Experiments

Samengestelde RFR’s en kapitalisatie van interesten naar Belgisch recht

Een post door gastbloggers Eric Blomme en Cécile Odeurs (Simmons & Simmons, Brussel)

Het einde van de LIBOR referentie-interestvoet en de vervanging ervan door risicovrije rentetarieven (RFR’s) is reeds meerdere jaren aangekondigd. Hoewel EURIBOR voorlopig blijft voortbestaan, zal dit verhaal ook in de Belgische kredietpraktijk zijn weerslag vinden. Zo zullen bijvoorbeeld kredieten die opneembaar zijn in Amerikaanse dollar en/of pond sterling moeten worden vergoed op basis van de relevante RFR (bvb. SOFR, SONIA) in plaats van LIBOR.

Deze omschakeling zal een niet te onderschatten impact hebben op de dagelijkse kredietpraktijk, en geeft aanleiding tot bijzonder complexe vragen en moeilijkheden. De meeste van deze problemen stellen zich op identieke wijze in België als in een internationale context.  Er kan dus verwezen worden naar de uitgebreide analyses die hieromtrent zijn gemaakt door bijvoorbeeld de Loan Market Association (LMA).

Dit artikel beperkt zich dan ook tot één specifiek aandachtspunt dat zich slechts in een beperkt aantal landen stelt, met name wettelijke beperkingen op de kapitalisatie van interesten (anatocisme).  Is de “samengestelde RFR” (compounded RFR) verenigbaar met zulke wettelijke beperkingen?

Continue reading “Samengestelde RFR’s en kapitalisatie van interesten naar Belgisch recht”

Over het BW als fundament van de privaatrechtelijke ordening en het einde van de rechtspraak als bron van privaatrecht

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel): zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (afl. 2: Over het BW als fundament van de privaatrechtelijke ordening en het einde van de rechtspraak als bron van privaatrecht)

1. Bronnen – Artikel 1.1. Volgens het voorgestelde artikel 1.1 zal het Nieuw BW het burgerlijk recht en ruimer het privaatrecht regelen, onverminderd de bijzondere wetten, de gewoonte en de algemene rechtsbeginselen. De gebruiken zijn daarentegen slechts een bron “van recht” indien de wet of het contract ernaar verwijst. Volgens de opstellers, is het Burgerlijk Wetboek “het fundament van onze privaatrechtelijke ordening” dat een “systematische en rationele ordening [bevat] van de rechtsregels die de coherentie bevordert en bijdraagt tot een betere toegankelijkheid van het recht voor de burgers[1]. Zij wekken aldus de indruk dat de coherentie van het privaatrecht en de toegankelijkheid van het recht slechts na te streven doelstellingen en dus geen resultaten zijn die noodzakelijk moeten worden bereikt.

Twee alinea’s verder, wanneer zij pleiten voor de implementatie van Europese instrumenten in het Burgerlijk Wetboek, benadrukken de opstellers echter dat aldus “de coherentie en de gemakkelijke toegankelijkheid van het recht [wordt] verzekerd[2], waardoor ze op het spoor van te bereiken resultaten zitten. De coherentie van het recht en zijn toegankelijkheid zijn onmiskenbaar wezenskenmerken van de rechtsregel en van een rechtsstaat: zij zijn geen na te streven doelstellingen, maar te bereiken resultaten.

Continue reading “Over het BW als fundament van de privaatrechtelijke ordening en het einde van de rechtspraak als bron van privaatrecht”

Van geen kwaad bewust?

Een post door gastbloggers
Prof. Em. L. Cornelis en Prof. R. Feltkamp (VUB)

Boek 1 Nieuw Burgerlijk Wetboek (algemeen deel): zoektocht naar oplossingen voor een privaatrecht op maat van de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen (pilot – afl. 1: Van geen kwaad bewust?)

1. De beste stuurlui staan aan wal. In een recente opinie in de Tijd (gevolgd door een artikel in de Juristenkrant[1]) hebben de auteurs van deze bijdrage de boute stelling verdedigd dat er geen duurzame toekomst voorligt met verouderde juridische recepten. Deze recepten betreffen het op 24 februari 2021 in de Kamer[2] ingediende wetsvoorstel houdende Boek 1 “Algemene bepalingen” van het Burgerlijk Wetboek (“BW”) (hierna “Boek I”). [3] Het risico met zo een stelling is het deksel op de neus te krijgen.

