Experiments

Het verleden is niet het verleden voor vennootschapsbestuurders – Cass. 6 maart 2025

Just when I thought I was out, they pull me back in!”, was de frustrerende vaststelling van de sympathieke leider van een dynamisch familiebedrijf. Eenzelfde gevoel kan bestuurders van vennootschappen overvallen wanneer ze het cassatiearrest van 6 maart 2025 analyseren.

Dit arrest heeft betrekking op de bijzondere faillissementsaansprakelijkheid t.a.v. de RSZ. Deze aansprakelijkheid zat voorheen vervat in art. 265 § 2 Wetboek Vennootschappen (althans wat de BV(BA) betreft) en is thans terug te vinden in art. XX. 226 WER.

Wat houdt het regime in? De bestuurder van een failliete vennootschap die in de loop van de periode van vijf jaar voorafgaand aan de faillietverklaring, betrokken is geweest bij minstens twee faillissementen of vereffeningen van ondernemingen waarbij schulden ten aanzien van een inningsorganisme van de sociale zekerheidsbijdragen onbetaald zijn gebleven, loopt een bijzonder risico. Immers, op vordering van de RSZ of van de curator kan deze bestuurder (in het kader van het derde faillissement dus) persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor het geheel of een deel van alle op het ogenblik van de uitspraak van het faillissement verschuldigde sociale bijdragen met inbegrip van de verwijlinteresten.

In het arrest van 6 maart 2025 stond het begrip “betrokken” centraal. Veronderstelt dit begrip dat de bestuurder op het ogenblik van de eerdere faillissementen nog daadwerkelijk bestuurder was of volstaat het dat hij ooit bestuurder is geweest van deze vennootschappen (ook wanneer hij dat niet meer is wanneer de eerdere faillissementen werden uitgesproken)? Het Hof van Cassatie antwoordt in de tweede zin:

L’implication d’une personne dans la faillite d’une société entraînant des dettes de cotisations sociales se déduit de sa seule qualité d’administrateur ou de gérant, de droit ou de fait, de cette société, lors même qu’elle n’a plus cette qualité lors de la déclaration de faillite de celle-ci.

Voor vennootschapsbestuurders is dit weinig opbeurende lectuur. Laten we dit duidelijk maken met een voorbeeld. Jef was van 1998 tot 2007 bestuurder van vennootschap X, samen met zijn toenmalige vriendin Bea. Toen de amoureuze wegen zich scheidden, nam Jef ontslag als bestuurder. Als een vrij man werd Jef enige tijd later bestuurder van vennootschap Y. Dit mandaat liep tot 2013. Vandaag is Jef bestuurder van vennootschap Z.

Vennootschap X wordt failliet verklaard in 2023, vennootschap Y wordt failliet verklaard in 2024, vennootschap Z bevindt zich vandaag in ernstige financiële moeilijkheden. Jef komt bij u ter consultatie. Er zijn RSZ-schulden bij Z en Jef meldt terloops dat hij lang geleden ook bestuurder is geweest in andere vennootschappen. Heeft Jef een probleem wat de RSZ-schulden van Z betreft?

Op basis van een strikte lezing van het cassatiearrest: mogelijks wel. Jef is immers betrokken geweest bij X en Y en deze vennootschappen zijn failliet verklaard in een periode van 5 jaar voorafgaand aan het (eventuele) faillissement van Z. Er zal dus onderzocht moeten worden of er in die eerdere faillissementen onbetaalde RSZ-schulden waren ten tijde van het faillissement (ook al heeft Jef jaren voordien de vennootschapsdeur van X en Y achter zich dichtgeslagen en waren er op dat ogenblik ook helemaal geen RSZ-schulden).  

Het arrest sluit de deur voor vennootschapsbestuurders die kort voor het zinken van het schip een uitweg zoeken. Het gevolg is wel dat vennootschapsbestuurders een risico lopen dat de door de wetgever vooropgestelde vijfjarige periode lang kan overstijgen. Of dit overeenstemt met de wil van de wetgever is onduidelijk. Eveneens is het onzeker of een dergelijke lezing grondwettelijk is (vgl. M. Vandenbogaerde, Aansprakelijkheid van vennootschapsbestuurders, Intersentia, 2009, nr. 233: “Een aansprakelijkheidsvermoeden als sanctie zonder enige beperking in de tijd kan die evenredigheidstoets allicht niet doorstaan”)

Het arrest leert dat het verleden nooit echt het verleden is voor vennootschapsbestuurders (eerder had het Hof van Cassatie in deze materie al aangetoond dat tijd relatief is, Cass. 7 april 2017, m.n. A. Van Hoe en K. De Smet “Cassatie bevestigt: tijd is relatief”, TBH 2017, 751-753).

