Voetangels bij agressieve handelingen namens of tegen rechtspersonen

Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel, 14 november 2025

In het eerste college aan studenten van de master Vennootschapsrecht wil ik wel eens de kille buitenwereld binnenhalen door te stellen dat ‘corporate lawyers’ in de eerste jaren van hun carrière 1/3de van hun tijd bezig zijn met het kiezen en correct identificeren van de correcte partij en desgevallend tegenpartij bij allerlei rechtshandelingen.

Welke entiteit van de groep moet partij zijn bij de overeenkomst?; wie moet zich verbinden bij een engagement om het kapitaal te verhogen of een contract met een change-in-control bepaling goed te keuren?; hoe voorkomen dat een overdrachtsbeperking wordt omzeild door een overdracht van de aandelen in de aandeelhouder?; hoe meer in het algemeen contractueel regelen dat met de tegenpartij verwante personen het doel van het contract niet onderuit halen?; wie moet dagvaarden onder een overeenkomst met een vennootschap in oprichting als die oprichting nog niet heeft plaatsgevonden?; wie moet partij zijn bij de aandeelhoudersovereenkomst als aandelen in een maatschap zijn ingebracht? … (M.b.t. tot de laatste vraag: evident in ieder geval ook de maatschap, maar geloof me dat er vaak niet wordt aan gedacht).

Een recent vonnis van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel (eerst hier gesignaleerd op Linkedin) illustreert de ingrijpende gevolgen als daar niet wordt over nagedacht — overigens in een veel meer basale casus dan de vragen hiervoor.

Dit is een essentieel aandachtspunt bij alle agressieve rechtshandeling tegen of namens rechtspersonen. Met agressieve rechtshandelingen bedoel ik handelingen die de tegenpartij liever niet ziet komen. Als partijen hetzelfde willen is een verkeerde rechtspersoon snel rechtgezet. Agressieve rechtshandelingen zijn uiteraard dagvaardingen en andere proceshandelingen, maar ook opzeggingen, ingebrekestellingen, eenzijdige mededelingen tot buitengerechtelijke ontbinding, enz. Bij buitengerechtelijke handelingen gebeuren er overigens meer ongelukken, omdat ze niet altijd door juristen worden opgesteld en uitgestuurd. Bij dagvaardingen is er de controle door advocaat en gerechtsdeurwaarder. Dat dit geen volledige garantie biedt toont de besproken uitspraak aan.

Read more: Voetangels bij agressieve handelingen namens of tegen rechtspersonen

De belangrijkste feiten die aanleiding gaven tot de uitspraak zijn als volgt:

  • Een Belgische technologievennootschap (verweerder) heeft een contractuele relatie met een internationale rekruteringsgroep, laten we het pseudonimiseren als de Headhunter Group. (De officiële pseudonimisering van het vonnis helpt niet echt de lectuur.)
  • Headhunter Group heeft een Ltd. in London (Headhunter Group Ltd) die een bijkantoor in België heeft. Een ‘bijkantoor hebben’ wil zeggen dat deze Engelse vennootschap voldoende aanwezig is om onderworpen te worden aan enkele Belgische verplichtingen, niet in het minst de verplichting om zoals Belgische vennootschappen bepaalde elementen te publiceren ter griffie en het BS en ook in het KBO. Een bijkantoor is geen aparte entiteit: contracten bevoegd afgesloten namens het bijkantoor maken de Engelse Ltd partij.
  • Daarnaast is een Belgische vennootschap die deel uitmaakt van de Headhunter Group: Headhunter Group Belgium BV, vermoedelijk een dochter- of zustervennootschap van de Engelse Ltd.
  • Hoe die contractuele relatie is gedocumenteerd is niet heel duidelijk. Het lijkt erop dat, zoals zo vaak, er geen onderhandse akte is waarop alle partijen duidelijk zijn geïdentificeerd. Wel is er sprake van algemene voorwaarden die zijn uitgewisseld en facturen die werd gestuurd aan de verweerder — telkens naar ik begrijp door Headhunter Group Ltd.
  • De verweerder betaalt niet de vergoeding die verschuldigd zou zijn voor de aanbreng van een consultant en wordt gedagvaard door “Headhunter Group Belgium BV, onderdeel van Headhunter Group Limited, vennootschap naar het Engels recht“.

    Dat is op zich al een erg eigenaardige identificatie. Er wordt duidelijk verwezen naar de Belgische BV, maar toch wordt de link met Engelse Ltd gelegd, met ook haar volledige identificatie; dat is iets dat je enkel doet bij een bijkantoor, dat immers geen zelfstandige rechtspersoon is en slechts het ‘loket’ van de buitenlandse vennootschap.