De plaats ontbrak in de opinie om over te gaan tot een uitgebreidere onderbouwing. Wie op ’t water is moet echter varen. Met deze bijdrage komen wij dan ook graag met onze verdere analyse van wal. 

Continue reading “Van geen kwaad bewust?”

Studieavond ‘grondige studie insolventierecht’ UA op 19 mei 2021 – programma

Naar goede gewoonte organiseren de masterstudenten van de grondige studie insolventierecht aan de Universiteit Antwerpen opnieuw een studieavond, onder begeleiding van prof. dr. Stijn De Dier en prof. dr. Melissa Vanmeenen.

Het thema van de (reeds) dertiende editie van deze studieavond is bijzonder actueel. De coronapandemie stelt met name de rol van het insolventierecht in vraag. Niet alleen worden wetgevers gedwongen om allerlei maatregelen in te voeren, al dan niet rechtstreeks het gevolg van de strijd tegen covid-19. De insolventiejurist moet ook over de horizon kijken: elke crisis is een opportuniteit, en zo dringt een grondige reflectie over de rol van het insolventierecht zich op. De studenten neme u hierin graag mee.

De studieavond gaat door op woensdag 19 mei 2021 om 19 u, en dit virtueel. Deelname is gratis en iedereen is welkom.

Wie de studieavond graag meemaakt (en achteraf een documentatiebundel ontvangt), dient zich wel op voorhand te registreren: dat kan hier.

Het progamma is als volgt:

  • Femke Van Duyse – Het moratorium op faillissementen in tijden van crisis: de voorwaarde gelinkt aan staking van betaling als vlucht vooruit dan wel als hindernis voor economische groei
  • Fabian Dierckx – De impact van de tijdelijke steunmaatregelen op de procedure van gerechtelijke reorganisatie
  • Siebe Vinckx – De herlanceringsprocedure: een waardig alternatief voor het faillissementenmoratorium of een fata morgana voor de feitelijk failliete schuldenaar ?
  • Willem Peeters – Wrongful trading in coronatijd: een huzarenstuk voor de curator
  • Nette Buyens – Verruiming van de mogelijkheid tot het aanstellen van een gerechtsmandataris ten gevolge van Covid-19: top or flop ?
  • Tom Maes – De Vlaamse handelshuurlening

Rechtzetting artikel XX.106 WER: verwarring uitklaren met een nog meer verwarrend antwoord

Een post door gastblogger mr. Vincent Verlaeckt

1. Eerder had ik (hier) gewezen op enkele foutjes in artikel XX.106 WER dat luidt:

Het vonnis van faillietverklaring wordt op verzoek van de curatoren aan de gefailleerde betekend.. Het exploot van betekening bevat op straffe van nietigheid, benevens de tekst van de artikelen XX.107 en XX.108, aanmaning om kennis te nemen van de processen-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen. Het exploot van betekening bevat eveneens de tekst van de artikelen XX.145 en XX.165.

De aldaar opgenomen artikelen XX.107,  XX.108,  XX.145 en XX.165 WER zijn foutief.

In het eerdere blogbericht legde ik uit dat de artikelen XX.107 en XX.108 moesten “gelezen” worden als XX.108 en XX.109. Verder motiveerde ik dat art. XX.145 diende te worden vervangen door art. XX.146.  Over de correcte “vervanging “ van artikel XX.165 WER bestond minder duidelijkheid. Dit kon zowel artikel XX.166 dan wel XX.167 zijn.

2. Volksvertegenwoordiger Florence Reuter heeft over voormelde vaststelling een parlementaire vraag gesteld aan de Minister van Justitie.  (Vr. en Antw. Kamer 2020-2021, 18 februari 2021,  nr. 55/039, 185, Vr. nr. 292  F. REUTER).

Over de foutieve artikelen XX.107, XX.108 en XX.145 vraagt de volksvertegenwoordiger “ Betreft het een vergetelheid en moeten de vermeldingen in de artikelen XX.109 et XX. 148 toch in de exploten opgenomen worden (en zal die fout dus rechtgezet worden)? ”

Met betrekking tot art. XX.165 (zijnde een extra vermelding in vergelijking met het vroegere artikel  13 Fail.W.) wordt aan de minister gevraagd : “Kunt u daarnaast bevestigen dat de wetgever wel degelijk de intentie had om nieuwe vermeldingen aan de exploten toe te voegen ?”