Vindt de vennootschapsbestuurder comfort in de nieuwe tekst (oude filosofie) van art. XX. 226 WER? Niet echt, want wie deze bepaling aandachtig leest, wordt getroffen door het onzeker karakter ervan.

Met toepassing van art. XX. 226 kan Jef aansprakelijk worden gesteld  indien hij, in de loop van de periode van vijf jaar voorafgaand aan de faillietverklaring, betrokken is geweest bij minstens twee faillissementen of vereffeningen van ondernemingen waarbij schulden ten aanzien van een inningsorganisme van de sociale zekerheidsbijdragen onbetaald zijn gebleven, voor zover hij bij die eerder failliet verklaarde of vereffende ondernemingen ten tijde van de faillietverklaring, ontbinding of aanvang van de vereffening tevens bestuurder, gewezen bestuurder, lid of gewezen lid van de directieraad of van de raad van toezicht was of ten aanzien van de zaken van de onderneming werkelijke bestuursbevoegdheid had of heeft gehad.

Uit de woorden “voor zover” en “ten tijde” zou kunnen worden afgeleid dat Jef onder het “nieuwe” regime geen probleem heeft, aangezien hij ten tijde van het faillissement van X en Y geen (feitelijk) bestuurder meer was (zie (vermoedelijk) in die zin, B. Tilleman en K. Dewaele, Bestuur van vennootschappen, die Keure, 2022, nr. 1278). Echter, art. XX.226 verwijst evenzeer uitdrukkelijk naar gewezen bestuurders. En ten tijde van de faillissementen van X en Y … was Jef wel degelijk een gewezen bestuurder van X en Y.

Al bij al een vrij onfortuinlijke situatie, die waarschijnlijk de aandacht van de wetgever verdient.

 

Milieudefensie v ING

Enige tijd geleden kondigde de verening Milieudefensie een procedure aan tegen ING. Zoals bekend, heeft Milieudefensie eerder een procedure ingesteld tegen Shell (over de voorlopige uitkomst van deze procedure, zie dit debat). De procedure tegen ING is nu ook formeel ingeleid. De uitgebreide dagvaarding kan hierna gelezen worden.

Interessant is te lezen hoe Mileudefensie in deze procedure de voor haar (nieuwe) vordering positieve zaken uit het Shell-arrest centraal stelt, en de negatieve aspecten van dit arrest afwijst (met verwijzing naar de hangende procedure voor de Hoge Raad).

Dat het Gerechtshof Den Haag in de Shell-zaak het door Milieudefensie gevorderde emissiereductiedoel toch heeft afgewezen, doet niet af aan de juridische verplichtingen waar Milieudefensie ING in deze zaak op aanspreekt. Op goede en overtuigende gronden heeft het hof een breed spectrum aan objectieve aanknopingspunten betrokken om te oordelen dat Shell een verplichting heeft om haar uitstoot te reduceren. Bij het beantwoorden van de vraag tot welk specifiek reductiepercentage Shell dan in concreto is gehouden, versmalt het hof dat beoordelingskader opeens door te overwegen dat een concretisering alleen mogelijk is als een reductiepercentage blijkt uit bestaande
klimaatwetgeving of uit klimaatwetenschappelijke consensus. Alle andere relevante objectieve aanknopingspunten, waaronder de aanknopingspunten die wel door het hof zijn betrokken bij het vaststellen dat Shell een verplichting heeft om haar uitstoot te reduceren, zijn hierdoor buiten beschouwing gebleven. Dit is onnavolgbaar en onterecht, en dat oordeel wordt dan ook door Milieudefensie in cassatie bestreden.

