Ongeorganiseerde gedachten over het zgn. organisatie-vereiste n.a.v. HvJ 14 november 2024 (Agenciart)

Een betekenis voor het Belgisch insolventierecht?

De Richtijn Betalingsachterstand Handelstransacties (Richtlijn 2011/7/EU) is van toepassing op “transacties tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties die leiden tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding”. Onderneming wordt daarbij gedefinieerd als :

In een arrest van 14 november 2024 (ECLI:EU:C:2024:959) antwoordt het Hof van Justitie op een prejuciciële vraag van een Portugese rechter of een natuurlijke persoon die gewoonlijk als zelfstandige tegen vergoeding het beroep van actrice uitoefent, maar die niet beschikt over een eigen bedrijfsruimte, personeel, gereedschap of uitrusting die verband houden met haar beroepsactiviteit, onder dat begrip „onderneming” valt.

Het Hof beantwoordt dit positief: een natuurlijke persoon die gewoonlijk als zelfstandige tegen vergoeding het beroep van actrice uitoefent, maar die niet beschikt over een eigen bedrijfsruimte, personeel, gereedschap of uitrusting die verband houden met haar beroepsactiviteit, valt onder het begrip „onderneming” in de zin van de Richtlijn Betalingsachterstand Handelstransacties.

Bij een natuurlijke persoon voegt is er geen organisatievereiste die bij de natuurlijke persoon iets toevoegt aan het vereiste dat de transactie kadert in een zelfstandige beroepsmatige activiteit. Rechtsoverweging 29: “Dit vereiste impliceert dat die persoon die activiteit gestructureerd en duurzaam uitoefent, zodat het bij die activiteit niet slechts dient te gaan om één geïsoleerde verrichting, en dat de betrokken transactie wordt gesloten in het kader van die activiteit (zie in die zin arrest van 15 december 2016, Nemec, C‑256/15, EU:C:2016:954, punt 34).”

* * *

Artikel 2, 2 van de Belgische Wet Betalingsachterstand Handelstracties neemt de definitie uit de richtlijn over. Het arrest Agenciart zal daar weinig veranderen. Een organisatievereiste zoals gesuggereerd door de verwijzende rechter is bij mijn weten in België nooit voorgesteld.

* * *

Waar het arrest wel olie op een reeds laaiend brandende afvalcontainer zal gooien is bij de interpretatie van het toepassingsgebied van het formele ondernemingsbegrip van art. I.1,1° WER.

Continue reading “Ongeorganiseerde gedachten over het zgn. organisatie-vereiste n.a.v. HvJ 14 november 2024 (Agenciart)”

Wat als… de vereffenaar zijn taak naar behoren had vervuld?

Cass. 30 september 2024 (C.23.0457.N)

Het Hof van Cassatie verduidelijkt de bewijslast bij aansprakelijkheid van de vereffenaar voor vergeten schulden in een arrest van 30 september 2024 (C.23.0457.N)

De aansprakelijkheid van de vereffenaar als remedie voor vergeten schuldeisers

Krachtens artikel 2:106 WVV (voorheen art. 192 W.Venn.) is de vereffenaar zowel de vennootschap als jegens haar schuldeisers aansprakelijk voor de fouten begaan in de uitvoering van zijn opdracht.

Een van de kerntaken van de vereffenaar bestaat erin de schulden naar rang te betalen met het gerealiseerde vennootschapsactief. Een van de fouten die een vereffenaar kan begaan is het vergeten een schuldeiser van de vennootschap in vereffening te betalen. Bij een batige vereffening neemt dan de liquidatieuitkering voor de aandeelhouders proportioneel toe, bij een deficitaire vereffening neemt het beschikbaar actief voor de overige schuldeisers proportioneel toe. De vergeten schuldeiser blijft met lege handen achter.

De vergeten schuldeiser heeft echter enkele remedies ter beschikking. De aansprakelijkheid van de vereffenaar is er één van, op basis waarvan de schuldeiser de vereffenaar kan aanspreken tot vergoeding van de geleden schade die volgt uit de fout van de vereffenaar.

Continue reading “Wat als… de vereffenaar zijn taak naar behoren had vervuld?”

