‘Consumentborg’ in een vennootschap- of verenigingscontext

Boek 9, titel 1 treedt in werking op 1 januari 2026

Op 1 januari 2026 treedt boek 9 titel 1 BW in werking. Zoals bekend wordt daarbij het beschermingsregime voor de ‘kosteloze borg’ vervangen door dat van de ‘consumentenborg’. Hier wil ik kort bekijken wat dit betekent voor persoonlijke zekerheden gesteld door een insider (bestuurder, aandeelhouder) voor schulden van een vennootschap.

Art. 9.1.42 al. 1 BW verwijst vooreerst voor de definitie van consument naar art. I.1, 2° WER: “iedere natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit vallen”. Deze definitie, hoewel anders geformuleerd, vormt een zwaluwstaartverbinding met de correlatieve functionele definitie van een onderming als secundair ondernemingsbegrip dat het aanknopingspunt vormt voor enkele boeken van het WER (“duurzaam een economische doel nastreven” – zie bv. art. I.6, 12° of I.8, 39° WER). De definitie van consument is altijd situationeel te bekijken voor de betrokken handeling. Een natuurlijke persoon die onderneming is (in formele of in functionele zin- breviter: een zelfstandige), kan dus voor bepaalde handelingen als consument worden beschouwd. De hoedanigheid op het ogenblik van de zekerheidstelling is relevant. De schuldeiser draagt de bewijslast dat de persoonlijke zekerheidsteller geen consument is voor doelstellingen van boek 9 (art. 9.1.43 al. 4 BW).

Deze definitie maakt dat bestuurders die zich persoonlijk zeker stellen voor hun vennootschap geen beroep kunnen doen op de bescherming voor consumentenborgen. Diensten gesteld door een natuurlijke persoon als vennootschapsmandataris als zelfstandige (en niet als werknemer in ongeschikt verband) worden beschouwd als een professionele activiteit (J. Vananroye en K.-J. Vandormael, “Boek I WER en Wet Natuurlijke Rechter: van handelsrecht naar ondernemingsrecht”, in Het Wetboek van economisch recht: van nu en straks?, 26, nr. 21; J. Vananroye, Leerstukken ondernemingsrecht, Intersentia, 2020, 32, nr. 38.). Een persoonlijke zekerheid door een bestuurder voor een schuld van zijn vennootschap is geen handeling die buiten zijn professionele activiteit valt.

De (betwistbare) cassatie-rechtspraak met een bijkomende ‘organisatie-voorwaarde voor bestuurders als onderneming kunnen worden gekwalificeerd is hier irrelevant: deze rechtspraak gaat over het formele ondernemingsbegrip van art I,1, 1° WER (Zie o.m. in voltallige zitting van de eerste kamer: Cass. 23 november 2023, TRV/RPS, 2024/3, 262, noot I. Vanwalleghem en N. Appermont: “De kwalificatie van bestuurders als onderneming: Errare humanum est, sed perseverare…”). Voor doeleinden van boek 9 speelt het begrip consument (met het functionele ondernemingsbegrip als correlatief en tegengesteld begrip). Voor een bestuurder als zelfstandige zijn bestuursmandaat uitoefent, kan er weinig twijfel zijn dat dit het beschermingsregime van de consumentenborg uitsluit. Zo ook J. Baeck en J. Marchau, “Wetsvoorstel persoonlijke zekerheid: van kosteloze borgtocht naar consumentenborgtocht”, RW 2024-25, 1246, weliswaar m.b.t. de oorspronkelijke formulering van het wetsvoorstel dat sprak over de afwezigheid van een ‘functionele band’.

Dat beschermingsregime kan wel van toepassing zijn op een bestuurder van een VZW die zijn mandaat niet als zelfstandige uitoefent (bv. als de VZW niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting en het mandaat on- of laagbezoldigd wordt uitgeoefend).

Of de betrokken bestuurder al dan niet een substantiële invloed heeft op de gepatroneerde vennootschap is niet bepalend. Dit criterium is een bijkomende reden om het beschermingsregime uit te sluiten indien de hoofdschuldenaar een rechtspersoon is, maar moet pas onderzocht worden indien de zekerheidsteller onder de gewone definitie van consument valt. Dat is voor de vennootschapsbestuurder dus niet het geval.

