het speelveld tussen vennootschappen en verenigingen?

Is er nood aan oprichtersaansprakelijkheid in een VZW?

De VZW was volgens art. 1 al. 3 VZW-Wet een vereniging “welke niet nijverheids- of handelszaken drijft”.  Art. 1 al. 3 VZW-Wet was eigenaardig descriptief geformuleerd. Dit moest ondanks die formulering als een verbod worden gelezen.

Het WVV herneemt deze beperking niet langer voor VZW’s. Deze post argumenteert dat dit een goede zaak is, maar stelt de vraag of het vennootschapsrecht, anders dan het ondernemingsrecht, de consequenties van deze keuze wel heeft doorgetrokken. Continue reading “Hoe vlak is het speelveld tussen vennootschappen en verenigingen?”

Over trans-vennootschappen en cis-verenigingen

Omnis definitio in jure civili periculosa est

In een vorige post haalden we reeds de definities van “vennootschap” en “vereniging” in het WVV aan. Deze definities bepalen wat een organisatie die voor een van deze vormen heeft gekozen kan en/of moet doen. Daarmee verschillen ze van de gebruikelijke functie van een juridische definitie die meestal een toepassingsgebied wil afbakenen.

Opvallend aan deze definities is de normatieve hooi die op de legistieke vork wordt genomen. De definities proberen in twee korte artikelen meerdere doelstellingen tegelijkertijd te bereiken:

(1) Er wordt één uitkeringscriterium opgelegd dat tegelijk zegt wat een vennootschap moet doen en oplegt wat een vereniging niet mag doen.

(2) Datzelfde uitkeringscriterium geldt zowel voor eigenlijke uitkeringen als voor onrechtstreekse vermogensvoordelen.

(3) Met één criterium (belangeloos doel) wordt opgelegd wat de doelstelling van een VZW zelf moet zijn en de norm waaraan eventuele uitkeringen door een VZW moeten aan voldoen.

In deze post willen we aantonen dat deze legistieke spaarzaamheid nut onwenselijke gevolgen heeft . Continue reading “Over trans-vennootschappen en cis-verenigingen”

Definities in het WVV: enkele afgegrensde beschouwingen

Omnis definitio in jure civili periculosa est

1.

Een definitie in het recht heeft meestal als functie het toepassingsgebied van een regel af te grenzen. Indien een bepaalde feitenconstellatie onder de definitie valt, wordt er een kwalificatie opgeplakt met bepaalde rechtsgevolgen als consequentie. Roekeloos rijgedrag, wordt gekwalificeerd als een onrechtmatige daad met als gevolg een schadevergoedingsplicht voor schade veroorzaakt door dat gedrag. Wie als natuurlijke persoon zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent, wordt gekwalificeerd als onderneming met een inschrijvingsplicht in het KBO of een boekhoudplicht als gevolg. 

2.

De definities van een vennootschap of vereniging in het WVV hebben deze gebruikelijke functie niét: Continue reading “Definities in het WVV: enkele afgegrensde beschouwingen”

Het winstoogmerk als onvermoed instrument van schuldeisersbescherming

“Over de schutting” | Oratie gehouden op 1 april 2019 te Leiden ter gelegenheid van de TPR Wisselleerstoel (5)

In het Belgische vennootschapsrecht staat het winstoogmerk centraal, ook na de invoering van het WVV (zie art. 1:1). De vennootschap heeft een plicht om gericht te zijn op uitkeringen, hetzij bij leven door middel van dividenden of andere uitkeringen hetzij door middel van een liquidatie-overschot.

In de 19de eeuw werd aan dit uitkeringsgebod zeer streng de hand gehouden. Het was een wapen tegen gebruik – in de toenmalige perceptie van de liberale juridische elite: ‘misbruik’ – van de vennootschapsvorm voor non profit doeleinden, in het bijzonder kerkelijke gestichten zoals kloosters of colleges (zie hier mijn rede hierover in het Hof van Cassatie bij de opening van het gerechtelijk jaar in 2012). Dit werd beschouwd als een terugkeer naar de mainmorte, de dode hand, van voor de Franse revolutie.

De Universiteit van Leuven, bijvoorbeeld, verloor haar rechtspersoonlijkheid in 1797 bij de inlijving van de zuidelijke Nederlanden bij Frankrijk en kreeg die pas terug in 1911. De huidige KU Leuven – met als officiële naam “Katholieke Universiteit te Leuven” –  is overigens nog een andere rechtspersoon dan die uit 1911 en werd door de oude Universiteit opgericht bij de splitsing in een Nederlandstalige en een Franstalige universiteit. De juridische splitsing bestond nog niet. De oude Universiteit uit 1911,  “Université Catholique de Louvain – Katholieke Universiteit te Leuven”, bestaat nog als rechtspersoon. De fonds de commerce van deze oude Universiteit werd overgedragen aan de twee opvolgers. (Er zijn me geen berichten bekend van verhaalsbenadeling bij deze nochtans delicate operatie.)  Continue reading “Het winstoogmerk als onvermoed instrument van schuldeisersbescherming”

Het WVV als middel tegen terreur: strengere transparantieverplichtingen voor VZW’s en stichtingen

Nog voor de goedkeuring van het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verengingen (WVV) werd er in de Kamercommissie Handels – en Economisch Recht al een wetsvoorstel ingediend tot wijziging van datzelfde WVV. Concreet voorziet het wetvoorstel in een algemene verplichting voor VZW’s en stichtingen om hun jaarrekening bij de NBB neer te leggen en de verplichting om alle inkomende en uitgaande giften te registreren.

Het ingediende wetsvoorstel beoogt meer transparantie te verkrijgen inzake de financiering van VZW’s, IVZW’s en stichtingen en is bedoeld als een anti-terreurmaatregel. Hoewel het goedgekeurde WVV hierover geen woord rept, hebben een aantal volksvertegenwoordigers alsnog een wetsvoorstel ingediend om hier aan tegemoet te komen. Continue reading “Het WVV als middel tegen terreur: strengere transparantieverplichtingen voor VZW’s en stichtingen”