Het lot van vordering tot ontbinding wegens ontoereikend actief in de BVBA na inwerkingtreding WVV

Cass. 19 mei 2025 (C.22.0246.N): geen ontbinding meer na inwerkingtreding WVV, ook al werd de vordering eerder ingesteld

Art. 333 W.Venn. gaf iedere belanghebbende het recht de ontbinding van een BVBA te vorderen voor de rechtbank, wanneer het netto-actief is gedaald tot beneden het bedrag van 6.200 euro. Indien de drempel was bereikt, kon de rechtbank de vennootschap hoogstens nog een cure period geven om het netto-actief terug boven de minimumdrempel te brengen.

Een gelijkaardige regel staat nog altijd in art. 7:229 WVV voor de NV (met strengere drempels). Voor de BV werd deze ontbindingsmogelijkheid opgeheven met de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.

Continue reading “Het lot van vordering tot ontbinding wegens ontoereikend actief in de BVBA na inwerkingtreding WVV”

​​​De gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord – grote ondernemingen

Vandaag mocht ik een presentatie geven over de belangrijkste regels inzake de gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord, stelsel grote ondernemingen. De presentatie beoogt enig inzicht te bieden in de fundamentele bouwstenen van een dergelijke collectief akkoord. De slides kunnen hieronder worden geconsulteerd.

Een voorbeeld van legistieke ‘content drift’: art. 4:23 WVV

Eerder kwam hier legistieke ‘linkrot‘ aan bod, waarbij een bepaling verwijst naar een ander bepaling die intussen werd opgeheven. Een andere vorm van legistieke ‘referentie rot’ is content drift waarbij een artikel verwijst naar een andere bepaling, die formeel nog wel bestaat, maar waarbij de inhoud van de bepaling waarnaar verwezen wordt intussen niet meer relevant is. Dit is mogelijk nog vervelender omdat het voor de lezer, anders dan bij een verbroken link, niet meteen duidelijk is dat er een fout in de verwijzing is.

Een voorbeeld hiervan is art. 4:23 WVV. Dit artikel verklaart o.a. de bepalingen van de maatschap van toepassing op de VOF en CommV, met enkele uitzonderingen die vooral te maken hebben met de afwezigheid van rechtspersoonlijkheid bij de maatschap.

Continue reading “Een voorbeeld van legistieke ‘content drift’: art. 4:23 WVV”

Nieuw recht inzake persoonlijke zekerheden: studiemiddag te Leuven (9 september 2025) en Kortrijk (8 oktober 2025)

Persoonlijke zekerheden na goedkeuring boek 9.1 BW: save the date

Op 1 januari 2026 treedt de nieuwe regeling inzake persoonlijke zekerheden in werking, als onderdeel van het BW (Boek 9, Titel 1). De wet bevat een uitgewerkte regeling inzake borgtocht en autonome garantie, maar ook bijzondere bepalingen inzake consumentenborgtocht. Deze mechanismen worden ook afgebakend tegenover hoofdelijkheid tot zekerheid, sterkmaking tot zekerheid en, de patronaatsverklaring.

Op een studienamiddag van de KU Leuven te Leuven (9 september 2025, met livestream) en Kortrijk (8 oktober 2025 bespreken experts de hervormde wettelijke regels besproken met het oog op de praktijk. Deelnemers aan een van deze studienamiddagen krijgen een verslagboek toegestuurd.

Op het programma:

  • Algemene inleiding ~ Prof. dr. Vincent Sagaert (KU Leuven en KULAK)
  • Borgtocht ~ Prof. dr. em. Matthias Storme (KU Leuven, advocaat)
  • Consumentenborg ~ Mr. Dominique Blommaert (advocaat te Brussel en Gent)
  • Autonome garantie ~ Mr. Charles-Antoine Leunen (advocaat te Brussel, vrijwillige wetenschappelijk medewerker Instituut Handels- en Insolventierecht KU Leuven)
  • Andere zekerheidsmechanismen (bindende patronaatsverklaring, hoofdelijkheid  tot zekerheid en sterkmaking tot zekerheid) ~ Prof. dr. Joeri Vananroye (KU Leuven, advocaat)

Meer informatie en inschrijvingslink in de links voor Leuven (9 september 2025) en Kortrijk.