Indien de hoofdschuldenaar een rechtspersoon is, de bescherming van de consumentenborg bovendien niet van toepassing op de zekerheidsteller (ook al is die een consument in de gebruikelijke definitie) indien deze een substantiële invloed kan uitoefenen op de besluitvorming van die rechtspersoon.

De verantwoording bij het relevante Amendement 11 verwijst hiervoor naar o.m. naar het begrip controle in art. 1:14 en 1:18 WVV. Art. 1:14 § 1 WVV definieert controle als “de bevoegdheid in rechte of in feite om een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van bestuurders of zaakvoerders of op de oriëntatie van het beleid”. Ik begrijp die verwijzing zo dat als er controle is in de zin van het WVV, er evident sprake is van een substantiële invloed in de zin van boek 9 BW. Ook als er gezamenlijke controle is, is er een substantiële invloed. Onder gezamenlijke controle wordt begrepen “de controle die een beperkt aantal vennoten samen uitoefenen, wanneer zij zijn overeengekomen dat beslissingen over de oriëntatie van het beleid niet zonder hun gemeenschappelijke instemming kunnen worden genomen” (art. 1:18 al. 1 WVV).

 Uit de afwezigheid van controle in de zin van het WVV moet echter niet noodzakelijk de afwezigheid van een substantiële invloed worden afgeleid. In de gewone betekenis van deze woorden ligt de drempel voor dat laatste begrip ligt lager. Te denken valt aan de hypothese van enkele aandeelhouders die elk apart geen controle hebben, die ook geen formele overeenkomst hebben die toelaat te besluiten tot gezamenlijke controle, maar die op het ogenblik van de zekerheidstelling de oriëntatie vanhet beleid wel samen sturen. In zo’n geval lijkt er me ook sprake van substantiële invloed van elk van die aandeelhouders.

Anders dan het oude recht stelt boek 9 de controle en niet het economisch voordeel voorop. Hieruit kan worden afgeleid dat een samenwonende partner van een aandeelhouder of bestuurder wel beroep kan doen op de bescherming voor de consument-borg, wat ondere het oude recht was betwist. Zie de verantwoording bij het relevante Amendement nr. 11 (Parl. St. Kamer 2024,  0261/002, p. 14): “Het is met de voorgestelde regeling duidelijk dat het loutere feit dat er een huwelijksrelatie of andere samenwoningsvorm bestaat tussen de hoofdschuldenaar en de borg dan wel tussen de bestuurder of aandeelhouder van de rechtspersoon die hoofdschuldenaar is en de borg, op zichzelf aan deze laatste de bescherming van de regels uit de consumentenborg niet ontneemt. Het feit dat de borg in het kader van de samenwoningsrelatie diensten verricht voor de hoofdschuldenaar of diens vennootschap, ontneemt evenmin deze bescherming. Indien een echtgenoot bijvoorbeeld administratieve taken of de boekhouding doet voor de vennootschap van de andere echtgenoot, betekent dit niet noodzakelijk dat de borg een substantiële invloed op de vennootschap kan hebben.”

Eén passage uit de verantwoording bij het relevante Amendement nr. 11 creëert meer mist dan klaarheid:

“Het feit dat de borg bestuurder is binnen de hoofdschuldenaar/rechtspersoon ontneemt hem of haar in beginsel wel de bescherming, tenzij in concreto zou worden aangetoond dat de borg geen enkele feitelijke of juridische zeggenschap kan hebben, bv. omdat het bestuursmandaat enkel is ingesteld om een consumentenborg te vermijden of omdat de feitelijke bestuurder van de hoofdschuldenaar een beroepsverbod heeft gekregen. Hetzelfde geldt voor een feitelijke bestuurder bij wie de kwalificatie als feitelijke bestuurder is erkend door een rechter.” (Amendement nr. 11, Parl. St. Kamer 2024, 0261/002, p. 14.)

Waar weinig discussie over kan bestaan is dit:

  • Wie formeel bestuurder is kan in de regel niet genieten van de bescherming van de consumentenborg.
  • Wie de facto bestuurder is (waarbij dit mandaat niet wordt gepubliceerd, bv. omwille van een beroepsverbod) kan niet genieten van de bescherming van de consumentenborg. Zo’n persoon zal overigens in de regel ook een ‘substantiële invloed’ hebben.