Continue reading “Rechtzetting artikel XX.106 WER: verwarring uitklaren met een nog meer verwarrend antwoord”

Grondwettelijk Hof over de vervaltermijn voor aanvraag kwijtschelding bij faillissement: een ‘fresh start’ voor de wetgever?

Grondwettelijk Hof – Arrest nr. 62/2021
van 22 april 2021

Een onderneming-natuurlijke persoon kan in een faillissement ten aanzien van de schuldeisers worden bevrijd van de restschulden (met enkele uitzonderingen). Hoewel het WER dat niet zeer expliciet zegt, wordt meestal aangenomen dat de rechter deze kwijtschelding in beginsel moet toekennen, met de ogen dicht en desnoods met de knijper op de neus. De rechter kan enkel (geheel of gedeeltelijk) weigeren indien (i) er een verzoek is in die zin van een belanghebbende (een schuldeisers, de curator, het OM) en (ii) de gefaillisseerde kennelijk groven fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement.

Dit werd door de wetgever in de markt gezet als een automatische wissing van de restschulden (A. Van Hoe, S. Brijs en J. Cardinaels, “Het nieuwe insolventierecht: op zoek naar nieuwe evenwichten”, in Curatoren en vereffenaars V, Intersentia, 2020, 20, nr. 24).

Hoewel dit spoort met de hoge procedurele en materiële drempel voor een weigering van kwijtschelding, is dit enigzins misleidend. Art. 173 § 2 WER bepaalt immers dat de gefailleerde deze kwijtschelding moet verzoeken. Daarzonder kan de rechter de kwijtschelding niet toekennen. Dat verzoek kan bij de aangifte van faillissement of later tot uiterlijk drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis. Dit werd door de rechtspraak als een vervaltermijn beschouwd (ibid., 22, nr. 44). Deze vervaltermijn werd in een arrest van het Grondwettelijk Hof van vandaag 22 april 2021 in strijd bevonden met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel:

Continue reading “Grondwettelijk Hof over de vervaltermijn voor aanvraag kwijtschelding bij faillissement: een ‘fresh start’ voor de wetgever?”

Bestuurdersaansprakelijkheid voor fouten uit het verleden: et alors ?

Indien een rechtspersoon zich in slecht weer bevindt, worden wel eens nieuwe bestuurders aangetrokken. De hoop is dan dat zij, als crisismanagers, het tij nog kunnen keren of behoeden voor erger. Nieuwe (kandidaat-)bestuurders worden al snel nerveus als ze handelingen uit het verleden ontdekken die mogelijk een bestuursfout uitmaken. Terecht? Hieronder brengen we enkele principes in herinnering, zonder exhaustief te willen zijn.

Continue reading “Bestuurdersaansprakelijkheid voor fouten uit het verleden: et alors ?”

De implementatie van de Europese Herstructureringsrichtlijn: naar een nieuw evenwicht tussen aandeelhouders en schuldeisers?

De Belgische wetgever is naarstig bezig met de implementatie van de Europese Herstructureringsrichtlijn. De meest logische manier om die richtlijn te implementeren naar Belgisch recht is via de reorganisatieprocedure door collectief akkoord (zie hierover reeds eerder mijn blogpost op dit forum en mijn publiek toegankelijke bijdrage in het Nederlandse Tijdschrift voor Insolventierecht). De Belgische wetgever moet daarbij een aantal belangrijke knopen doorhakken. Een greep uit de vragen die bij dit proces rijzen (en die ik al uit eigen overtuiging heb beantwoord in mijn proefschrift, waarvan de commerciële editie op 15 april 2021 bij Intersentia zal verschijnen):

Continue reading “De implementatie van de Europese Herstructureringsrichtlijn: naar een nieuw evenwicht tussen aandeelhouders en schuldeisers?”

Omtrent de beschikking van de Franstalige Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van vandaag inzake het Corona-MB

De eigenaardige beschikking van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel (ORDONNANCE REFERE 31MARS2021) waarbij de Belgische Staat wordt veroordeeld tot … ja tot wat eigenlijk, zal ongetwijfeld veel commentaar oproepen, maar die verwacht u wellicht niet hier.