Boek 9 Titel 1 BW (persoonlijke zekerheden) goedgekeurd in Kamer

De plenaire vergadering van de Kamer keurde vanavond Boek 9 Titel 1 BW goed. We hernemen graag de tekst die professor Sagaert, een van de experten die aan deze tekst werkten, zo-even op LinkedIn schreef:

“Alle eer en lof voor deze hervorming zijn voor wijlen Professor Eric Dirix, die het eerste ontwerp van deze wet schreef. We hadden er veel voor over gehad om dit met hem te mogen meemaken.  Niet omwille van de persoon, maar omwille van de inhoud, die bij Eric Dirix altijd centraal moest staan. Van die inhoud durven we in bescheidenheid hopen dat die zo goed mogelijk is.”

Grondwettelijk Hof ziet geen graten in de vervaltermijn voor terugvordering eigendom bij faillissement

Arrest nr. 80/2025 van 15 mei 2025

Eerder kwam hier (zie posts door Van Hoe en Verlaeckt) aan bod hoe het Hof van Cassatie een prejudiciële vraag stelde aan het Grondwettelijk Hof over art. XX.194 WER. Dit artikel verplicht de eigenaar van goederen die in het bezit zijn van de gefailleerde (bv. een onbetaalde verkoper die eigendomsvoorbehoud heeft bedongen) tot snel handelen. Op straffe van verval moet de rechtsvordering tot terugvordering worden ingesteld voor de neerlegging van het eerste proces-verbaal tot verificatie van de schuldvorderingen.

In een arrest van vandaag 15 mei oordeelt het Grondwettelijk Hof dat Art. XX.194, al. 2 WER geen schending uitmaakt van art. 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol EVRM.

Waar voornoemde posts in hun analyse de vraag centraal stellen of de rechten van de eigenaar na een verkoop door de curator overgaan op de prijs ervan, blijft zaaksvervanging afwezig in de belangenafweging door het Grondwettelijk Hof. Voor het Hof is het voldoende dat de eigenaar, zoals wij allemaal uiteraard, het Belgisch Staatsblad zal lezen en dan voldoende tijd heeft om actie te ondernemen.

Dat verbaast omdat het Hof van Cassatie een jaartje geleden heeft geoordeeld dat voornoemde vervaltermijn ook geldt in de afwezigheid van een contractuele relatie tussen de eigenaar en de gefailleerde.

Keep calm and trust common sense: hernieuwing van een hypothecaire inschrijving blijft nodig na een faillissement volgens het Hof van Cassatie, of toch niet helemaal?

Een post door gastblogger Mr. Cedric Haspeslagh

Om het met de woorden van S. CARPENTER te zeggen: “These are fast times and fast nights. No time for rewrites”. Of iets traditioneler: ius vigilantibus est.

Dat ‘te laat te laat’ is en een schuldeiser daar soms mee moet leven, heeft een hypothecaire schuldeiser ervaren in de zaak die geleid heeft tot een cassatiearrest van 28 april 2025 (AR C.22.0419.F).

De soep hoeft evenwel niet zo heet opgegeten te worden als ze op het eerste gezicht werd opgediend.

Continue reading “Keep calm and trust common sense: hernieuwing van een hypothecaire inschrijving blijft nodig na een faillissement volgens het Hof van Cassatie, of toch niet helemaal?”

Sire, er is geen samenloop meer (Cassatie 28 april 2025)

In haar magistrale proefschrift beschrijft M. Grégoire de (gevolgen van de) samenloop als volgt (p. 28, nr. 41):

Au moment de sa réalisation, chaque créance s’empare de la part abstraite du patrimoine qui peut lui être attribuée en fonction de l’importance des autres droits en concours. La procédure consécutive ne fait que concrétiser ce partage intellectuel. L’équilibre entre les droits en concours est donc fixé, par exemple, au moment du jugement déclaratif de faillite, de l’homologation du concordat par abandon d’actif, ou encore de l’assemblée générale qui décide de la mise en liquidation de la société.

