De Maatschap mag failliet

Vijf bouwstenen voor een modernisering

Vandaag wordt het meestal niet in vraag gesteld dat een maatschap niet het voorwerp uit kan maken van een insolventieprocedure. Is het niet logisch dat enkel natuurlijke personen en rechtspersonen failliet kunnen gaan? En dus niet niet een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid? Zo luidt het.

Een Onderneming met een Afgescheiden Vermogen Verdient het Insolventierecht

Een moderne insolventiewetgeving stelt de insolventieprocedure nochtans ook open voor een maatschap. Dat past in een evolutie waarbij faillissement en reorganisatie worden opgesteld voor alle ondernemingen. Het wordt zelf onafwendbaar als de maatschap duidelijk als afgescheiden vermogen wordt herkend.Als er een onverdeelde boedel van maatschapsgoederen is waarop de maatschapsschuldeisers bevoorrecht zijn, is het nuttig om de zelfstandigheid van deze boedel ook in het insolventierecht te erkennen.

Een gelijkaardig precedent in het huidige recht kan gevonden worden in de afwikkeling van de onverdeelde nalatenschap van een overleden handelaar-natuurlijke persoon, die binnen de 6 maanden na zijn overlijden failliet wordt verklaard.

Er dient overigens géén bijzondere regeling (bv. uitzondering) te worden voorzien voor de stille maatschap. Indien een maatschap écht stil is, zijn er geen maatschapsschulden. De vraag naar een insolventieprocedure van de maatschap zal zich hierdoor dan ook nooit stellen. Indien de stille maatschap toch occasionele gemeenschappelijke schuldeisers zou hebben, is er geen reden om die niet-zo-stille vennootschap uit te sluiten van insolventieprocedures.

Grondlijnen voor een Wettelijke Regeling van de Maatschapsinsolventie

We zien de volgende vijf bouwstenen die elke wettelijke regeling van de insolventie van een maatschap zou moeten bevatten:

[1]

Principiële band tussen insolventie van vennootschap en van werkende vennoten erkennen. Een maatschap en de individuele maten zijn zowel juridisch als economisch intiem verwikkeld. De maten zijn materiële procespartij bij een vonnis lastens de maatschap; een vonnis dat de maatschap veroordeelt heeft t.a.v. de maten dan ook gezag van gewijsde. Omdat de maten onbeperkt aansprakelijk zijn voor het vennootschapspassief, kan de toestand van insolventie van de maatschap als dusdanig niet kan worden los gezien van de toestand van insolventie van de afzonderlijke onbeperkt aansprakelijke maten (“werkende vennoten”). Indien een vonnis vaststelt dat een maatschap zich in staat van staking van betaling bevindt, stelt dit vonnis(minstens impliciet) ook vast dat elk van de maten zich in staat van staking van betaling bevindt.

Uiteraard is het niet onmogelijk, als is het eerder theoretisch, dat een maatschap failliet wordt verklaard, terwijl een maat nog voldoende activa heeft om zijn eigen passiva en de maatschapspassiva te betalen. Deze situatie komt er op neer dat de faillietverklaring van de maatschap niet had mogen gebeuren: indien één onbeperkt en hoofdelijke maat nog kan betalen, bevindt de maatschap zich niet in staat van staking van betaling.

[2]

De rechten van verdediging van de afzonderlijke maten moeten worden gewaarborgd naar aanleiding van de opening van een insolventieprocedure van de maatschap. De verwevenheid tussen maatschap en maat betekent ook dat de afzonderlijke maten hun eigen argumenten moeten kunnen aanvoeren in de procedure lastens de maatschap.Dit voorkomt ook dat de maatschap zelf ten onrechte failliet wordt verklaard, als één of meerdere maten nog in bonis zijn. Aan een procedure om de rechten van de maten te vrijwaren mangelt het overigens ook in de huidige regeling van de VOF: een firmant kan geconfronteerd worden met het faillissement van de VOF, én op grond van vaste (zij het omstreden), vaststellen dat zijn eigen faillissement onafwendbaar is.

[3]

De toestand van insolventie in hoofde van de maatschap zelf en in hoofde van de afzonderlijke maten kan aanleiding geven tot verschillende insolventieprocedures. Zelfs indien de maatschap en alle maten insolvent zijn en zelfs indien dit in een ordentelijke procedure is vastgesteld waarbij elke (materiële) procespartij haar argumenten heeft kunnen aanbreng, betekent dit niet dat het faillissement van de maatschap noodzakelijk het faillissement van elke maat impliceert. De toestand van insolventie kan immers bij de maatschap en de afzonderlijke maten beslag krijgen in een verschillende insolventieprocedure. Het toepassingsgebied van faillissement, gerechtelijke reorganisatie en vennootschapsrechtelijke ontbinding overlappen immers. Zo kan bv. sprake zijn van een faillissement in hoofde van de maatschap, een gerechtelijke reorganisatie door minnelijke akkoord in hoofde van maat A en een gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord in hoofde van maat B.

[4]

Het moet mogelijk zijn om de insolventieprocedures van de maatschap en van de afzonderlijke maten procedureel te consolideren bij één rechtbank en bij één insolventiefunctionaris. Procedurele consolidatie verhindert dat de vereffening van een maatschap met 3 maten die in verschillende gebieden wonen, ertoe leidt dat die 4 verschillende rechters worden gevat, die 4 verschillende insolventiefunctionarissen aanstellen. Procedurele consolidatie moet een mogelijkheid zijn en geen verplichting. Het is bv. nuttig indien de maatschap een significant deel van de economische activiteiten van de maten omvat. Het is bv. niet nuttig indien er voor een andere rechtbank reeds een insolventieprocedure geopend werd voor een maat voorafgaand aan de insolventieprocedure lastens de maatschap.

[5]

De vereffening moet gebeuren zoals bij een VOF. De maatschapsschuldeisers hebben een schuldvordering in zowel de insolventieprocedure van de maatschap als in die van de afzonderlijke maten. Indien zowel de maatschap als de maten failliet worden verklaard, betekent dit dat er “n+1” boedels zijn, waarbij n staat voor het aantal onbeperkt aansprakelijke maten. Enkel het eventuele aandeel in het netto-actief van de maatschap na vereffening vormt een actief in de insolventieprocedure van de maten vormt. Dit is een evidentie indien de maatschapsonverdeeldheid als afgescheiden vermogen wordt erkend. De verwijzing in art. 55 W.Venn. naar de verdeling van de onverdeelde nalatenschap is in dit verband ongelukkig. In de onverdeelde nalatenschap is er geen volwaardige regeling waarbij de gemeenschappelijke schuldeisers worden voldaan met de gemeenschappelijke goederen alvorens het eventueel netto-actief wordt verdeeld. Het is overigens veelzeggend dat de rechtspraak nu reeds deze verwijzing naar de nalatenschap negeert en maatschappen bij betwisting vereffening naar het model van de rechtspersoon. Met een vereffenaar die de goederen realiseert (al dan niet in going concern), de schuldeisers betaalt en het netto-aandeel uitkeert. Deze praktijk wordt best in het W.Venn. gefiatteerd.

Joeri Vananroye

 

Author: Joeri Vananroye

Professor of economic analysis of law (KU Leuven), attorney (Quinz)

2 thoughts on “De Maatschap mag failliet”

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s