    Verder is het bizar om de Belgisch BV te omschrijven als “een onderdeel van Headhunter Group Limited”; een rechtspersoon die onderdeel is van een andere rechtspersoon is geen dingetje naar Belgisch recht; en naar ik vermoed evenmin naar Engels recht. Een rechtspersoon kan wel gecontroleerd worden door een andere rechtspersoon; en aldus deel uit maken van een groep. Een groep is echter naar Belgisch en naar Engels geen zelfstandige entiteit, heeft geen eigen rechten en verplichtingen en kan niet in rechte treden of worden gedaagd. Zelfs in de uitzonderlijke gevallen dat er materieelrechtelijk vereenzelviging (‘doorbraak’) is, waarbij entiteiten van een groep aansprakelijk zijn voor mekaars schulden, zal elke entiteit afzonderlijk moeten worden in het geding betrokken als men wil uitvoeren op haar goederen.

Met andere woorden: de identificatie van de eiser kan moeilijk naar iets anders verwijzen dan de Belgische rechtspersoon Headhunter Group Belgium BV. De verwijzing naar Headhunter Group Ltd is te nietszeggend om te kunnen argumenteren dat het hier gaat om een ongelukkige identificatie van het Belgisch bijkantoor.

De rechtbank wijst de eis dan ook af wegens gebrek aan belang en hoedanigheid. Eiser werd veroordeeld tot de kosten van het geding en de juiste vennootschap moet hopen dat de vordering intussen niet is verjaard.

De afwijzing ligt wat mij betreft voor de hand. Wel zou ik eerder simpelweg spreken van ongegrondheid. De eiser beweert een recht te hebben dat hij duidelijk niet heeft, nl. een contractuele vordering onder een contract waarbij hij geen partij is. Dit onderscheid tussen onontvankelijkheid en ongegrondheid heeft wellicht geen belang.

* * *

De verliezende eiser argumenteerde dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de situatie waarin de verkeerde partij wordt gedagvaard, en de situatie waarin de verkeerde partij dagvaardt.

Als dat al zo zou zijn, dan zou ik denken dat een fout m.b.t. de eiser strenger moet worden beoordeeld dan een verkeerde vermelding van de verweerder. Vergissingen omtrent de complexe structuur van een ander zijn sneller te vergeven dan over de eigen zelfgekozen en per hypothese gekende complexiteit. (Al zijn vergissingen over de eigen structuur, opnieuw, veel meer courant dan men zou denken. In de praktijk zijn rechtspersonen ook maar drukke, op pensioen gaande en van job veranderende mensen.)

De juridische middelen voor vergeving van de vergissing lijken me dan niet in het procesrecht (gebrek aan belangenschade) te vinden, maar in het verbintenissenrecht. De eiser zou kunnen aanvoeren dat de (verkeerde) verweerder een fout pleegde die leidde tot het verkeerde idee dat hij de correcte tegenpartij was, minstens dat er in die zin een schijn was die de verweerder kan worden toegerekend.

Het loutere feit dat er meerdere vennootschappen of bijkantoren zijn met een gelijkende naam volstaat uiteraard niet om te spreken van een fout of toerekenbare schijn. Dit is dagelijkse kost in de ondernemingswereld. Wat relevant kan zijn is als de tegenpartij zelf niet duidelijk was in haar identificatie en/of verwarring .

(Om een beroep op de schijnleer te vermijden hebben internationale groepen van dienstverleners, zoals advocatenkantoren of accountants, uitgebreide e-mailondertekeningen om aan te geven dat er verschillende rechtspersonen zijn en namens welke in het concreet geval wordt geadviseerd. Dit voorkomt dat op grond van de schijnleer een accident bij één entiteit, de rest mee de dieperik in kan sleuren. Wie daar doorgaans meer nonchalant mee omgaat zijn dienstverleners die gebruik maken van een managementvennootschap — ook advocaten. De kinderen van de schoenmaker lopen vaak op klompen.)

* * *

De les is dus: kijk goed wie je tegenpartij is in de contractuele documentatie en stuur je opzegging, ingebrekestelling of dagvaarding naar deze partij.

Nee!

Het contract is slechts het startpunt van de identificatieoefening. De partij bij de overeenkomst is vaak niet de partij die eiser of verweerder hoeft te zijn. De contractuele rechten en plichten kunnen immers intussen zijn overgedragen.

Zo kan de tegenpartij het contract hebben overgedragen. Vaak gebeurt dit in het kader van de overdracht van een bedrijfstak, waarbij wordt meegedeeld: gelieve vanaf nu de facturen te betalen op een nieuw rekeningnummer en een nieuwe entiteit. Moet de andere partij dan daarvoor geen toestemming geven? Indien de contractuele verhouding wordt verdergezet en de facturen betaald, gebeurt die toestemming impliciet. Vaak is er ook geen reden om er tegen te zijn; het briefje wordt behandeld als een louter praktisch punt voor Jeanine van boekhouding. Pas later, als verhouding misloopt, moet gehoopt worden dat Josiane van legal een performant informatiesysteem heeft opgezet waardoor het oorspronkelijk contract gelinkt wordt aan de mededeling van de overdracht.