In minder elegante (eigen) bewoordingen gesteld: de samenloop legt de onderlinge rangschikking der schuldeisers vast en bepaalt wat de schuldeisers – in functie van deze rangschikking – zullen ontvangen in het kader van de relevante procedure (vgl. Dirix/de Corte, Zekerheidsrechten, p. 37, nr. 41: “Vanaf dat ogenblik [samenloop] worden de aanspraken van de schuldeisers in hun onderlinge verhouding onherroepelijk vastgelegd (het fixatiebeginsel“).

Laten we dit principe toepassen op volgende casus: op 30 juni 1983 verleent een bank een krediet aan een vennootschap. Enkele weken later (meer bepaald op 13 juli 1983) wordt de hypotheek netjes ingeschreven. Op 12 september 2011 wordt de schuldenaar failliet verklaard. De afwikkeling van het faillissement – zo gaat dat nu eenmaal – vergt enige tijd. Op 13 juli 2013 vervalt de hypothecaire inschrijving, bij gebrek aan hernieuwing. In 2016 wordt het onroerend goed verkocht. Bij de verdeling van de opbrengst ervan wordt geen rekening gehouden met de hypotheek zoals ingeschreven op 13 juli 1983. Quid?

Wanneer we teruggrijpen naar de inleidende citaten is het antwoord helder: op 12 september 2011, dag van het openvallen van het faillissement, was er wel degelijk een aan de boedel tegenstelbare hypotheek, en aangezien de race tussen de schuldeisers wordt beslecht op die dag, hebben latere gebeurtenissen geen invloed op de rangschikking tussen de schuldeisers. Veel juristen zouden deze casus in die zin oplossen en studenten zouden voor dit antwoord goede punten krijgen (maar deze casus zou zeker niet de moeilijkste vraag op het examen zijn).

Komen we evenwel tot het cassatiearrest van 28 april 2025. Met dit arrest, en in zeer duidelijke bewoordingen, besluit het Hof van Cassatie tot een totaal andere uitkomst. De kernoverwegingen van het Hof luiden als volgt:

Il suit de la combinaison de ces dispositions que, si le jugement déclaratif de faillite entraîne le dessaisissement du débiteur et fait naître un concours entre les créanciers, seuls les droits des créanciers chirographaires et privilégiés généraux sont cristallisés au jour de la faillite.

Il s’ensuit que, lorsque le délai de validité de l’inscription hypothécaire prise par un créancier expire après le jugement déclaratif de la faillite du débiteur, ce créancier est tenu de procéder au renouvellement de son inscription pour conserver son droit de préférence jusqu’à ce qu’il soit reporté sur le prix du bien hypothéqué.

De zekerheid van de samenloop blijkt plots niet zo zeker te zijn voor de hypothecaire schuldeiser (en bij uitbreiding andere titularissen van bijzondere zekerheden). Vanuit doctrinair oogpunt laat dit arrest zich maar moeilijk inpassen in de theorie van het insolventierecht, zoals deze de voorbije decennia gaandeweg vorm heeft gekregen (zie, E. Dirix, Van alle markten. Liber Amicorum Eddy Wymeersch, 2008, p. 415, nr. 4 (met verwijzing naar Thomas Jackson): “Wat de zakelijke zekerheidsrechten betreft, is de opening van de procedure het moment waarop hun faillissementsbestendigheid moet worden vastgesteld en hun rangorde bepaald.“).

Sire, er is geen samenloop meer.

Edit – met toevoeging van het arrest, zoals gepubliceerd na de initiële post.

Opleidingscyclus begeleiding van de reorganisatie van een onderneming in moeilijkheden

In een onzeker economisch klimaat is de rol van de herstructureringsdeskundige nog nooit zo essentieel geweest. Deze professioneel staat centraal in de wetgeving met betrekking tot de reorganisatie van ondernemingen in moeilijkheden. Vooral bij de besloten gerechtelijke reorganisatieprocedures en bij de ondernemingsbemiddeling stelt de ondernemingsrechtbank een herstructureringsdeskundige aan om bij te dragen tot het bewaren van de continuïteit van de activiteiten van een onderneming in moeilijkheden. Onder toezicht van de rechtbank helpt deze gerechtsmandataris ondernemingen en schuldeisers bij het bereiken van minnelijke of collectieve akkoorden, waarbij hij gebruik maakt van een reeks specifieke wettelijke voorzieningen.