Waar ik wel moeite mee heb in de verantwoording, is de suggestie dat een bestuurder zou kunnen aantonen dat hij slechts een sham bestuurder is om wel te kunnen genieten van de bescherming van de consumentenborg.

Dat kan gevolgd worden als de betrokken zekerheidsteller op vraag van de schuldeiser enkel bestuurder is geworden om te ontsnappen aan de regels inzake consumentenborg en het voor alle betrokken duidelijk is dat deze bestuurstaak in realiteit niet zal worden uitgevoerd. Het is geen geheim dat financiers soms zeer creatief zijn bij het omzeilen van het beschermingsregime voor natuurlijke personen. Uit de context van de verantwoording lijkt het dat de wetgever hier vooral denkt aan partners van echte bestuurders (die onder de nieuwe regels zoals gezegd dus duidelijk wel onder het beschermingsregime vallen). In dat geval geldt de regel dat tussen partijen de ‘tegenbrief’ (de werkelijke toestand) en niet de gesimuleerde toestand moet worden toegepast (art 5.39 al. 2 BW).

Anders is het voor bv. een stroman van een werkelijke bestuurder getroffen door een beroepsverbod. Het lijkt me ondenkbaar dat deze stroman zich op deze geveinsde toestand kan beroepen om te kunnen genieten van het beschermingsregime, indien de schuldeiser hier niet desbewust aan heeft meegewerkt. Derden te goeder trouw hebben immers de optie om zich te beroepen op de geveinsde toestand (art. 5.39 al. 3 BW).

In géén geval mag uit deze passage worden afgeleid dat een bestuurder-zekerheidsteller kan aantonen dat hij geen substantiële invloed heeft – bv. omdat hij maar één van de velen is – om te kunnen genieten van de bescherming van de consumentenborg. De verantwoording bespreekt deze ontsnappingsweg duidelijk in de context van veinzing en spreekt van “geen enkele feitelijke of juridische zeggenschap.”

* *
*

De conclusie is dat dit beschermingsregime voor persoonlijke zekerheden voor schulden van vennootschappen in de praktijk een eerder zeer beperkte draagwijdte zal hebben.

Dat was niet anders ondere het oude recht voor ‘kosteloze’ borgen. De borgtocht werd geacht ‘kosteloos’ te zijn wanneer enig economisch voordeel ontbreekt, zowel rechtstreeks als indirect, dat de borg kan genieten dankzij de borgstelling. Die kosteloosheid werd in de regel niet aanvaard bij persoonlijke zekerheden door insiders voor hun vennootschap (Zie uitgebreid en kritisch M.E. Storme, Persoonlijke zekerheden en aanverwante rechtsfiguren, 56-60). Hoewel het begrip ‘kosteloos’ hiermee werd gerekt (ibid., 59), spoort het wel met het idee dat persoonlijke zekerheden door vennootschapsinsiders met minder argwaan mogen worden bekeken dan die ten voordele van bv. familieleden of vrienden.

De persoonlijke zekerheid door de insider (natuurlijk persoon, rechtspersoon of andere organisatie) van een vennootschap is immers van een andere orde dan persoonlijke zekerheden in andere situaties, voor economische ‘echte derden’. De zekerheidsteller zal doorgaans de controle hebben over de hoofdschuldenaar en heeft ook een direct belang bij diense financiële situatie. In de feiten identificeert de controlerende aandeelhouder zich sterk met de vennootschap die economisch niet echt een derde is. Men zou kunnen zeggen: bij een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is het de niet-aansprakelijkheid van de controlerende aandeelhouder voor een activiteit die hij controleert en waarvan hij de vruchten plukt, die eigenaardig is. Een persoonlijke zekerheid van die aandeelhouder is slechts een terugkeer naar de normale aansprakelijkheid van een ondernemer die geen vennootschap gebruikt of een moedervennootschap die geen dochtervennootschap heeft.

Joeri Vananroye

Het lot van vordering tot ontbinding wegens ontoereikend actief in de BVBA na inwerkingtreding WVV

Cass. 19 mei 2025 (C.22.0246.N): geen ontbinding meer na inwerkingtreding WVV, ook al werd de vordering eerder ingesteld

Art. 333 W.Venn. gaf iedere belanghebbende het recht de ontbinding van een BVBA te vorderen voor de rechtbank, wanneer het netto-actief is gedaald tot beneden het bedrag van 6.200 euro. Indien de drempel was bereikt, kon de rechtbank de vennootschap hoogstens nog een cure period geven om het netto-actief terug boven de minimumdrempel te brengen.