Ook met zijn redenering inzake de effectiviteit van een reductieverplichting hanteert het hof een onjuist beoordelingskader, niet in de laatste plaats omdat het hof daarmee de essentie van een deelverantwoordelijkheid miskent. Deze redenering doorkruist dan ook jurisprudentie van de Hoge Raad, het EHRM en buitenlandse rechters, waaruit volgt dat de toets had moeten zijn of de door Milieudefensie gevorderde emissiereductie een effectieve maatregel is tegen het individuele onrechtmatig handelen van Shell (en dus nietnoodzakelijkerwijs tegen het meeromvattende probleem, dat ook door anderen wordt veroorzaakt).

Milieudefensie is dus van mening dat het hof, bij toepassing van het juiste beoordelingskader voor de concretisering van Shell’s juridische verplichting, had moeten beslissen tot toewijzing van de gevorderde emissiereductie. In de Shell-zaak heeft Milieudefensie dan ook cassatieberoep ingesteld. Op de uitkomst daarvan kan in deze zaak tegen ING echter niet worden gewacht. Over het urgente belang bij de door Milieudefensie van ING gevorderde maatregelen kan geen twijfel bestaan. Zij richten zich op wat het hof in de Shell-zaak omschrijft als het “grootste probleem van deze tijd”.

Steady On: Toward Principled, Sustainable Corporate Leadership Addressing the Reality of Human-Caused Climate Change

A post by guest blogger Leo E. Strine, Jr.

Ambitious goals for company emissions reductions. Rolled back. Pledges to reach net zero by a target date. Rolled back. Bold rhetoric when joining alliances to address climate change and big talk at Davos. Rolled back. Pledges to reduce purchasing carbon-based energy. Rolled back. Pledges to reduce lending to carbon-based energy projects. Rolled back. Pledges by institutional investors to make company climate change policies central to their stewardship efforts. Rolled back.

One thing we know about the wind: It does not blow in the same direction all the time

How should corporate leaders address the recent controversy about so-called “ESG” and about corporate consideration of social and political issues? What lessons can corporate leaders draw from the current moment and put into practice, to avoid looking like situational sycophants, driven less by a principles-based concern for their corporation’s long-term success, and more by a desire to ingratiate themselves with whatever political forces are currently powerful?

Corporate leaders should not repeat past mistakes by over-reacting to the current moment, and instead learn from this moment, and develop corporate policies and deliberative strategies that are more sustainable, because they relate those strategies more closely to the company’s specific business, and the impact that a social issue, and climate change in particular, has on the company’s stockholders, workers, consumers, and communities of operation. Focus on making money the right way.

Instead of giving business leaders credit for highfalutin talk unmatched by real action, holding them accountable for running their companies in a manner that takes into genuine account the real business risks of climate change is more valuable, if more difficult.

In his new working paper, Leo E. Strine, Jr. surfaces some of the genuinely important lessons that corporate leaders can draw from the current moment. These lessons are highly relevant for companies on both sides of the Atlantic. We are therefore grateful for the opportunity to publish this working paper on Corporate Finance Lab.

Leo E. Strine, Jr.

Michael L. Wachter Distinguished Fellow at the University of Pennsylvania Carey Law School; Senior Fellow, Harvard Program on Corporate Governance; Of Counsel, Wachtell, Lipton, Rosen & Katz; former Chief Justice and Chancellor, the State of Delaware

Liability for competition law infringements within groups: beware of misbehaving family members

A post by guest blogger Charlotte Reyns (Quinz, KU Leuven)

Since the introduction of the EU Private Damages Directive 2014/104, the amount of private damages actions following competition law infringements have grown exponentially. Indeed, enforcement by private parties is viewed as a complementary limb to the enforcement of competition law by the European Commission and the national competition authorities. One aspect that deserves special attention in that regard is the “single economic unit” doctrine which allows several or all companies belonging to a group of companies to be held liable for an infringement of competition law they did not themselves commit. Recent rulings such as Athenian Brewery (C-393/23) in the context of private international law and ILVA (C-383/23) with regard to liability for infringements of the GDPR furthermore showcase the far-reaching implications of the single economic unit doctrine.

This post delves deeper into the possible liability of the different members of a group of companies when only one of them has been found to infringe EU competition law. Who can be liable, and how to manage this risk?