Als antwoord op de groeiende complexiteit van deze opdracht werd een cyclus van vormingssessies ontwikkeld zodat actuele en toekomstige herstructureringsdeskundigen de vaardigheden kunnen verwerven die ze nodig hebben om hun rol uit te oefenen. Voor andere profielen kunnen deze sessies natuurlijk ook interessant zijn.

PROGRAMMA

 Sessie 1 – 13 mei 2025: ​Insolventie 1

13.00 u – 15.00 u ​​​Basisbegrippen van het insolventierecht
​ ​ ​​​Ivan Verougstraete

15.30 u – 17.30 u ​De Kamer voor ondernemingen in moeilijkheden – nieuwe functies en beleid
​ ​ ​​​Frank Taildeman en Theo Raedschelders

✅ Sessie 2 – 2 juni 2025: ​Insolventie 2

13.00 u – 15.00 u ​Buitengerechtelijke reorganisatie, minnelijk akkoord en besloten gerechtelijke reorganisatie
​ ​ ​​Bart De Moor

15.30 u – 17.30 u ​Publieke gerechtelijke reorganisatie door minnelijk akkoord en door collectief akkoord
​ ​ Joan Dubaere

✅ Sessie 3 – 19 juni 2025: ​Insolventie 3

13.00 u – 15.00 u ​​​De gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord – grote ondernemingen
​ ​ ​​ ​ ​Arie Van Hoe

15.30 u – 17.30 u ​De overdracht onder gerechtelijk gezag
​ ​ ​​ ​ ​Ilse Van de Mierop

✅ Sessie 4 – 18 september 2025: ​Insolventie 4

13.00 u – 15.00 u De faillissementsvoorwaarden, alarmbel, schending openbare orde
​ ​ ​​ ​ ​Karlien Schatteman

15.30 u – 17.30 u Gedwongen uitvoering en beslag bij insolventieprocedures
​ ​ ​Stan Brijs

✅ Sessie 5 – 30 september 2025: ​Financiële en fiscale aspecten van ondernemingen in moeilijkheden 1

13.00 u – 15.00 u ​Financieel inzicht in de onderneming
​ ​ ​​ ​ ​Frank Taildeman en Theo Raedschelders

15.30 u – 17.30 u ​Analyse van de jaarrekening van een onderneming in moeilijkheden
​ ​ ​​​Frank Taildeman en Theo Raedschelders

✅ Sessie 6 – 14 oktober 2025: ​Financiële en fiscale aspecten van ondernemingen in moeilijkheden 2

13.00 u – 15.00 u Het herstructureringsplan en de waardebepaling van ondernemingen in boek XX WER
​ ​ ​​​Philippe Fimmers, Olivier Van Nes en Frederik De Leo

15.30 u – 17.30 u Fiscale aspecten gelinkt aan ondernemingen in moeilijkheden
​ ​ ​​​Christian Van Craeyvelt en Jean-Louis Vansimaeys

 Sessie 7 – 6 november 2025: Onderhandelen en bemiddelen 1
13.00 u – 15.00 u ​​​De beredeneerde onderhandelingen (principled negotiation) deel 1
​ ​ ​​ ​ ​Helena De Backer

15.30 u – 17.30 u ​De beredeneerde onderhandelingen (principled negotiation) deel 2
​ ​ ​​​Helena De Backer

✅ Sessie 8 – 18 november 2025: Onderhandelen en bemiddelen 2

13.00 u – 15.00 u ​De onderhandelingen met de commerciële schuldeisers
​ ​ ​​Theo De Beir

15.30 u – 17.30 u ​De onderhandelingen met de belastingadministratie en de RSZ
​ ​ ​ ​​​Theo De Beir

✅ Sessie 9 – 27 november 2025: Deontologie

13.00 u – 15.00 u ​​Deontologie van de advocaat, van de gerechtsmandataris en van de bemiddelaar
​ ​ ​​​Bart De Moor

15.30 u – 17.30 u ​De informatie- en consultatieverplichtingen in geval van herstructurering van ondernemingen
​ ​ ​​ ​ ​Stefanie Tack

Meer informatie: hier.