Europese richtlijn betreffende meervoudig stemrecht voor genoteerde vennootschappen gepubliceerd

Een post door gastblogger Carl Clottens

Richtlijn 2024/2810 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 betreffende structuren met aandelen met meervoudig stemrecht in ondernemingen die om de toelating tot de handel van hun aandelen op een multilaterale handelsfaciliteit verzoeken (hierna de ‘MVS-richtlijn’), werd vandaag gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=OJ:L_202402810). De richtlijn treedt in werking op 4 december 2024 en dient te worden omgezet tegen 4 december 2026.

De MVS-richtlijn maakt deel uit van de zgn. EU Listing Act, een geheel van maatregelen om de Europese kapitaalmarktunie verder te ontwikkelen[1]. De Listing Act brengt onder meer ook belangrijke wijzigingen (versoepelingen) aan in de marktmisbruikverordening (‘MAR’) en de prospectusverordening[2].

De MVS-richtlijn is tot nu toe enigszins onderbelicht in de nieuwsbrieven die over de Listing Act verschenen zijn. In een notendop houdt deze richtlijn het volgende in[3]:

Continue reading “Europese richtlijn betreffende meervoudig stemrecht voor genoteerde vennootschappen gepubliceerd”

De ‘corporate interest’-test bij zekerheden: bij welke organisaties?

VZW, stichting, VOF, maatschap

Bij vennootschappen dient een persoonlijke of zakelijke zekerheid die wordt gesteld zonder een marktconforme vergoeding verantwoordbaar zijn vanuit het eigen belang van die rechtspersoon.

Daarmee heeft de rechtspersoon een grens aan het beheer van het vermogen die een natuurlijke persoon niet heeft (al zijn er bij natuurlijke personen ook wel een reeks aanvechtingsmogelijkheden voor verarmende handelingen). Dat is de ‘prijs’ die betaald moet worden om te kunnen genieten van vermogenssplitsing (beperkte aansprakelijk en afgescheiden vermogen).

Continue reading “De ‘corporate interest’-test bij zekerheden: bij welke organisaties?”

Ondernemen vanuit het buitenland na een strafrechtelijk bestuursverbod

Een post door gastbloggers
Ana Laura Claes (ULiège) en Andreo Gooris (KU Leuven)

Kunnen ondernemers met een bestuursverbod, opgelegd door een Belgische strafrechter, zomaar hun ondernemingsactiviteiten verder zetten vanuit een buitenlandse vennootschap? Deze belangrijke vraag staat centraal in deze blogpost. Het hof van beroep van Gent besloot immers, met een autonome strafrechtelijke interpretatie van wat een ‘vestiging’ is, dat ook sporadische activiteiten van een buitenlandse vennootschap op Belgisch grondgebied tot een schending van het bestuursverbod kunnen leiden (Gent 27 juni 2022, 2017/NT/1106). Die schending is op zichzelf een nieuw misdrijf.

Continue reading “Ondernemen vanuit het buitenland na een strafrechtelijk bestuursverbod”

Enkele oncomfortabele vennootschapsrechtelijke gedachten bij de ‘letter of comfort’

De LoC en het vennootschapsbelang

De ‘letter of comfort’ (‘LoC’) kwam eerder aanbod (afdwingbaar door wie en voor wat?). Daarbij zijn er ook enkele punten in het licht van de plicht om in het vennootschapsbelang te handelen. Deze punten krijgen soms misschien te weinig aandacht.

Continue reading “Enkele oncomfortabele vennootschapsrechtelijke gedachten bij de ‘letter of comfort’”

Is een een ‘letter of comfort’ afdwingbaar – en vooral voor wat?

Over het lot van de LoC bij faillissement van de gepatroneerde vennootschap

Een eerdere post keek naar de vraag of een Letter of comfort (‘LoC’) afdwingbaar is en door wie. Daar mee is nog niet gezegd: voor wat? Bij elke LoC zal men in concreto moeten nagaan of en waartoe de emittent zich heeft willen verbinden. Ik zie drie types van verklaringen:

(a) Een louter informatieve verklaring waarbij de emittent niet ‘garandeert’ dat de gepatroneerde vennootschap haar verbintenissen zal nakomen.

Bv. de emittent verklaart op de hoogte te zijn van het bestaan van de kredietovereenkomst tussen de begunstigde en de (dochter)vennootschap.