Een gelijkaardige regel staat nog altijd in art. 7:229 WVV voor de NV (met strengere drempels). Voor de BV werd deze ontbindingsmogelijkheid opgeheven met de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.

Continue reading “Het lot van vordering tot ontbinding wegens ontoereikend actief in de BVBA na inwerkingtreding WVV”

Europese richtlijn betreffende meervoudig stemrecht voor genoteerde vennootschappen gepubliceerd

Een post door gastblogger Carl Clottens

Richtlijn 2024/2810 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 betreffende structuren met aandelen met meervoudig stemrecht in ondernemingen die om de toelating tot de handel van hun aandelen op een multilaterale handelsfaciliteit verzoeken (hierna de ‘MVS-richtlijn’), werd vandaag gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=OJ:L_202402810). De richtlijn treedt in werking op 4 december 2024 en dient te worden omgezet tegen 4 december 2026.

De MVS-richtlijn maakt deel uit van de zgn. EU Listing Act, een geheel van maatregelen om de Europese kapitaalmarktunie verder te ontwikkelen[1]. De Listing Act brengt onder meer ook belangrijke wijzigingen (versoepelingen) aan in de marktmisbruikverordening (‘MAR’) en de prospectusverordening[2].

De MVS-richtlijn is tot nu toe enigszins onderbelicht in de nieuwsbrieven die over de Listing Act verschenen zijn. In een notendop houdt deze richtlijn het volgende in[3]:

Continue reading “Europese richtlijn betreffende meervoudig stemrecht voor genoteerde vennootschappen gepubliceerd”

Meer dan een derde, niet gelijk aan één – de “vergeten” hoofdelijk aansprakelijke vennoot

Gastblogger meester Joost van Riel over een onopgemerkte recente wijziging aan het WVV

Hoofdelijk aansprakelijke vennoten (hierna kort de “werkende vennoten”) van een VOF, CommV of maatschap, fascineren vennootschapsjuristen al jaren.[i] Een recente wijziging van het WVV brengt hen opnieuw onder de aandacht.

Een juridische twee-eenheid

Het voorwerp van de fascinatie is de verhouding tussen enerzijds de rechtspositie van de vennootschap en anderzijds de rechtspositie van de vennoten.  

Zoals het WVV bevestigt, zijn werkende vennoten persoonlijk en hoofdelijk gehouden voor schulden van de vennootschap, of beter: tegenover de vennootschapsschuldeisers (artikel 4:14 en 4:26 WVV). Eerder dan een zekerheidsmechanisme, geven deze bepalingen uitdrukking aan de rechtstreekse gehoudenheid van de hoofdelijk aansprakelijke vennoten tegenover de vennootschapsschuldeisers.

Continue reading “Meer dan een derde, niet gelijk aan één – de “vergeten” hoofdelijk aansprakelijke vennoot”

Het FUN ‘flitsfaillissement’: enkele praktijkervaringen van een beoogd curator

Een post door gastblogger meester Jens Vrebos

Op 16 februari 2024 verklaarde de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Brugge de NV FUN Belgium en 6 van haar dochtervennootschappen failliet. Daags nadien wist de pers al dat Toychamp, Dreamland en Yysk 11 van de 26 door de gefailleerde vennootschappen uitgebate speelgoedwinkels hadden overgenomen.

De buitenstaander  zou denken dat de aangestelde curatoren over amper één nacht ijs zijn gegaan met deze overdracht, maar in realiteit waren de curatoren bij beschikking van diezelfde rechtbank van 21 december 2023 al aangesteld als beoogd curatoren in toepassing van de artikelen XX.97/1 tot XX.97/6 WER.

De aanstelling van de beoogd curatoren gold voor dertig dagen, derhalve aflopend op 20 januari 2024 en werd tot tweemaal toe verlengd om uiteindelijk te eindigen per 15 februari 2024. Op 15 februari deden de vennootschappen van de FUN-groep aangifte van faillissement.

Continue reading “Het FUN ‘flitsfaillissement’: enkele praktijkervaringen van een beoogd curator”

Bestuurders na het wegvallen van de immuniteit van uitvoeringsagent: wat kan de rechtspersoon doen om zijn bestuurders te beschermen?