Continue reading “Liability for competition law infringements within groups: beware of misbehaving family members”

Cass. over werking in de tijd van art. XX.227 § 1 WER (‘wrongful trading’)

Cass. 14 februari 2025 (C.23.0150.N/1

Art. XX.227 § 1 WER (over ‘wrongful trading’) werd ingevoerd bij Wet van 15 april 2018 (dat wijzigingen aanbracht aan boek XX WER). De gedragsregel die dit artikel oplegde was niet nieuw. Minstens sinds het Unac-arrest (Cass. 12 feb. 1982) kan het verderzetten van een onderneming onrechtmatig zijn indien er kennelijk geen vooruitzicht is dat het faillissement kan worden vermeden. Het nieuwe artikel kaderde in een meer algemene (maar zeker geen totale) verhuis van aansprakelijkheidsregels van het vennootschapsrecht naar het insolventierecht. Dit om IPR redenen: de insolventiewetgever deed dit in het vooruitzicht dat de vennootschapswetgever vrije keuze van het toepasselijk vennootschapsrecht zou toelaten. Dat maakt vennootschapsrecht minder geschikt als sedes van dwingende bepalingen van derden bescherming.

Daarnaast werd vooral de eisende boedel geholpen op vlak van het bewijs van schade en oorzakelijk verband. Naar model van wat reeds sinds 1978 geldt voor kennelijk grove fout kreeg de rechter de bevoegdheid om het geheel of een deel van het tekort ten laste te leggen van de aansprakelijke (feitelijke) bestuurders.

Wat nu als de onrechtmatige verderzetting begon onder het oude recht (jurisprudentiële regel gebaseerd op art. 1382 BW) en werd verder gezet onder het nieuwe recht? Het Hof van Cassatie deed hierover uitspraak in een arrest van 14 februari 2025 (c.23.0150.n):

Continue reading “Cass. over werking in de tijd van art. XX.227 § 1 WER (‘wrongful trading’)”

What a difference a year makes. Voorstel tot wijziging CSRD en CSDDD.

In 2022 organiseerde het Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht een studienamiddag over recht en duurzaamheid. Hierbij werd veel aandacht besteed aan de zich ontwikkelende klimaatrechtspraak (i.h.b. de zaak Shell) en aan diverse Europese wetgevende ontwikkelingen (i.h.b. CSRD en CSDDD). Mocht deze studienamiddag vandaag opnieuw worden gehouden, dan zou de teneur anders zijn. Op het vlak van klimaatrechtspraak zou aandacht worden besteed aan de hervorming in hoger beroep in de zaak Shell. En op wetgevend vlak zou de impact moeten worden onderzocht van de vandaag gelanceerde Omnibus-richtlijn. Met dit voorstel (het betreft het begin van een traject, niet het einde, maar het kan snel gaan) hervormt de Europese Commissie op ingrijpende wijze de CSRD en CSDDD. De CSRD zou dit jaar tot eerste (gedeeltelijke) resultaten leiden, de CSDDD was nog lang niet in werking getreden.

Wat de CSRD betreft, bestaat de kern van de hervorming erin dat aanzienlijk minder ondernemingen rechtstreeks onder het toepassingsgebied zullen vallen. Ook zal de info die kan worden opgevraagd aan ondernemingen in de “value chain” zal strikter worden omlijnd.

Wat de CSDDD betreft, is de koerswijziging bijzonder ingrijpend. Op zowat alle kernprincipes van de oorspronkelijke richtlijn wordt teruggekomen, gaande van de draagwijdte van de due diligence-verplichting tot het aansprakelijkheidsregime. De term “uitkleding” is hier wellicht op zijn plaats.

De geïnformeerde lezer van deze blog kent de politieke en economische achtergrond van de voorgestelde wijzigingen. En iedereen kan daar zijn (liefst gefundeerde) mening over hebben. Een objectieve vaststelling betreft de snelheid van dit alles. Op enkele maanden tijd wordt wetgeving (nochtans het resultaat van uitgebreide voorafgaande impactanalyses, consultaties en andere rituele handelingen) – die voor het grootste deel nog in werking moest treden – fundamenteel bijgesteld. Met Recht (geschreven met hoofdletter) heeft dit niet veel te maken. Met politiek des te meer.  