Bv. de emittent verklaart aan de koper van aandelen dat het verkopende gepatroneerde private equity fonds het recht heeft uitkeringen aan haar investeerders terug te claimen als dat nodig is om aansprakelijkheden uit de overdrachtsovereenkomst na te komen.

Een informatieve verklaring mag niet zomaar worden weggezet als niet-verbindend. Indien de verklaring verkeerd is kan dit leiden tot aansprakelijkheid t.a.v. wie erop is afgegaan (E. Dirix, “Gentlemen’s agreements”, RW 1985-86, 2146, nr. 39). Het is niet moeilijk in te beelden hoe dit in bepaalde gevallen kan leiden tot een aansprakelijkheid die gelijk is aan de ‘verzekerde hoofdschuld’ en nog wat.

Continue reading “Is een een ‘letter of comfort’ afdwingbaar – en vooral voor wat?”

Is een een ‘letter of comfort’ afdwingbaar – en vooral door wie?

Over het belang van het onderscheid tussen gerichte of ongerichte LoC’s

Letters of comfort (LoC) of patronaatsverklaringen worden vooral geassocieerd met vennootschapsgroepen. De moedervennootschap (emittent) verklaart iets aan de medecontractant van de gepatroneerde dochtervennootschap (begunstigde) met als doel het verhogen van de kredietwaardigheid van de dochtervennootschap (gerichte verklaring). Dit gebeurt vaak in het kader van een kredietovereenkomst, maar kan ook bij andere overeenkomsten – elke overeenkomst is immers in de kiem een kredietovereenkomst (bv. in een share purchase agreement heeft de verkoper een potentieel grote aansprakelijkheid t.a.v. de koper). Deze gerichte verklaring gebeurt meestal op verzoek van de begunstigde (die al dan niet in de verklaring wordt geïdentificeerd).

In andere gevallen is de verklaring niet geadresseerd aan specifieke begunstigden (ongerichte verklaring). Dan is ze doorgaans afgeleverd op vraag van het bestuursorgaan van de gepatroneerde vennootschap. Dat gebeurt vaak op verzoek van de commissaris van de dochtervennootschap die twijfels heeft bij haar continuïteit (L. Leber, De patronaatsverklaring, Deventer, Wolters Kluwer, 2017, 23).

Niet zelden is de keuze voor het instrument van de LoC een onmogelijke poging om juridische kool en geit te sparen.

Continue reading “Is een een ‘letter of comfort’ afdwingbaar – en vooral door wie?”

Er staat nog steeds een fout(je) in boek XX WER

Mr. Vincent Verlaeckt over het provisioneel ereloon van de curator

Enige tijd geleden heb ik op deze blog – in verschillende etappes – bericht over enkele foutjes in boek XX.WER.  Er werd op verschillende plaatsen in boek XX verwezen naar verkeerde wetsartikelen.

Dit heeft o.a. geleid tot wijziging van artikel XX.106 WER bij “Wet om justitie menselijker, sneller en straffer te maken“ van 28 november 2021 en tot wijziging van artikel XX.229 WER bij “Wet tot omzetting van Richtlijn 2019/1023” van 7 juni 2023.

Bij het avondlijk doorbladeren van boek XX.WER is mijn oog thans gevallen op art. XX.20 § 5 WER.

Op basis van artikel XX.20 § 5 WER kan een curator tussentijds verzoeken een provisioneel ereloon toe te kennen in afwachting van de sluiting van het faillissement.

Continue reading “Er staat nog steeds een fout(je) in boek XX WER”

Meer dan een derde, niet gelijk aan één – de “vergeten” hoofdelijk aansprakelijke vennoot

Gastblogger meester Joost van Riel over een onopgemerkte recente wijziging aan het WVV

Hoofdelijk aansprakelijke vennoten (hierna kort de “werkende vennoten”) van een VOF, CommV of maatschap, fascineren vennootschapsjuristen al jaren.[i] Een recente wijziging van het WVV brengt hen opnieuw onder de aandacht.

Een juridische twee-eenheid

Het voorwerp van de fascinatie is de verhouding tussen enerzijds de rechtspositie van de vennootschap en anderzijds de rechtspositie van de vennoten.  