Als een bestuurder van een rechtspersoon een fout maakt in de uitvoering van een overeenkomst tussen die rechtspersoon en een derde, wordt die bestuurder vandaag beschermd door de immuniteit van de uitvoeringsagent.  Die bescherming valt weg na de inwerkingtreding van Boek 6 BW, waarbij we hiervoor hebben opmerkt dat dit niet betekent dat de bestuurder automatisch aansprakelijk wordt voor elke wanprestatie die hem materieel toerekenbaar is.

We hebben er daar ook op gewezen dat het aansprakelijkheidsrisico van bestuurders materieel wel degelijk uitbreidt: ze zullen in de toekomst buitencontractuele aansprakelijkheid riskeren voor gevallen waar ze nu intern niet aansprakelijk zijn.

Wat kan de rechtspersoon (en we veronderstellen dat de rechtspersoon gestuurd wordt door de bezorgde bestuurders) doen om het verhoogde aansprakelijkheidsrisico van bestuurders te beperken? We bekijken dit vanuit het exoneratie- en vrijwaringsverbod van art. 2:58 WVV.

Continue reading “Bestuurders na het wegvallen van de immuniteit van uitvoeringsagent: wat kan de rechtspersoon doen om zijn bestuurders te beschermen?”

Bestuurders en werknemers na het wegvallen van de immuniteit van uitvoeringsagent: de relativiteit van fouten

De wereld na Boek 6 BW

Als een bestuurder van een rechtspersoon een fout maakt in de uitvoering van een overeenkomst tussen die rechtspersoon en een derde, wordt die bestuurder vandaag beschermd door de immuniteit van de uitvoeringsagent. Zelfs als de bestuurder een onrechtmatige daad begaat in de uitvoering van die overeenkomst, kan de derde de bestuurder in de regel niet buitencontractueel aanspreken. De bestuurder kan contractueel eventueel wel bestuursaansprakelijkheid oplopen t.a.v. de rechtspersoon.

Uiteraard zal niet elke wanprestatie door de vennootschap een bestuursfout uitmaken, ook niet als de betrokken wanprestatie materieel aan de betrokken bestuurder kan worden toegerekend. De betrokken bestuurder kan immers de wanprestatie in het contract met de derde hebben gepleegd in het belang van de vennootschap.

Een civilist heeft het er misschien moeite mee dat een onrechtmatige daad niet per se als onrechtmatig in een contractuele verhouding geldt. Voor een commercialist lijkt het echter evident dat een bestuurder zijn taak goed vervult en toch onrechtmatige daden kan plegen. Meer zelfs: een bestuurder die geen onrechtmatige daden pleegt is wellicht zijn job niet goed aan het uitoefenen.

De bescherming van de immuniteit van de uitvoeringsagent zal na de inwerkingtreding van boek 6 BW wegvallen voor de bestuurder. Soms hoort men wel eens dat dit niet leidt tot een uitbreiding van aansprakelijkheid van uitvoeringsagenten, dat dit enkel leidt tot een uitbreiding van het aantal eisers dat deze aansprakelijkheid kan inroepen. Dat is niet correct.

Continue reading “Bestuurders en werknemers na het wegvallen van de immuniteit van uitvoeringsagent: de relativiteit van fouten”

Goedkeuring in parlement van wetsontwerp “Digitalisering Ibis” met aanpassingen aan corporate governance genoteerde vennootschappen

Gisteren, op 21 maart 2024, keurde de Kamer in plenaire vergadering het wetsontwerp “houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis” (ook wel “Digitalisering Ibis”) goed. Er gebeurden geen wijzigingen meer aan de bepalingen omtrent de governance van genoteerde vennootschappen ten opzichte van de tekst aangenomen door de Commissie Justitie.