Schrijf nu in – volgende week 27 feb: studiemiddag over exit van aandeelhouders (wettelijk, statutair, contractueel)

Tijdens een studienamiddag op donderdag 27 feb. 2025 (Leuven en online) zullen enkele experten enkele in praktijk zeer relevante topics rond de uittreding en uitsluiting voor u toelichten vanuit een praktische invalshoek. [inschrijflink]

Deelnemers ontvangen op de studiedag zelf het boek van dr. Olivier Roodhooft  over Misbruik van de uittreding en uitsluiting van aandeelhouders

PROGRAMMA

13u30-13u35

Korte introductie door de voorzitter

Prof. Dr. Sofie Cools (Co-directeur Jan Ronse Instituut, KU Leuven)

13u35- 14u00

It’s the liquidity, stupid: vermogensafscheiding, liquidatiebescherming en liquiditeit in het organisatierecht

Prof. Dr. Joeri Vananroye (KU Leuven, advocaat)

14u00 – 14u25

Strategie bij aandeelhoudersconflicten en de rol van de uittreding en uitsluiting

Prof. Dr. Robbie Tas (KU Leuven, advocaat)

14u25 – 14u50

Misbruik van de uittreding en uitsluiting van aandeelhouders: de brug tussen feit en recht bij exit-regelingen

Dr. Olivier Roodhooft (KU Leuven, advocaat)

14u50-15u20

Pauze

15u20-15u45

Inzichten uit een vergelijking tussen de ontbinding en de uittreding

Dr. Jasper Van Eetvelde (KU Leuven, advocaat)

15u45-16u10

Subsidiair karakter van de geschillenregeling : van ondergeschikt belang ?

Prof. Dr. Stijn De dier (KU Leuven, advocaat)

16u10-16u35

De ene geschillenregeling is de andere niet: de combinatie van de gerechtelijke geschillenregeling en de statutaire en conventionele geschillenbeslechtingsmechanismen

Prof. Dr. Dominique De Marez (KU Leuven, advocaat) en mr. Anouk Vantomme (advocaat)

16u35-16u55

Vragensessie

16u55-17u

Afsluiting door voorzitter

Prijs

De inschrijvingsprijs van 240 EUR omvat het boek Misbruik van de uittreding en uitsluiting van aandeelhouders, dat op de studiemiddag zelf wordt overhandigd (winkelprijs EUR 95). De documentatie wordt digitaal ter beschikking gesteld aan deelnemers. [inschrijflink]

Inschrijvingsprijs zonder boek: 190 EUR. [inschrijflink]

Erkenningen

OVB – 3 punten

IGO – Instituut voor Gerechtelijke Opleiding

IBJ – Instituut voor bedrijfsjuristen – 3 punten

[inschrijflink]

Nieuwe Europese vennootschapsrichtlijn 2025/25: meer dan digitalisering

Een post door gastbloggers Alain François en Mauro Gisgand (Eubelius)

Op 30 januari 2025 trad de Richtlijn 2025/25 rond het gebruik van digitale instrumenten en processen in het vennootschapsrecht in werking.  Deze Richtlijn brengt niet alleen vernieuwende maatregelen rond digitalisering, maar introduceert ook ingrijpende veranderingen voor de in België veelgebruikte Vennootschap Onder Firma (“VOF”) en Commanditaire Vennootschap (“CommV”).

De Belgische wetgever heeft de tijd tot 31 juli 2027 om deze richtlijn om te zetten in nationaal recht, en tot 1 augustus 2028 om ze in de praktijk toe te passen. Voor een beperkt aantal artikelen geldt een langere omzettingstermijn tot 1 augustus 2029.

We belichten enkele van de belangrijkste nieuwigheden. 

Continue reading “Nieuwe Europese vennootschapsrichtlijn 2025/25: meer dan digitalisering”

Liquiditeit als een verborgen motor in de geschiedenis van het organisatierecht – de ‘oneigenlijke CV’ als case study

Trop de liberté nuit.

De vennootschap en de vereniging lijken op het eerste zicht twee totaal verschillende werelden,  met een scherpe scheidingslijn ertussen. In realiteit is er een overlap, en die overlap zijn de onrechtstreekse vermogensvoordelen. Stel dat de handelaren van de Leuvense Diestsestraat een  braderij organiseren, niet zozeer omdat ze grote opbrengsten willen uit die braderij, wel om klandizie te lokken met goedkope worsten zodat er indirect winst wordt gemaakt door de handelaren. Dat zijn onrechtstreekse vermogensvoordelen. Deze activiteit kan zowel onder de vorm van een vennootschap als onder de vorm van een verenging gebeuren.