Adviezen van CASAVV over (i) de volmacht voor de AV in een eenhoofdige NV of BV en (ii) de vorm van een carensvergadering voor een authentieke wijziging

Op de website van het Adviescomité inzake Vennootschappen en Verenigingen (van het FedNot en BCV) staan twee nieuwe adviezen over de volgende vragen:

  • Is het in de eenhoofdige BV/NV mogelijk om een volmacht te verlenen voor deelneming aan de algemene vergadering? Het Comité concludeert dat een bijzondere volmacht door de aandeelhouder van een eenhoofdige BV/NV voor één of meer welbepaalde vergaderingen of beslissingen is toegestaan. Een algemene, definitieve of onherroepelijke delegatie van de bevoegdheden van de enige aandeelhouder is volgens het Comité niet geoorloofd.
  • Moeten de notulen van een carensvergadering voor een authentieke wijziging ook authentiek vastgesteld worden, of mag deze onderhands? Het Comité is van mening dat indien de algemene vergadering vaststelt dat ze niet in getal is om geldig te beraadslagen, deze ontstentenis moet worden vastgesteld in de notulen van de vergadering en de zitting moet worden opgeheven. Het is echter geen verplichting dat deze notulen authentiek worden opgemaakt.

Wanneer privébedrijven raken aan het algemeen belang: lessen trekken uit de British Steel-saga

Crisis bij British Steel – een blog door gastblogger Noor Mendonck (UGent)

Afgelopen weekend kwam British Steel (de Britse staalgigant) herhaaldelijk in het nieuws, omdat het bedrijf in ernstige moeilijkheden verkeert. De Chinese Jingye Group, die het vijf jaar geleden nog van een faillissement redde via een overname, besloot de hoogovens in Scunthorpe (in het noorden van het VK) te sluiten vanwege de enorme financiële verliezen die ze veroorzaken. Die sluiting zou volgens Businss Secretary Jonathan Reynolds echter extreem duur én gevaarlijk zijn, wat ertoe leidde dat het Britse parlement zich op zaterdag 12 april genoodzaakt zag om uitzonderlijk samen te komen en noodwetgeving goed te keuren. Het is pas de zesde keer sinds de Tweede Wereldoorlog dat het parlement in het weekend bijeenkomt, een duidelijke indicatie van het belang dat ze aan deze zaak hechten.[1]

Binnen een termijn van één dag werd de Steel Industry (Special Measures) Act 2025 van kracht: een korte, doelgerichte wet, speciaal opgesteld om de situatie in Scunthorpe het hoofd te bieden. De wet voorziet nog niet in een nationalisering van het bedrijf, maar geeft de bevoegde minister wel verregaande bevoegdheden. Zo kan de minister formele en bindende instructies geven over het beheer van het bedrijf. Als die instructies niet worden gevolgd, mag de overheid rechtstreeks zelf ingrijpen om het in stand houden van de hoogovens te verzekeren. Opmerkelijk is dat de wet dit enkel toestaat wanneer het algemeen belang in het gedrag komt. Daarmee geeft de overheid impliciet te kennen dat zij de situatie in Scunthorpe beschouwd als rakend aan het algemeen belang (artikel 2-3 Steel Industry (Special Measures) Act 2025).

Aangezien Jingye in theorie nog steeds het bedrijf leidt, bepaalt de nieuwe wet ook dat iedereen die werknemers tegenhoudt bij het uitvoeren van de instructies van de minister, daarmee een overtreding begaat. Daarnaast voorziet de wet in een compensatieregeling: werknemers die door Jingye worden ontslagen, kunnen toch worden uitbetaald. Jonathan Reynolds heeft bovendien niet uitgesloten dat een nationalisering op termijn een reële optie blijft.