Nog gevaarlijker — en voor vele litigators een makkelijk te vermijden dode hoek — zijn contractsoverdrachten die helemaal niet moeten worden meegedeeld. Dat geldt met name voor herstructureringen in de zin van Boek 12 WVV, zoals een splitsing of een overdracht of inbreng van een bedrijfstak of algemeenheid, waarbij contracten, rechten en verplichtingen overgaan van één rechtspersoon (soms een natuurlijke persoon) op een andere rechtspersoon. De toestemming van de tegenpartij is niet vereist; de overdracht is immers tegenwerpelijk door publicatie in het Belgisch Staatsblad (art. 2:18 WVV). Wie de overdragende vennootschap dagvaardt zal zijn eis zien worden afgewezen (B. Tilleman, N. Van Dammen en K. Dewaele, Proceshandelingen van en tegen vennootschappen, die Keure, 2020, 113, nr. 129).

Elke tegenwerpelijkheidsregel legt een onderzoekslast op. Vaak ligt die onderzoekslast voor de hand. Wie een onroerend goed koopt weet dat hij het hypotheekregister moet checken of er tegenwerpelijke conflicterende zakelijke rechten zijn. Wie een contract afsluit met een vennootschap, weet dat handtekeningsregeling moeten worden gecheckt. Iedere professionele koper checkt bij aankoop van een roerend goed het pandregister op zoek naar een tegenwerpelijk pandrecht of eigendomsvoorbehoud — ja toch?

Minder intuïtief is dat bij elke dagvaarding namens of tegen een rechtspersoon, buiten de context van elke herstructurering om, in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad moet worden gecheckt of er geen tegenwerpelijke overdracht van de litigieuze rechten en verplichtingen is gebeurd.

1/3de van de arbeidstijd? Het zal maar een beetje overdreven zijn.

Joeri Vananroye

CORRECTIE: Een eerdere versie verwarde de datum van het vonnis met de datum van publicatie van het vonnis. Dit werd rechtgezet.

Meer dan een derde, niet gelijk aan één – de “vergeten” hoofdelijk aansprakelijke vennoot

Gastblogger meester Joost van Riel over een onopgemerkte recente wijziging aan het WVV

Hoofdelijk aansprakelijke vennoten (hierna kort de “werkende vennoten”) van een VOF, CommV of maatschap, fascineren vennootschapsjuristen al jaren.[i] Een recente wijziging van het WVV brengt hen opnieuw onder de aandacht.

Een juridische twee-eenheid

Het voorwerp van de fascinatie is de verhouding tussen enerzijds de rechtspositie van de vennootschap en anderzijds de rechtspositie van de vennoten.  

Zoals het WVV bevestigt, zijn werkende vennoten persoonlijk en hoofdelijk gehouden voor schulden van de vennootschap, of beter: tegenover de vennootschapsschuldeisers (artikel 4:14 en 4:26 WVV). Eerder dan een zekerheidsmechanisme, geven deze bepalingen uitdrukking aan de rechtstreekse gehoudenheid van de hoofdelijk aansprakelijke vennoten tegenover de vennootschapsschuldeisers.

Continue reading “Meer dan een derde, niet gelijk aan één – de “vergeten” hoofdelijk aansprakelijke vennoot”

Kan de belangenconflictprocedure vermeden worden door de bevoegdheid via een statutaire clausule te verschuiven naar de AV?

Sinds het WVV geldt ook in niet-beursgenoteerde een deelnameverbod aan de beraadslaging voor een bestuurder met een rechtstreeks of onrechtstreeks belang van vermogensrechtelijke aard dat strijdig is met het belang van de vennootschap (zie voor de BV: art. 5:76 WVV).

In het algemeen zal de bevoegdheid van het bestuursorgaan verschuiven naar de algemene vergadering als alle bestuurders een belangenconflict hebben en dus niet mogen stemmen over de beslissing of verrichting. Op dit algemeen principe bestaan echter enkele uitzonderingen. Om slechts enkele voorbeelden te geven:

  • In een NV met duaal bestuur verschuift de bevoegdheid altijd van de directieraad naar de raad van toezicht van zodra er een vermogensrechtelijk belangenconflict is voor één van de leden van de directieraad bij een beslissing of verrichting die onder de bevoegdheid van de directieraad valt (art. 7:117, §1 WVV). De raad van toezicht past vervolgens de algemene belangenconflictprocedure toe, inclusief transparantieplichten, stemverbod voor geconflicteerde bestuurders en eventuele bevoegdheidsverschuiving naar de algemene vergadering als ook alle leden van de raad van toezicht geconflicteerd zijn.
  • In een VZW verschuift de bevoegdheid al naar de algemene vergadering wanneer een meerderheid van de aanwezige of vertegenwoordigde bestuurders een vermogensrechtelijk belangenconflict heeft, en niet slechts als al de bestuurders een vermogensrechtelijk belangenconflict hebben (art. 9:8, §1, laatste zin van laatste lid WVV).
  • In een stichting is er geen algemene vergadering. Als alle bestuurders daar geconflicteerd zijn, dan kunnen zij de toch de beslissing zelf nemen of de verrichting zelf uitvoeren (art. 11:8, §2 WVV). Dit geldt ook als er slechts één bestuurder is in de stichting. De verslagplichten blijven wel gelden (art. 11:9, §1 WVV).