Die onrechtstreekse vermogensvoordelen worden doorgaan geassocieerd met de CV (ook al zijn ze niet beperkt tot deze vorm). Het moment waarop de vrees voor non-profitgebruik van vennootschapsvormen (zie hier) begint af te brokkelen is net rond 1873 als de Belgische wetgever de coöperatieve vennootschap invoert. Vaak zit men niet in een CV omdat die vennootschap winst maakt en die winst wordt uitgekeerd, maar omdat het lid of de vennoot (tekenend dat beide termen door mekaar worden gebruikt) ook een andere hoedanigheid heeft – meestal leverancier, consument of werknemer. De hoop is dat de vennootschap ervoor zorgt dat in die hoedanigheid de vennoten allerlei voordelen kunnen krijgen. Er worden bv. goederen goedkoop verkocht aan de leden, of er wordt gezorgd dat de door de leden geproduceerde landbouwproducten beter worden verkocht.

Continue reading “Liquiditeit als een verborgen motor in de geschiedenis van het organisatierecht – de ‘oneigenlijke CV’ als case study”

Is de belangenconflictprocedure van toepassing op de inkoop van eigen aandelen?

Cassatie zegt: het hangt ervan af

Moet een vennootschap de belangenconflictprocedure toepassen op de inkoop van eigen aandelen? Op 24 november 2022 had het hof van beroep van Antwerpen negatief geantwoord op deze vraag, omdat de beslissing tot inkoop volgens het hof van beroep “niet van toepassing [is] op beslissingen die tot de bevoegdheid van de algemene vergadering zelf behoren, zoals de inkoop van eigen aandelen” (zie hier op deze blog en hier voor een annotatie in het TRV-RPS). Het arrest betrof de oude belangenconflictprocedure in artikel 523 W.Venn., maar de vraag blijft relevant onder artikel 7:96 WVV.

In een arrest van 17 januari 2025 bevestigt het Hof van Cassatie het arrest van het hof van beroep. Net als het hof van beroep stelt het Hof van Cassatie: “De belangenconflictprocedure is niet van toepassing op beslissingen die behoren tot de bevoegdheid van de algemene vergadering.” 

Continue reading “Is de belangenconflictprocedure van toepassing op de inkoop van eigen aandelen?”

Het hek van Chesterton, de dode hand en het regeerakkoord-De Wever

Liquiditeit als de motor van de geschiedenis van en de breuklijnen in het organisatierecht

Een Leuvense professor rechten heeft het voorrecht in vele steden in Vlaanderen en Brussel te mogen doceren. Zo geef ik in Kortrijk onder meer college over het overzicht van rechtsvormen en de grote breuklijnen in het organisatierecht.

Op weg naar dit college zag ik vanuit het raam van de trein, ergens voorbij Harelbeke wanneer de trein al afremt en dus de aangelanden van het spoor goed kunnen worden begluurd, een ideale pedagogische illustratie van hoe ons landschap van vennootschaps- en ondernemingsvormen eruit ziet. Ik deel de foto hier graag:

Continue reading “Het hek van Chesterton, de dode hand en het regeerakkoord-De Wever”

Twee vacatures insolventierecht (KU Leuven): doctoraatsbursaal (100%) en onderwijsassistent (20%)

Aan het Instituut voor Handels- en Insolventierecht zijn er twee vacatures:

  • Voltijds doctoraatsbursaal om onderzoek te verrichten in het insolventierecht in ruime zin (uitwinning, zekerheden, faillissement, gerechtelijke reorganisatie), juridische aspecten van corporate finance en/of economische analyse van het recht (promotor: J. Vananroye);
  • Onderwijsassistent (20%) die gedurende één dag per week (zelf in te vullen, maar in principe wel op de campus) wil meewerken met het onderwijsteam insolventierecht onder leiding van prof. Joeri Vananroye. Dit omvat het meewerken aan een nieuwe editie van het studieboek insolventierecht en ander studiemateriaal, aan werkcolleges, onderwijsgroepen, seminaries en geschreven werkstukken (in functie van de voorkeuren van de kandidaat en de noden van het instituut).