Verklaring van het hevige overheidsingrijpen

Continue reading “Wanneer privébedrijven raken aan het algemeen belang: lessen trekken uit de British Steel-saga”

Artikel 4:14 WVV: De olifant uit de porseleinwinkel in de bouwkamer

Mrs. van Riel en Deckers (Schoups advocaten) over hoofdelijke aansprakelijkheid in de maatschap

Een bepaling uit het WVV zorgt voor ophef in het bouwrecht. De Ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen paste in een vonnis van 27 juni 2024[i] voor het eerst artikel 4:14 WVV in een context van tijdelijke maatschappen. Het gebruikte “de activiteiten van de maatschap” daarbij als autonoom toerekeningscriterium voor de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vennoten. Was dit een accident waiting to happen – en blijft het bij één accident – of is er meer aan de hand? En wat zijn de implicaties voor de praktijk?

Continue reading “Artikel 4:14 WVV: De olifant uit de porseleinwinkel in de bouwkamer”

Het verleden is niet het verleden voor vennootschapsbestuurders – Cass. 6 maart 2025

Just when I thought I was out, they pull me back in!”, was de frustrerende vaststelling van de sympathieke leider van een dynamisch familiebedrijf. Eenzelfde gevoel kan bestuurders van vennootschappen overvallen wanneer ze het cassatiearrest van 6 maart 2025 analyseren.

Dit arrest heeft betrekking op de bijzondere faillissementsaansprakelijkheid t.a.v. de RSZ. Deze aansprakelijkheid zat voorheen vervat in art. 265 § 2 Wetboek Vennootschappen (althans wat de BV(BA) betreft) en is thans terug te vinden in art. XX. 226 WER.

Wat houdt het regime in? De bestuurder van een failliete vennootschap die in de loop van de periode van vijf jaar voorafgaand aan de faillietverklaring, betrokken is geweest bij minstens twee faillissementen of vereffeningen van ondernemingen waarbij schulden ten aanzien van een inningsorganisme van de sociale zekerheidsbijdragen onbetaald zijn gebleven, loopt een bijzonder risico. Immers, op vordering van de RSZ of van de curator kan deze bestuurder (in het kader van het derde faillissement dus) persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor het geheel of een deel van alle op het ogenblik van de uitspraak van het faillissement verschuldigde sociale bijdragen met inbegrip van de verwijlinteresten.

In het arrest van 6 maart 2025 stond het begrip “betrokken” centraal. Veronderstelt dit begrip dat de bestuurder op het ogenblik van de eerdere faillissementen nog daadwerkelijk bestuurder was of volstaat het dat hij ooit bestuurder is geweest van deze vennootschappen (ook wanneer hij dat niet meer is wanneer de eerdere faillissementen werden uitgesproken)? Het Hof van Cassatie antwoordt in de tweede zin:

L’implication d’une personne dans la faillite d’une société entraînant des dettes de cotisations sociales se déduit de sa seule qualité d’administrateur ou de gérant, de droit ou de fait, de cette société, lors même qu’elle n’a plus cette qualité lors de la déclaration de faillite de celle-ci.

Voor vennootschapsbestuurders is dit weinig opbeurende lectuur. Laten we dit duidelijk maken met een voorbeeld. Jef was van 1998 tot 2007 bestuurder van vennootschap X, samen met zijn toenmalige vriendin Bea. Toen de amoureuze wegen zich scheidden, nam Jef ontslag als bestuurder. Als een vrij man werd Jef enige tijd later bestuurder van vennootschap Y. Dit mandaat liep tot 2013. Vandaag is Jef bestuurder van vennootschap Z.

Vennootschap X wordt failliet verklaard in 2023, vennootschap Y wordt failliet verklaard in 2024, vennootschap Z bevindt zich vandaag in ernstige financiële moeilijkheden. Jef komt bij u ter consultatie. Er zijn RSZ-schulden bij Z en Jef meldt terloops dat hij lang geleden ook bestuurder is geweest in andere vennootschappen. Heeft Jef een probleem wat de RSZ-schulden van Z betreft?

Op basis van een strikte lezing van het cassatiearrest: mogelijks wel. Jef is immers betrokken geweest bij X en Y en deze vennootschappen zijn failliet verklaard in een periode van 5 jaar voorafgaand aan het (eventuele) faillissement van Z. Er zal dus onderzocht moeten worden of er in die eerdere faillissementen onbetaalde RSZ-schulden waren ten tijde van het faillissement (ook al heeft Jef jaren voordien de vennootschapsdeur van X en Y achter zich dichtgeslagen en waren er op dat ogenblik ook helemaal geen RSZ-schulden).  