In de praktijk is de vraag al gerezen of men de toepassing van de belangenconflictprocedure kan vermijden door de bevoegdheid van het bestuursorgaan te verschuiven naar de algemene vergadering via een statutaire clausule.

Continue reading “Kan de belangenconflictprocedure vermeden worden door de bevoegdheid via een statutaire clausule te verschuiven naar de AV?”

Over het rechtspersoonlijk publiciteitssysteem

Bekendmaking: een bijkomende voorwaarde voor tegenwerpelijkheid; geen voorwaarde voor bijkomende tegenwerpelijkheid

Het uitgangspunt in het gemeen vermogensrecht is dat een rechtshandeling in de regel tegenwerpelijk is aan derden louter door haar bestaan. De draagwijdte daarvan moet niet worden overschat. Derden moeten rekening houden met de goederenrechtelijke vermogenstoestand van hun tegenpartij zoals die volgt uit de betrokken rechtshandeling. Derden zijn uiteraard niet gehouden tot de verbintenissen volgend uit de rechtshandeling.

Naast de overdracht of vestiging van zakelijke rechten is tegenwerpelijkheid belangrijk voor twee andere vraagstukken: de bevoegdheid van vertegenwoordigers en de inhoud van onlichamelijke rechter zoals een aandeel. Grenzen aan de bevoegdheid van een vertegenwoordiger zijn in principe tegenwerpelijk aan derde. De inhoud van onlichamelijke rechten (bv. een schuldvordering op naam, een aandeel in een maatschap) heeft in beginsel ook zakelijke werking, wat betekent dat het tegenwerpelijk is aan derden.

Tegenwerpelijkheidsregels leggen een onderzoekslast op

In de praktijk betekent dit dat derden die zekerheid willen, de last dragen om een legitimatie te vragen van of te verifiëren bij de opdrachtgever (bij vertegenwoordiging), de schuldenaar (bij een schuldvordering op naam) of de emittent (bij aandelen). Een regel van tegenwerpelijkheid is daarmee een gedragsregel: het legt een last op om een bepaalde controle te doen. 

Continue reading “Over het rechtspersoonlijk publiciteitssysteem”

‘Une trop rude épreuve’: het beperkte toepassingsgebied van art. 1.8 § 6 BW

Art. 1.8 § 6 van het nieuw BW bevat een ‘belangenconflictenregeling van gemeen recht’:

“Wie voor rekening van een ander rechtshandelingen moet verrichten, mag niet optreden als tegenpartij van die andere noch in geval van een belangenconflict. Een dergelijke rechtshandeling is nietig, tenzij de vertegenwoordigde hiermee uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft ingestemd.”

De wetgever heeft hiermee uitdrukkelijk niet willen innoveren, doch slechts rechtspraak van het Hof van Cassatie willen codificeren (Verantwoording Amendement 9 van Geens c.s., Parl. St. 2021-22, nr 55-1805/03, p. 13):

“De nieuwe § 6 bevestigt de regel dat een vertegenwoordiger in die hoedanigheid niet mag optreden wanneer hij een strijdig belang heeft met de vertegenwoordigde. Deze regel werd bevestigd door het Hof van Cassatie en als algemeen rechtsbeginsel erkend (Cass. 18 maart 2004, C.02 0249.N)
en is terug te vinden in buitenlandse wetboeken en modellen (bv. art. II-6:109 DCFR).”

Het voornoemde arrest van het Hof van Cassatie (zie ook eerder in gelijkaardige zin Cass. 7 december 1978, AC 1978, 409) stelt:

“Overwegende dat het een algemeen rechtsbeginsel is dat degene die voor rekening van een ander rechtshandelingen moet stellen, daarbij niet mag optreden als tegenpartij van die andere; dat dergelijke handeling uit haar aard nietig is; Dat daaruit volgt dat een lasthebber in de uitvoering van zijn mandaat niet mag optreden als tegenpartij van zijn lastgever ter zake van de te verrichten rechtshandeling;”

Meteen valt een verschilpunt op: waar het cassatie-arrest enkel spreekt over de hypothese dat de vertegenwoordiger ook tegenpartij is bij de vertegenwoordigingshandeling, omvat de nieuwe wetsbepaling ook de hypothese dat de vertegenwoordiger ook een strijdig belang heeft met de vertegenwoordigde.