Relevante bepalingen voor vennootschapsjuristen zijn onder meer:

  • De goedkeuring van de algemene vergadering van de overdracht van meer dan 75% van de activa door genoteerde vennootschap
  • De vereiste dat genoteerde vennootschappen minstens drie onafhankelijke bestuurders moeten tellen
  • De criteria voor onafhankelijkheid in de corporate governance code worden voortaan beschouwd als een noodzakelijke, maar niet voldoende voorwaarde; mogelijke twijfels over de onafhankelijkheid moeten worden gemotiveerd
  • Het bestuursverbod voor veroordeelde bestuurders en managers van genoteerde vennootschappen, onder meer voor leden van de raad van bestuur, de directieraad, de raad van toezicht, het dagelijks bestuur en “andere personen belast met de leiding” (merk op dat het toepassingsgebied van deze bepaling is uitgebreid ten opzichte van het oorspronkelijke wetsontwerp)

Deze bepalingen werden reeds besproken op deze blog door Stijn De Dier. De regel rond de goedkeuring van de overdracht van significante activa door de algemene vergadering werd zelfs uitgebreid becommentarieerd in verschillende blogposts (zie hier, hier, hier, hier en hier).

De nieuwe bepalingen treden in werking 10 dagen na de publicatie in het Belgisch Staatsblad, behalve de nieuwe regel dat genoteerde vennootschappen minstens drie onafhankelijke bestuurders moeten tellen: die is van toepassing vanaf de eerste dag van het tweede boekjaar dat aanvangt na de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.

Tom Vos
Assistant professor, Maastricht University
Visiting professor, Jean-Pierre Blumberg Chair at the University of Antwerp
Attorney, Linklaters LLP

EU bereikt langverwacht akkoord over de Corporate Sustainability Due Diligence Directive: Hoe groen is dit groen licht?

Een post door gastblogger Liselot Vandenberghe

Op vrijdag 15 maart keurde het Coreper[1] (en in die zin de Raad) de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD)[2] goed. Tegen de verwachtingen in werd vlak voor de eindmeet, zijnde de Europese verkiezingen in juni, een compromis bereikt dat op de steun van voldoende lidstaten kon rekenen. Dit compromis werd moeizaam bereikt na vele concessies voorgesteld door het Belgisch EU-voorzitterschap en een toch wel aanzienlijke verwatering van de behoorlijk controversiële Richtlijn. Hieronder volgt een korte bespreking van de essentie van de Richtlijn en de belangrijkste last-minute wijzigingen.

Continue reading “EU bereikt langverwacht akkoord over de Corporate Sustainability Due Diligence Directive: Hoe groen is dit groen licht?”

De foreign direct investment-regulering: overnames van vennootschappen onder toezicht van de overheid?

Een post door gastbloggers Marieke Wyckaert en Thijs De Cuyper

Dat de strategische autonomie van Europa en de weerbaarheid tegen de gevolgen van geopolitieke spanningen de laatste tijd hoog op de politieke agenda staat is een open deur intrappen. Dat dit wezenlijke gevolgen heeft voor de markt voor overnames en fusies in België is een minder algemeen gekende gevolgtrekking. Sinds kort kijkt de overheid nochtans – onder impuls van de Europese Unie – kritisch naar buitenlandse investeringen. Die brengen broodnodig kapitaal en cruciale kennis naar onze economie, maar buitenlandse controle over bepaalde Belgische ondernemingen houdt ook risico’s in. Op 1 juli 2024 vieren we al de eerste verjaardag van het Belgische mechanisme dat onze overheid in staat stelt buitenlandse directe investeringen (BDI, beter bekend onder de Engelse afkorting FDI) te onderzoeken. De wettelijke basis is een samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid en de gefedereerde entiteiten van 30 november 2022. De introductie van dit mechanisme – van de totstandkoming van politieke consensus tot de implementatie in de praktijk – verloopt niet zonder slag of stoot.

Continue reading “De foreign direct investment-regulering: overnames van vennootschappen onder toezicht van de overheid?”

De goedkeuring door aandeelhouders van de overdracht van significante activa: stand van zaken en een paar puntjes op de ‘i’ (deel 1)

Een post door Stijn De Dier, Tom Vos en
Marieke Wyckaert

Op 28 februari 2024 heeft de commissie voor Justitie het wetsontwerp “houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis” in tweede lezing goedgekeurd, m.i.v. een aantal amendementen. Zoals eerder besproken op deze blog (hierhier en hier) voert dit wetsontwerp (onder andere) een nieuw artikel 7:151/1 WVV in met de verplichte goedkeuring door de algemene vergadering voor de overdracht van significante activa door genoteerde vennootschappen.