De reactietermijn is 6 maart 2025. Contacteer me gerust bij interesse of als er meer vragen zijn.

Joeri Vananroye

‘It’s the liquidity, stupid’ – over de nadelen van vermogensafscheiding voor persoonlijke schuldeisers van aandeelhouders

Belang van liquiditeit voor derden

Vermogensafscheiding en bescherming tegen vereffening (capital lock-in) behoren, naast beperkte aansprakelijkheid, tot de belangrijkste juridische attributen van de vennootschapstechniek. Aandeelhouders, hun rechtsverkrijgers en hun persoonlijke schuldeisers kunnen hierdoor zelf niet over de vennootschapsgoederen beschikken noch ze uitwinnen of terugnemen.

Deze kenmerken komen met een maatschappelijke kost: de aandeelhouders, hun rechtsverkrijgers en de persoonlijke schuldeisers verliezen liquiditeit. Daarbij gaat onze aandacht vooral naar de persoonlijke schuldeisers van aandeelhouders. Zij ondergaan deze attributen zonder dat ze hiervoor vrijwillig kozen of er redelijkerwijze hun positie op konden afstemmen.

Belang van persoonlijke schuldeisers

De persoonlijke schuldeisers zijn nochtans belangrijk in de praktijk. Ze zijn de schuldeisers van de holdingmaatschappij bekeken vanuit de dochtervennootschap waar de inkomsten binnenkomen; de schuldeisers van de familie die haar vermogen in een patrimoniumvennootschap heeft gestopt; of de schuldeisers van de ondernemer die haar ganse professionele activiteit via een eenpersoonsvennootschap uitoefent. Hun positie werd terecht bestempeld als de meest miskende uitdaging voor het organisatierecht (H. Hansmann, R. Kraakman en R. Squire, “Law and the rise of the firm”, Harvard Law Review 2006, 1403).

Continue reading “‘It’s the liquidity, stupid’ – over de nadelen van vermogensafscheiding voor persoonlijke schuldeisers van aandeelhouders”

Reflectie over de grondwettigheid van de regels omtrent het recht op terugvordering van eigendom voorzien in boek XX WER.

Een post door gastblogger Vincent Verlaeckt

1. Zoals gekend, voorziet artikel XX 194 WER in een procedure dewelke een eigenaar moet volgen om zijn goederen in het bezit van de gefailleerde terug te vorderen.  Op straffe van verval moet de rechtsvordering tot terugvordering worden ingesteld voor de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen. Deze regel wordt ervaren als een pijnlijke hakbijl. De revindicatietermijn is kort – soms maar 35 dagen – en het gevolg van laattijdigheid volgens sommigen fataal.

2. Op deze blog (hier) werd reeds kundige duiding verschaft bij het cassatie-arrest van 20 september 2024. Middels voormeld arrest heeft het Hof van Cassatie volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof gesteld:

‘Schendt artikel XX.194, tweede lid, WER artikel 16 Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, in zoverre de eigenaar van goederen die in het bezit van de gefailleerde zijn, vervallen is van zijn recht op terugvordering van deze goederen wanneer hij dat recht uitoefent na de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen?’

Er wordt met andere woorden de vraag gesteld of de regeling zoals die op vandaag is neergelegd in artikel XX.194 WER wel bestaanbaar is met het grondwettelijk verankerd recht op (het ongestoord genot en gebruik van) eigendom.

Continue reading “Reflectie over de grondwettigheid van de regels omtrent het recht op terugvordering van eigendom voorzien in boek XX WER.”

PhD Workshop on European/International Insolvency Law | 7th edition

Following six successful editions, the Stichting Bob Wessels Insolvency Law Collection (BWILC) is pleased to announce its 7th PhD Workshop on European/International Insolvency Law. PhD students are invited to present their research ideas in the area of European/ International Insolvency Law, and discuss the challenges and questions they face.

The two-day workshop will be held on Wednesday 7 and Thursday 8 May 2025 at Leiden University (Leiden, the Netherlands).

Continue reading “PhD Workshop on European/International Insolvency Law | 7th edition”