Het is wellicht deze laatste toevoeging die bij sommigen voor ongerustheid zorgt. Het roept immers de vraag op wat deze ‘belangenconflictenregeling van het BW’ toevoegt aan de belangenconflictenregeling toe die het WVV, voor bepaalde organisatievormen, voor bepaalde hypotheses oplegt. De wetgever zelf zag de mogelijke interferentie wel, maar de toelichting bij hoger geciteerd amendement laat wel de mogelijkheid open dat het BW iets toevoegt aan de verplichtingen van de regeling van het BW: “Deze bepaling
doet geen afbreuk aan bijzondere regels zoals in het vennootschapsrecht
of het publiekrecht.

Continue reading “‘Une trop rude épreuve’: het beperkte toepassingsgebied van art. 1.8 § 6 BW”

Zinloos geweld? Over gemeen vennootschapsrecht en lastgeving in het WVV

Een post door gastblogger Jeroen Delvoie (VUB)

Vooraf

Xavier Dieux was de eerste name partner van het kantoor waar ik in 2000 als jonge snaak begon: Dieux Geens Cornelis. Al tijdens mijn studies was ik geïntrigeerd door de naam waarnaar ik zo vaak moest verwijzen in de voetnoten van een licentiaatswerk vennootschapsrecht: DIEUX, X., volgens de toenmalige V&A-regels. Decaan aan de ULB nog wel…Nadien, als startend advocaat, gaf het toch altijd een speciaal gevoel als je hem in de gang tegenkwam. Om maar te zeggen dat ik zeer blij was een dikke 20 jaar later te mogen meeschrijven aan het Liber Amicorum Xavier Dieux, dat hem gisteren feestelijk werd overhandigd. Geheel in de traditie van het vrij onderzoek als stichtend beginsel sinds 1834 van ons beider alma mater, bevat mijn bijdrage een kritische reflectie over een van zijn standpunten, of althans over de manier waarop dit in het WVV werd vertaald. In deze blogpost vat ik mijn voornaamste bevindingen samen.

Exit gemeen vennootschapsrecht in het WVV

Het gaat meer bepaald om de “speciale militaire operatie” van het WVV tegen het gemeen vennootschapsrecht, en meer bepaald tegen de lastgeving als een van de doelwitten. Het leidt immers weinig twijfel dat Xavier Dieux, indien misschien niet de generaal, dan toch minstens de huisideoloog van deze operatie was. Gelijkenissen met bestaande gebeurtenissen zijn uiteraard zuiver toeval, maar toegespitst op de lastgeving was de initiële aanval nogal chaotisch, en volgde een poging tot hergroepering via de “reparatiewet”[1] . Op basis van artikel 2:51 WVV is een bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling  van de hem opgedragen taak. In het Frans luidde dit in 2019 echter : “de la bonne exécution du mandat qu’il a reçu”. Dit werd “gerepareerd” tot: “de la bonne exécution de la mission qui lui a été confiée”. Volgens de toelichting van het Kamerlid dat het wetsvoorstel indiende, is dat omdat het betuursmandaat geen lastgeving is.[2]

Kijk, dit vind ik nu echt niet ernstig.

Continue reading “Zinloos geweld? Over gemeen vennootschapsrecht en lastgeving in het WVV”

Leidt elke schending van de belangenconflictregels tot nietigheid? Cassatie kiest stelling

Net als het oude W.Venn., geeft het WVV een bijzondere nietigheidsgrond in geval van schending van de regels voor belangenconflicten bij bestuurders (BV: art. 5:77 § 2 WVV; NV: art. 7:96 § 2/7:103 § 2/7:115 § 2 WVV). Met het WVV is deze nietigheidsgrond nu ook voorhanden in de CV (art. 6:65 § 2 WVV), de VZW (art. 9:8 § 2 WVV) en de stichting (art. 11:9 § 2 WVV). Volgens al die bepalingen kan de rechtspersoon de nietigheid vorderen van besluiten of verrichtingen die hebben plaatsgevonden met overtreding van de toepasselijke belangenconflictregels, indien de wederpartij bij die besluiten of verrichtingen van die overtreding op de hoogte was of had moeten zijn.

Al sinds de invoering van die nietigheidssanctie speelt de vraag of de nietigheidssanctie geldt bij elke schending van de belangenconflictregeling. Een eerste strekking verdedigt dat enkel “wezenlijke” schendingen, die de besluitvorming of de verrichting kunnen beïnvloeden, tot nietigheid zouden mogen leiden. Deze strekking vond ook doorgang in de rechtspraak van de hoven van beroep van Antwerpen en Brussel – het arrest a quo is overigens opnieuw uit Antwerpen afkomstig. Een tweede strekking ziet de nietigheid verschijnen bij elke schending van de betrokken regels. Het WVV heeft deze discussie niet beslecht.