Zoals het WVV bevestigt, zijn werkende vennoten persoonlijk en hoofdelijk gehouden voor schulden van de vennootschap, of beter: tegenover de vennootschapsschuldeisers (artikel 4:14 en 4:26 WVV). Eerder dan een zekerheidsmechanisme, geven deze bepalingen uitdrukking aan de rechtstreekse gehoudenheid van de hoofdelijk aansprakelijke vennoten tegenover de vennootschapsschuldeisers.

Continue reading “Meer dan een derde, niet gelijk aan één – de “vergeten” hoofdelijk aansprakelijke vennoot”

Bankiersaansprakelijkheid voor phishing en andere niet-toegestane transacties – enkele conceptuele beschouwingen bij het debat

Een post door gastblogger Simon Landuyt

Het is geweten dat een betalingsdienstaanbieder – in praktijk meestal een bank – vrij snel aansprakelijk is voor “niet-toegestane” betalingstransacties. Dit betekent dat wanneer uw bankrekening wordt leeggeroofd, bv. in het kader van phishing of een gestolen bankkaart, uw bank het gestolen bedrag zal dienen te crediteren.[1] Dit gaat niet enkel voor de slachtoffers vaak om substantiële bedragen, maar ook voor de banken is het totale kostenplaatje zeer materieel.

Banken trachten dan ook op verschillende wijzen het probleem van niet-toegestane transacties te beperken. Denk maar aan de vele campagnes rond phishing, de beperkingen op het bedrag dat u cash kan afhalen, het blokkeren van kaarten in het buitenland, etc. Een “last resort” van de banken om hun kosten in dit verband te beperken is door hun aansprakelijkheid op juridische gronden te betwisten. Vaak wordt daarbij ingeroepen dat de gebruiker “grof nalatig” is geweest, wat de bank toelaat om te ontsnappen aan hun aansprakelijkheid.

Er bestaat bij sommigen het gevoel dat banken al te vaak de notie grove nalatigheid inroepen, waardoor het slachtoffer gedwongen wordt om naar de rechtbank te stappen. Doordat niet iedereen de extra horde van de rechtbank neemt zou in praktijk er minder aansprakelijkheid bij de bank gelegd worden dan de Europese en Belgische regelgever in abstracto voorzagen.

Vandaag kan je in de Tijd lezen dat in de zogenaamde “supernota” van de federale onderhandelaars er maatregelen voorzien zijn die ervoor zouden moeten zorgen dat banken netto meer aansprakelijkheid zullen dragen voor niet-toegestane betalingstransacties. O.a. door de adviezen van de Ombudsfin (een minder hoge drempel dan een rechtbank) bindend te maken, en de Economische Inspectie via boetes de banken ertoe te dwingen zich coulanter op te stellen.

Continue reading “Bankiersaansprakelijkheid voor phishing en andere niet-toegestane transacties – enkele conceptuele beschouwingen bij het debat”

De kennelijk grove fout is kennelijk duidelijk geformuleerd

GwH 19 september 2024

In een arrest van 19 september 2024 beantwoordde het Grondwettelijk Hof de vraag of artikel XX.229 WER, dat de mogelijkheid biedt aan de ondernemingsrechter om een beroepsverbod op te leggen aan de gefailleerde die een kennelijk grove fout die heeft bijgedragen aan faillissement heeft begaan, een sanctie van strafrechtelijke aard omvat, waardoor het wettigheidsbeginsel van artikel 14 van de Grondwet en artikel 7 van het EVRM moet worden gerespecteerd.

Continue reading “De kennelijk grove fout is kennelijk duidelijk geformuleerd”

Rechtsmisbruik is geen zelfstandige grond voor weigering van kwijtschelding – Cassatie

Cass. 28 juni 2024

Louter op grond van rechtsmisbruik kan de kwijtschelding van een gefailleerde niet worden geweigerd. Zo bevestigt een cassatiearrest van 28 juni 2024.

De Franstalige eerste kamer casseert een arrest van het Brusselse hof van beroep omdat het op grond van rechtsmisbruik weigerde een financiële consultant kwijtschelding te verlenen. De feiten illustreren nochtans de noodzaak van uitzonderingen op het “recht” op kwijtschelding. De man had al verschillende faillissementen achter de rug, waaronder een aantal als aandeelhouder en/of bestuurder van vennootschappen waarvoor hij zich borg had gesteld. Dat leverde hem in de periode 2015 tot 2019 een aanzienlijke schuldenlast op. Op 1 oktober 2019 wordt hij, ietwat cynisch, zelfstandig financiële consultant als natuurlijke persoon-ondernemer. Op Valentijnsdag 2020 doet hij aangifte van faillissement en dient hij een verzoek tot kwijtschelding in (het oude recht is immers van toepassing). Het passief is aanzienlijk en bestaat, zo luidt het verslag van de curator, voornamelijk uit de persoonlijke schulden die dateren van vóór de opstart van zijn nieuwe activiteit.