Het arrest sluit de deur voor vennootschapsbestuurders die kort voor het zinken van het schip een uitweg zoeken. Het gevolg is wel dat vennootschapsbestuurders een risico lopen dat de door de wetgever vooropgestelde vijfjarige periode lang kan overstijgen. Of dit overeenstemt met de wil van de wetgever is onduidelijk. Eveneens is het onzeker of een dergelijke lezing grondwettelijk is (vgl. M. Vandenbogaerde, Aansprakelijkheid van vennootschapsbestuurders, Intersentia, 2009, nr. 233: “Een aansprakelijkheidsvermoeden als sanctie zonder enige beperking in de tijd kan die evenredigheidstoets allicht niet doorstaan”)

Het arrest leert dat het verleden nooit echt het verleden is voor vennootschapsbestuurders (eerder had het Hof van Cassatie in deze materie al aangetoond dat tijd relatief is, Cass. 7 april 2017, m.n. A. Van Hoe en K. De Smet “Cassatie bevestigt: tijd is relatief”, TBH 2017, 751-753).

Vindt de vennootschapsbestuurder comfort in de nieuwe tekst (oude filosofie) van art. XX. 226 WER? Niet echt, want wie deze bepaling aandachtig leest, wordt getroffen door het onzeker karakter ervan.

Met toepassing van art. XX. 226 kan Jef aansprakelijk worden gesteld  indien hij, in de loop van de periode van vijf jaar voorafgaand aan de faillietverklaring, betrokken is geweest bij minstens twee faillissementen of vereffeningen van ondernemingen waarbij schulden ten aanzien van een inningsorganisme van de sociale zekerheidsbijdragen onbetaald zijn gebleven, voor zover hij bij die eerder failliet verklaarde of vereffende ondernemingen ten tijde van de faillietverklaring, ontbinding of aanvang van de vereffening tevens bestuurder, gewezen bestuurder, lid of gewezen lid van de directieraad of van de raad van toezicht was of ten aanzien van de zaken van de onderneming werkelijke bestuursbevoegdheid had of heeft gehad.

Uit de woorden “voor zover” en “ten tijde” zou kunnen worden afgeleid dat Jef onder het “nieuwe” regime geen probleem heeft, aangezien hij ten tijde van het faillissement van X en Y geen (feitelijk) bestuurder meer was (zie (vermoedelijk) in die zin, B. Tilleman en K. Dewaele, Bestuur van vennootschappen, die Keure, 2022, nr. 1278). Echter, art. XX.226 verwijst evenzeer uitdrukkelijk naar gewezen bestuurders. En ten tijde van de faillissementen van X en Y … was Jef wel degelijk een gewezen bestuurder van X en Y.

Al bij al een vrij onfortuinlijke situatie, die waarschijnlijk de aandacht van de wetgever verdient.

 

Milieudefensie v ING

Enige tijd geleden kondigde de verening Milieudefensie een procedure aan tegen ING. Zoals bekend, heeft Milieudefensie eerder een procedure ingesteld tegen Shell (over de voorlopige uitkomst van deze procedure, zie dit debat). De procedure tegen ING is nu ook formeel ingeleid. De uitgebreide dagvaarding kan hierna gelezen worden.

Interessant is te lezen hoe Mileudefensie in deze procedure de voor haar (nieuwe) vordering positieve zaken uit het Shell-arrest centraal stelt, en de negatieve aspecten van dit arrest afwijst (met verwijzing naar de hangende procedure voor de Hoge Raad).