In een arrest van 9 december 2021 (C.19.0644.N) kiest het Hof van Cassatie voor de eerste strekking, weliswaar m.b.t. het oude art. 523 § 2 W.Venn. We citeren de relevante passus:

Continue reading “Leidt elke schending van de belangenconflictregels tot nietigheid? Cassatie kiest stelling”

Vertegenwoordiging

Een post door gastbloggers Cornelis en Feltkamp over ontwerp Boek 1 NBW

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel): zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (afl. 8: Vertegenwoordiging)

1  Artikel 1.8. In lengte, blijken de berekening van de termijnen en de vertegenwoordiging veruit de belangrijkste bepalingen van het voorgestelde Boek 1 te zijn. Er kan nochtans worden betwijfeld dat de berekening van termijnen en de vertegenwoordiging complexer of belangrijker zijn dan de rechtshandeling, de openbare orde, de wilsuiting en de overige geldigheidsvoorwaarden van rechtshandelingen of het oogmerk om te schaden. Die vaststelling wijst erop dat die kernbegrippen van het (privaat)recht in Boek 1 onderbelicht en onderschat werden.

2.  De driepartijenverhouding. Artikel 1.8 definieert de vertegenwoordiging[1] en maakt treffend het onderscheid tussen de onmiddellijke[2] en de middellijke vertegenwoordiging[3]. De vertegenwoordiging verwijst steeds naar een driepartijenverhouding, terwijl in de voorgestelde definitie enkel naar de vertegenwoordiger en de vertegenwoordigde wordt verwezen. De voorgestelde definitie geeft aan dat de vertegenwoordiger wordt “belast” met het stellen van een rechtshandeling en lijkt zo vooral te verwijzen naar de lastgeving, hoewel de lastgeving slechts één verschijningsvorm is van de onmiddellijke vertegenwoordiging, zoals de toelichting zelf aangeeft[4].

Continue reading “Vertegenwoordiging”

Het optreden van de maatschap in het rechtsverkeer: wat als alle maten moeten ‘meetekenen’?

Een post vorige week zette uiteen hoe de maatschap een eigen vermogen heeft, afgescheiden van de vermogens van de maten. Dit houdt in dat de lotgevallen van de persoonlijke vermogens van de maten – zoals beslag, faillissement, minderjarigheid of andere gevallen van onbekwaamheid – niet het onverdeelde maatschapsvermogen treffen. De zaakvoerder kan zijn of haar statutaire bevoegdheid gebruiken, zonder belemmerd te worden voor een beschikkingsonbevoegdheid of handelingsonbekwaamheid die een individuele maat zou treffen.

Een tweede post eerder deze week zette dan weer uiteen hoe in het rechtsverkeer derden echter niet zomaar zullen vertrouwen op de bevoegdheid van de zaakvoerder en de actualiteit van de voorgelegde statuten. Derden zullen bij belangrijke transacties daarom vaak vragen dat de maten persoonlijk meetekenen met de zaakvoerder.

Ook bleek dat in de registers van de hypotheekbewaarder de identiteit van de maten als mede-eigenaars moeten worden vermeld. Ook een wisseling in het matenbestand (uittreding, toetreding, overdracht van aandelen) geldt als een overdracht van mede-eigendomsrechten die moet worden overgeschreven in het hypotheekregister. Het voorgaande betekent ook dat bij een notariële akte tot overdracht van een zakelijk recht van de maatschap alle maten persoon moeten verschijnen of een notariële volmacht moeten verlenen, ook in de hypothese dat de zaakvoerder volgens de statuten autonoom bevoegd is.

Enerzijds heeft de maatschap dus een verregaande vermogensrechtelijke autonomie: wettelijk door een afgescheiden vermogen en statutair door een zaakvoerder met een verregaande en autonome bevoegdheid. Anderzijds heeft die zaakvoeder dan weer regelmatig de maten nodig om de maatschap te laten deelnemen aan belangrijke transacties.

Hoe die twee vaststellingen verzoenen? Continue reading “Het optreden van de maatschap in het rechtsverkeer: wat als alle maten moeten ‘meetekenen’?”

Praktische problemen bij het optreden van een maatschap in het rechtsverkeer

Maatschap als ‘persona incerta’

De maatschap is niet onderworpen aan een formeel regime inzake oprichting en openbaarmaking (neerlegging van (een uittreksel uit) de oprichtingsakte en bekendmaking in de Bijlagen tot het Belgisch Staatsblad), zoals dat wel geldt voor rechtspersonen. Daarmee hangt samen dat de maatschap geen regels kent zoals art. 2:18 – 2:19 WVV, die derden beschermen als die te goeder trouw hebben vertrouwd op de geopenbaarde gegevens.

De inschrijvingsplicht in de KBO die de Wet Hervorming Ondernemings­recht invoerde voor maatschappen in art. III.49 § 1, 1° en 2° WER doet geen afbreuk aan de vorige vaststelling. Al bij al is de draagwijdte van de publiciteit in de KBO zeer beperkt. De KBO heeft als eerste roeping om een interne database voor de overheid te zijn, niet het informeren van derden. Met name krijgt een derde geen inzicht in de identiteit van de maten (tenminste als er een zaakvoerder is – zie hierna), de statuten of de financiële aspecten van een maatschap. De enige saillante informatie voor derden is de identiteit van de zaakvoerder. De vertegenwoordigings­bevoegdheid van de zaakvoerder wordt niet bekendgemaakt, laat staan dat de publicatie een grond vormt van vertegenwoordigingsmacht t.a.v. derden te goeder trouw.