Continue reading “Rechtsmisbruik is geen zelfstandige grond voor weigering van kwijtschelding – Cassatie”

De omvang van de gehoudenheid van een verkoper van niet-volgestorte aandelen tot volstorting

Een post door gastblogger Anneleen Steeno (intui)

Het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) voorziet in artikel 5:66 (BV) en 7:77 (NV) in de hoofdelijke gehoudenheid tot volstorting van zowel de overdrager als de overnemer van niet-volgestorte aandelen. Deze wettelijke bepaling is van dwingend recht en laat niet toe dat partijen contractueel anders bepalen. De overdrager is pas bevrijd van deze hoofdelijke aansprakelijkheid nadat er vijf jaren zijn verstreken na de (tegenstelbaarheid van de) overdracht. Wordt de overdrager aangesproken, heeft hij wel een regresvordering op de overnemer (tenzij contractueel anders was bedongen). De gehoudenheid geldt voor het bedrag waarvoor de aandelen niet werden volgestort, ongeacht het tijdstip waarop de schulden van de vennootschap ontstonden.

Continue reading “De omvang van de gehoudenheid van een verkoper van niet-volgestorte aandelen tot volstorting”

Misbruik van vennootschaps-goederen: de relatieve in concreto beoordeling van het betekenisvol nadeel van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en van die van zijn abstracte schuldeisers of vennoten (Cass. 5 april 2023)

Een post door gastblogger mr. Maximilien Arnoldy (Freshfields, VUB)

Principearresten van het Hof van Cassatie over misbruik van vennootschapsgoederen zijn legio. Dit misdrijf, met zeer specifieke bestanddelen, vereist veel interpretatiewerk door de feitenrechters en bijgevolg ook veel toezicht door het Hof van Cassatie. In een arrest van 5 april 2023 (AR P.22.1642.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230405.2F.3) kreeg de  Franstalige tweede kamer van het Hof opnieuw de kans om zich hierover uit te spreken, naar aanleiding van de veroordeling van een deurwaarder wegens misbruik van vennootschapsgoederen door het hof van beroep te Luik (ECLI:BE:CALIE:2022:ARR.20221116.1). Enerzijds zou de betrokken deurwaarder ten onrechte fondsen hebben onttrokken aan de vennootschap van het gerechtsdeurwaarderkantoor waarvan zij medevennoot was, voor een totaalbedrag van 124.905,16 EUR, waarbij zij deze als precaire voorschotten beschouwde omdat zij op de rekening-courant waren geboekt. Anderzijds zou de beklaagde de vennootschap meermaals hebben laten betalen voor uitgaven die privé-uitgaven waren van de beklaagde (zoals telefoonabonnementen voor haar familie, familiale lidmaatschapsgelden van de golfclub, huishoudelijke apparaten, meubels en decoratieve artikelen die niet bestemd waren voor het deurwaarderskantoor, …), voor een totaalbedrag van 76.911,61 EUR, bedrag dat niet in rekening-courant was geboekt.

Opdat een bestuurder vervolgd en vervolgens veroordeeld zou kunnen worden wegens misbruik van vennootschapsgoederen dienen verschillende constitutieve bestanddelen vervuld te zijn. Een van deze (materiële) bestanddelen bestaat in het feit dat het verweten “gebruik” van de goederen of van het krediet van de rechtspersoon “op betekenisvolle wijze in het nadeel is van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en van die van zijn schuldeisers of vennoten”. In het besproken arrest heeft het Hof van Cassatie drie verschillende elementen m.b.t. dit bestanddeel verduidelijkt, minstens bevestigd:

Continue reading “Misbruik van vennootschaps-goederen: de relatieve in concreto beoordeling van het betekenisvol nadeel van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en van die van zijn abstracte schuldeisers of vennoten (Cass. 5 april 2023)”