In een reeks van drie blogposts gaan wij in op een aantal problemen van eerder technische aard, waarvan sommige (deels) werden opgelost via amendementen of via een toelichting tijdens de parlementaire bespreking, en op een aantal beleidskeuzes. We beperken ons tot de bespreking van het voorgestelde artikel 7:151/1 WVV: de enkele wijzigingen die aan de andere voorgestelde artikelen werden aangebracht laten we buiten beschouwing. In deze eerste blogpost scheppen we wat meer klaarheid over de juiste betekenis van de term “overdracht van activa”. 

Continue reading “De goedkeuring door aandeelhouders van de overdracht van significante activa: stand van zaken en een paar puntjes op de ‘i’ (deel 1)”

Shareholder Approval for Transfers of Significant Assets in Belgium: Practical Considerations and Open Questions

A post by guest bloggers Marijke Spooren, Ruben Foriers and Emmanuel Wynant (Cleary Gottlieb)

On December 4, 2023, the Belgian Government filed a draft law with the Chamber of Representatives containing “provisions regarding digitization of justice and miscellaneous provisions Ibis” (the “Bill”).  With the Bill, the Government seeks to introduce a shareholder approval requirement for transfers of significant assets by listed companies, thereby aligning Belgian company law with some of our neighboring jurisdictions such as France and the U.K.  While the Bill has not been adopted by Parliament yet, building on the earlier contributions by Stijn De Dier and Tom Vos on this blog,[1] this post discusses a number of practical difficulties raised by the Bill in its current form and offers some initial insights on how the new requirement could be applied in practice.

The Belgian Code of Companies and Associations (the “CCA”) currently requires the board of directors of a listed company to seek shareholder approval for decisions that may impact the company’s assets in a limited number of situations only (e.g.,for corporate reorganizations such as mergers, (partial) demergers, etc.).  Shareholder approval is currently not a requisite if part of the company’s assets is transferred through a “simple” asset transfer that does not involve one of the corporate reorganization procedures of the CCA.  Recognizing that such asset transfers can fundamentally alter the company’s business, shareholders could be faced with a fait accompli for which the law hardly offers them any protection.  To counter situations in which virtually all of the company’s assets are transferred and shareholders are left with an empty shell and to give (minority) shareholders a say in decisions that may profoundly impact the company, the Bill introduces a new article 7:151/1 to the CCA.

Continue reading “Shareholder Approval for Transfers of Significant Assets in Belgium: Practical Considerations and Open Questions”

De kameel en het sleutelgat

Een reflectie over interpretatie en de temporele werking van boek 6 BW

De jurist die wordt geconfronteerd met een wetsbepaling met in een normale lezing onwenselijke gevolgen, heeft grosso modo twee opties. Of hij interpreteert eerder letterlijk, de ongewenste gevolgen van die interpretatie er op de koop bij nemend. Of hij interpreteert vrij, de tekst van de wet ombuigend of zelfs negerend om tot het gewenste resultaat te komen.

Wie letterlijk interpreteert gaat uit van de fictie dat de wetgever kan schrijven. De onwenselijke gevolgen betekenen dat de wetgever die ook effectief wilde.

Wie vrij interpreteert gaat uit van de fictie dat de wetgever rationeel is. En als de tekst tot onwenselijke gevolgen leidt, is dat enkel omdat de wetgever zich gebrekkig heeft uitgedrukt.

Als we bij wijze van grove veralgemening de Belgische privatist in één van deze, op zich reeds simpele, hokjes zouden moeten duwen, is dat ongetwijfeld dat van de vrij interpretatie en de vrije rechtsvinding. De interpretatie begint bij de tekst, maar met grote poëtische vrijheid wordt er betekenis aan gegeven die vaak van die tekst is losgeweekt. Lees maar er staat niet wat er staat, naar het woord van Martinus Nijhoff.

Hoe kan het anders?

Tot voor kort diende de Belgische privatist immers te werken met antieke teksten. Naarmate een norm zich verwijdert in de tijd van haar ontstaan, verzwakte de zwaartekracht die uitgaat van de tekst van die norm. Teksten geschreven uit de tijd van de diligence, dienden te worden toegepast in de tijd van chatgpt. Regels inzake het goederen- en verbintenissenrecht werden tot zeer recent nauwelijks gewijzigd sinds 1804. Dat werkt enkel indien interpretatoren kunnen gaan zweven.