Als we naar de juridische voorschriften kijken, lijkt het nog al mee te vallen met de rechtsgevolgen van de afwezigheid van vennootschapsrechtelijke publiciteit. Die situeren zich vooral bij ‘sterke’ registers zoals het hypotheekregister: daar moet de identiteit van de afzonderlijke maten worden vermeld en volstaat een identificatie onder de vennootschapsnaam dus niet. Bij het optreden in rechte – een ander klassiek domein met strenge identificatievereisten – trad de wetgever in 2018 op om een identificatie louter door de maatschapsnaam mogelijk maken (zie hier en hier).

Een analyse van deze in draagwijdte beperkte wettelijke gevolgen van de afwezigheid van een georganiseerde publiciteit, mist echter het belangrijkste gevolg in het rechtsverkeer: de contractuele tegenpartij van de maatschap die omwille van de afwezigheid van publiciteit er op zal staan dat alle maten mee instemmen met een rechtshandeling. Continue reading “Praktische problemen bij het optreden van een maatschap in het rechtsverkeer”

Do corporate acts always count as some person’s actions?

A post by guest blogger Prof. Lisa Siraganian (Johns Hopkins University)

Scholars of corporate legal finance tend not to spend a lot of time worrying about how the corporation relates to novels, poems, literary movements. Or to political cartoons, like Udo Keppler’s fascinating 1910 magazine illustration of the shadowy corporation (more on that one below). But maybe they should. That’s what I argue in my new book, Modernism and the Meaning of Corporate Persons, out just now as part of the Law and Literature series from Oxford University Press, edited by Professors Robert Spoo and Simon Stern.  

Udo J. Keppler, “Get after the substance, not the shadow,” Puck 68, no. 1757 (November 2, 1910). Library of Congress Prints and Photographs division, Washington, D.C.

The story begins with the fateful US Supreme Court decision, Santa Clara v. Southern Pacific Railroad, which legitimatized the American legal fiction of corporate personhood in 1886. After that decision, the development of the idea that law could endow a nonhuman entity with certain rights expanded into American culture. And, not surprisingly, the notion that an eerie, insubstantial corporation could be considered similar to persons bothered many actual people throughout the first decades of the twentieth century.

In the book, I explore how and why the possibility that large collective organizations might mean to do what they do—and might mean like us, like persons—both excited and worried American creative writers, artists like Keppler, and theorists of the corporation. In roughly the first half of the twentieth century, these ideas stimulated new thoughts about what it means to act as a person or as a group. It also sparked new thoughts on what it means to intend to act at all. Of course, versions of that conversation continue today, most often as debates on blogs, scholarship, and in heated media discussions, whether on legal personhood, corporate social responsibility, veil-piercing, or corporate criminal liability. But the earlier deliberations on similar issues have remained, until now, an untapped resource to understand corporate action, worked out in entirely different forms. 

For example, consider the law reviews and treatises on contracts and agency law by US Supreme Court Justice Oliver Wendell Holmes, Jr. and law professor Ernst Freund. Or, alternatively, take the inventive modernist poems of Gertrude Stein and the novels of F. Scott Fitzgerald, author of The Great Gatsby and The Love of the Last Tycoon. Whichever you choose, you can find each writer trying to work out the following problem. Namely, if you can’t be sure how to represent or describe a corporate entity, or who exactly intended what a corporation said or acted, then how can you really know what that corporation meant when it “said” something or acted in a certain way? But knowing, or not knowing, mattered. It would determine what you might fairly expect from the various human persons when they work for a corporation. And it would impact how society should treat (or regulate) these corporate entities and what they did in the world. Continue reading “Do corporate acts always count as some person’s actions?”

Vertegenwoordiging: ABC en WVV

Presentatie over basisprincipes van vertegenwoordiging

Ter gelegenheid van de alumnidag van de Leuvense rechtsfaculteit gaven we een presentatie over de basisprincipes van vertegenwoordiging, met bijzondere aandacht voor de bijzondere uitdaging van vertegenwoordiging van rechtspersonen en andere organisaties. Hier vindt u de slides en de presentatie zelf: Continue reading “Vertegenwoordiging: ABC en WVV”

Art. 5:81, 6:69 § 1 en 7:124 WVV zijn niet in overeenstemming met de Eerste Richtlijn

Over de tegenwerpelijkheid van beperkingen aan de bevoegdheid van het bestuur

Art. 5:81, 6:69 § 1 en 7:124 WVV bepalen voor BV, CV, en NV dat de statuten de bevoegdheden van de algemene vergadering kunnen uitbreiden. Zulke uitbreiding van de bevoegdheid van de algemene vergadering zal in de regel een inperking van de bevoegdheid van het bestuursorgaan vormen.