Dat het Gerechtshof Den Haag in de Shell-zaak het door Milieudefensie gevorderde emissiereductiedoel toch heeft afgewezen, doet niet af aan de juridische verplichtingen waar Milieudefensie ING in deze zaak op aanspreekt. Op goede en overtuigende gronden heeft het hof een breed spectrum aan objectieve aanknopingspunten betrokken om te oordelen dat Shell een verplichting heeft om haar uitstoot te reduceren. Bij het beantwoorden van de vraag tot welk specifiek reductiepercentage Shell dan in concreto is gehouden, versmalt het hof dat beoordelingskader opeens door te overwegen dat een concretisering alleen mogelijk is als een reductiepercentage blijkt uit bestaande
klimaatwetgeving of uit klimaatwetenschappelijke consensus. Alle andere relevante objectieve aanknopingspunten, waaronder de aanknopingspunten die wel door het hof zijn betrokken bij het vaststellen dat Shell een verplichting heeft om haar uitstoot te reduceren, zijn hierdoor buiten beschouwing gebleven. Dit is onnavolgbaar en onterecht, en dat oordeel wordt dan ook door Milieudefensie in cassatie bestreden.

Ook met zijn redenering inzake de effectiviteit van een reductieverplichting hanteert het hof een onjuist beoordelingskader, niet in de laatste plaats omdat het hof daarmee de essentie van een deelverantwoordelijkheid miskent. Deze redenering doorkruist dan ook jurisprudentie van de Hoge Raad, het EHRM en buitenlandse rechters, waaruit volgt dat de toets had moeten zijn of de door Milieudefensie gevorderde emissiereductie een effectieve maatregel is tegen het individuele onrechtmatig handelen van Shell (en dus nietnoodzakelijkerwijs tegen het meeromvattende probleem, dat ook door anderen wordt veroorzaakt).

Milieudefensie is dus van mening dat het hof, bij toepassing van het juiste beoordelingskader voor de concretisering van Shell’s juridische verplichting, had moeten beslissen tot toewijzing van de gevorderde emissiereductie. In de Shell-zaak heeft Milieudefensie dan ook cassatieberoep ingesteld. Op de uitkomst daarvan kan in deze zaak tegen ING echter niet worden gewacht. Over het urgente belang bij de door Milieudefensie van ING gevorderde maatregelen kan geen twijfel bestaan. Zij richten zich op wat het hof in de Shell-zaak omschrijft als het “grootste probleem van deze tijd”.

Steady On: Toward Principled, Sustainable Corporate Leadership Addressing the Reality of Human-Caused Climate Change

A post by guest blogger Leo E. Strine, Jr.

Ambitious goals for company emissions reductions. Rolled back. Pledges to reach net zero by a target date. Rolled back. Bold rhetoric when joining alliances to address climate change and big talk at Davos. Rolled back. Pledges to reduce purchasing carbon-based energy. Rolled back. Pledges to reduce lending to carbon-based energy projects. Rolled back. Pledges by institutional investors to make company climate change policies central to their stewardship efforts. Rolled back.

One thing we know about the wind: It does not blow in the same direction all the time

How should corporate leaders address the recent controversy about so-called “ESG” and about corporate consideration of social and political issues? What lessons can corporate leaders draw from the current moment and put into practice, to avoid looking like situational sycophants, driven less by a principles-based concern for their corporation’s long-term success, and more by a desire to ingratiate themselves with whatever political forces are currently powerful?

Corporate leaders should not repeat past mistakes by over-reacting to the current moment, and instead learn from this moment, and develop corporate policies and deliberative strategies that are more sustainable, because they relate those strategies more closely to the company’s specific business, and the impact that a social issue, and climate change in particular, has on the company’s stockholders, workers, consumers, and communities of operation. Focus on making money the right way.

Instead of giving business leaders credit for highfalutin talk unmatched by real action, holding them accountable for running their companies in a manner that takes into genuine account the real business risks of climate change is more valuable, if more difficult.

In his new working paper, Leo E. Strine, Jr. surfaces some of the genuinely important lessons that corporate leaders can draw from the current moment. These lessons are highly relevant for companies on both sides of the Atlantic. We are therefore grateful for the opportunity to publish this working paper on Corporate Finance Lab.

Leo E. Strine, Jr.

Michael L. Wachter Distinguished Fellow at the University of Pennsylvania Carey Law School; Senior Fellow, Harvard Program on Corporate Governance; Of Counsel, Wachtell, Lipton, Rosen & Katz; former Chief Justice and Chancellor, the State of Delaware