De vetustiteit van teksten verantwoordt en vereist de zeer losse omgang ermee. ‘Elke daad van de mens’ uit art. 1382 BW werd toegepast op andere organisaties dan mensen. De aansprakelijkheid van ‘vader en moeder’ uit art. 1384 al 1. oud BW op ‘vader en vader’. De ‘dienstboden en aangestelden’ uit art. 1384 al. 2 oud BW op de CEO. En voor de bestuurders werd een toerekeningsmechanisme uitgevonden dat in geen enkele wet staat.

Bent u nog niet overtuigd dat de Belgische privatist aan vrije rechtsvinding doet (daar bestaat immers hardnekkkige ontkenning omtrent)? Doe de test. Blijf weg van codex en internet en schrijf op wat u denkt dat in art. 1382 BW staat en vergelijk dat dan met wat de tekst van het artikel zegt. Weinig juristen komen in de buurt, ook al is dit het sacrosancte artikel dat zogezegd iedereen kent.

Daarbij komt dat bij een formele wet de eerbied voor de tekst ervan zijn verantwoording vindt in het respect voor de democratische legitimiteit van die norm. Maar hoe zwaar weegt dit mee bij een BW dat werd opgedrongen door een Franse bezetter en gepromulgeerd door een zelfgekroonde keizer? Zeker, ook dan is er een zekere democratische legitimiteit doordat de opeenvolgende democratische wetgevers die tekst niet hebben herroepen of gewijzigd, maar bij een vermogensrecht waar de Belgische wetgever tot aan het tijdperk-Geens geen acht op sloeg, heeft dit de doctrine en rechtspraak terecht nooit tot grote terughoudendheid bewogen.

Dat is uiteraard anders voor recente normen. De tekst mag en moet om redenen van democratische legitimiteit zwaarder doorwegen. Naarmate de tekst jonger is, dringt een meer grammaticale lezing zich op. Het is een gebruikelijke evolutie dat na een codificatie een periode van tekstgetrouwe exegese volgt, om dan weer terug te keren tot vrijere rechtsvinding. Dat betekent niet dat recente wetgeving nooit vrij mag worden geïnterpreteerd: ook bij recente wetten kan de wetgever irrationeel zijn of slecht geschreven hebben, maar we mogen daar niet te snel van uitgaan.

* *
*

Dit brengt me bij boek 6 BW.

Continue reading “De kameel en het sleutelgat”

Nieuw regime voor de uitvoeringsagent: een rechtszekere quasi-aansprakelijkheid?

Een post door gastblogger Artuur Keukeleire (UAntwerpen)

‘Een goedbedoeld wetsvoorstel dreigt te ontaarden in een rechtsonzekere en abrupte verstoring van wat voor decennia bekend terrein was’

“In de nacht van 1 op 2 februari 2024 keurde de Kamer van Volksvertegenwoordigers het wetsvoorstel houdende Boek 6 (BW) ‘Buitencontractuele aansprakelijkheid’ goed. Vooral de omkering van het samenloopverbod en de ‘quasi-aansprakelijkheid’ van de uitvoeringsagent hield de gemoederen bezig.[1] Zo werden op herhaald verzoek vanuit de rechtspraktijk, excepties uit de overeenkomst met de uitvoeringsagent tegenwerpelijk gemaakt aan de hoofdopdrachtgever.[2] De uiteindelijk aangenomen regeling (toekomstig art. 6.3 BW) neemt de andere bezorgdheden niet weg, wat ook bleek tijdens een studiedag in het Vlaams Parlement op 2 februari. Hieronder worden alvast enkele belangrijke bedenkingen opgelijst.[3]

Continue reading “Nieuw regime voor de uitvoeringsagent: een rechtszekere quasi-aansprakelijkheid?”

Boek 6 BW (buitencontractuele aansprakelijkheid) door Kamer aangenomen

De plenaire vergadering van de Kamer nam zo-even Wetsvoorstel houdende boek 6 “Buitencontractuele aansprakelijkheid” van het Burgerlijk Wetboek aan. De nieuwe regels treden in werking de eerste dag van de zesde maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Zie over enkele aspecten van dit Boek 6 op Corporate Finance Lab:

Continue reading “Boek 6 BW (buitencontractuele aansprakelijkheid) door Kamer aangenomen”