Problematisch is de regeling van de tegenwerpelijkheid van zulke inperking. De voornoemde bepalingen stellen hierover: “Zodanige uitbreiding kan niet aan derden worden tegengeworpen, tenzij de vennootschap bewijst dat de derde daarvan op de hoogte was of er, gezien de omstandigheden, niet onkundig van kon zijn; bekendmaking van de statuten alleen is echter geen voldoende bewijs.

Dit is onverzoenbaar met het vertegenwoordigingsregime van de Eerste Richtlijn (van toepassing op NV en BV, al zou er over de BV discussie kunnen zijn).

Het uitgangspunt van de Eerste Richtlijn is dat statutaire beperkingen aan de bevoegdheid van een vertegenwoordigingsregime niet tegenwerpelijk zijn. Kennis is daarbij geen uitzondering. De Richtlijn staat lidstaten toe dat ze voor het “voorwerp” (vennootschapsdoel) een uitzondering maken op deze regel van niet-tegenwerpelijkheid van statutaire beperkingen tenzij de vennootschap bewijst dat de derde daarvan op de hoogte was of er, gezien de omstandigheden, niet onkundig van kon zijn; bekendmaking van de statuten alleen is echter geen voldoende bewijs. België heeft van deze optie altijd gebruik gemaakt, maar breidt die uitzondering nu in strijd met het Europees recht uit naar andere statutaire bepalingen.

Voor elk van de drie vennootschapsvormen is deze regel bovendien niet te verzoenen met de regel in het spiegelbeeldbepalingen over het bestuursorgaan (art. 5:73, 6:61, 7:93 WVV). Zie bv. voor de NV art. 7:93  § 1:

“De raad van bestuur is bevoegd om alle handelingen te verrichten die nodig of dienstig zijn tot verwezenlijking van het voorwerp van de vennootschap, behoudens die waarvoor volgens de wet de algemene vergadering bevoegd is.  De statuten kunnen de bevoegdheden van de raad van bestuur beperken. Zodanige beperking kan niet aan derden worden tegengeworpen, ook al is ze openbaar gemaakt. Hetzelfde geldt voor een onderlinge taakverdeling onder de bestuurders.”

Bij de regels over het bestuursorgaan wordt dus richtlijnconform, zonder kwalificatie of uitzondering, gesteld dat statutaire beperkingen aan de bevoegdheid van het vertegenwoordigingsorgaan niet tegenwerpelijk zijn.

De tunnel gegraven vanuit Dover en die vanuit Calais ontmoeten mekaar niet onder zee.

Continue reading “Art. 5:81, 6:69 § 1 en 7:124 WVV zijn niet in overeenstemming met de Eerste Richtlijn”

Hoe werken vertegenwoordigings-clausules in een BV?

Art. 5:73 WVV

Vertegenwoordigingsclausules (één- of meerhandtekeningsclausules) in de BV worden geregeld door art. 5:73 WVV (tekst onderaan hernomen).

De memorie van toelichting bij het WVV (p. 157) stelt bij dit artikel dat het ‘grotendeels’ een herneming is van art. 257 W.Venn. De tekst dat art. 5:73 doet echter de vraag rijzen of dit wel het geval is.

Meer bepaald is er een onduidelijkheid in een BV met meerdere bestuurders die concurrentieel bevoegdheid zijn en waar er een meerhandtekeningsclausule is die geldt vanaf een bepaalde grens (bv. “voor transancties vanaf € 50.000 moeten twee bestuurders optreden“).

Continue reading “Hoe werken vertegenwoordigings-clausules in een BV?”

Change in control-clausules: nieuw en komend recht

Een onschuldige verpersoonlijking van de overeenkomst, of de tactiek van de verschroeide aarde?

De change in control-clausule is een diertje dat met veel namen door het leven gaat: vaak wordt ze ook aangeduid als change of control, change of ownership of ‘commercieel beding inzake controlewijziging’. In deze bijdrage gebruiken we change in control-beding als benaming, of nog: CIC-beding.

Er worden onder het CIC-beding heel wat kenmerken gebracht. In deze bijdrage beperken we ons tot een algemene omschrijving: een CIC-beding is een clausule in een overeenkomst, waarbij minstens één partij een vennootschap is, die aan een partij het recht geeft de overeenkomst te beëindigen in geval van controlewijziging binnen de contracterende vennootschap. CIC-bedingen, en dan voornamelijk hun ontbindende impact, kunnen erg uiteenlopende gevolgen hebben. Zo komen ze onder meer voor in joint-ventures, licentieovereenkomsten, kredietovereenkomsten en verkoopsconcessies, maar ook Golden Parachutes en Employee Retention Agreements zijn mogelijke gevolgen van CIC-bedingen. Continue reading “Change in control-clausules: nieuw en komend recht”