Toch stelt deze uitspraak een punt in het licht dat we eerder hier al belichtten: hoe de collectieve vordering van rechtspersonen tot bescherming van mensenrechten – ingevoerd in 2018 in art. 17 Ger.W. – de actieradius van de rechterlijke macht aanzienlijk heeft uitgebreid. Het komt me voor na een eerste snelle lezing dat zonder deze bepaling een natuurlijke persoon of rechtspersoon nooit het belang zou hebben om de verkregen maatregel te bekomen.

Het vereiste van een “eigen belang” als ontvankelijkheidsvereiste is één van de manieren waarop in ons bestel het domein van de rechterlijke macht wordt ingesnoerd ten voordele van de wetgevende en uitvoerende. Vooral de rechtspraak en doctrine in de VS brengt standing in verband met de scheiding der machten (zie bv. hier).

Fun fact: het wetsontwerp met deze uitbreiding van het ius standi m.b.t. mensenrechten door de Kamer op 20 december 2018 werd goedgekeurd zonder één tegenstem en met slechts vijf onthoudingen, op hetzelfde ogenblik dat het land in politieke crisis verzeilde omtrent de goedkeuring van een ‘pact’ waarvan werd gevreesd dat het de rechter te veel macht gaf om in te grijpen in het beleid.

Joeri Vananroye

Recht en crisis: voordrachten van François Ost en Paul Verhaeghe

In het laatste nummer van jaargang 2020 van het Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht stond de relatie tussen recht en crisis centraal. N.a.v. de publicatie van dit nummer werden de professoren François Ost en Paul Verhaeghe uitgenodigd om hun visie op de impact van de coronacrisis met de leden (en sympathisanten) van het TBH te delen. Wie er niet bij kon zijn, kan de voordrachten hier herbekijken (waarschuwing: geen Netflix-kwaliteit).

Heeft de berg een muis gebaard? Plessers komt thuis

Op deze blog is regelmatig verslag gedaan over de Plessers-saga (zie o.a. hier, hier en hier). Het voorlopige eindpunt van deze saga kan hier dan ook niet onvermeld blijven. Op 24 maart 2021 werd de Belgische Staat aansprakelijk gesteld voor de foutieve omzetting van Richtlijn 2001/23/EG. Een samenvatting van het arrest is hier te vinden. Het arrest zelf kan hier worden geconsulteerd.

In het arrest Plessers oordeelde het Europees Hof van Justitie als volgt:

Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen, met name de artikelen 3 tot en met 5, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, die in geval van overdracht van een onderneming in het kader van een procedure van gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, welke procedure wordt gevoerd met het oog op het behoud van het geheel of een gedeelte van de vervreemder of van zijn activiteiten, bepaalt dat de verkrijger het recht heeft om te kiezen welke werknemers hij wil overnemen.

De vaststelling van een fout in hoofde van de Belgische Staat bij de omzetting van Richtlijn 2001/23/EG stond hiermee in de sterren geschreven (niettegenstaande de gefundeerde kritiek in de rechtsleer op de redenering van het Hof van Justitie, kritiek waar het Arbeidshof al bij al weinig mee heeft gedaan).

So far, so good voor mevrouw Plessers. In de aansprakelijkheidsredenering is de vaststelling van een fout echter slechts het beginpunt, niet het eindpunt. De volgende stappen zijn schade en causaal verband. Daar begint het schoentje te knellen.

Mevrouw Plessers zag de zaken als volgt:

In het voorliggende geval zou volgens mevrouw P het rechtmatig alternatief erin hebben bestaan dat de overnemer, de NV Prefaco, verplicht was alle werknemers over te nemen. Zij stelt dat de NV Prefaco zonder de schending van de richtlijn haar werkgever zou zijn geworden en de weigering van de NV Prefaco om haar verder te werk te stellen aanleiding zou hebben gegeven tot de uitbetaling van een opzeggingsvergoeding door deze laatste.

In deze redenering wordt zij niet gevolgd door het Arbeidshof. Uit het arrest van het Hof van Justitie leidt het Arbeidshof volgend rechtmatig alternatief af:

Mevrouw P zal derhalve moeten aantonen dat in de veronderstelling dat een richtlijnconforme regeling zou uitgewerkt geweest zijn zonder volledige overnameverplichting maar met voldoende waarborgen, de NV Prefaco haar toch had moeten overnemen omdat er geen economische, technische of organisatorische redenen voor handen zijn die wijzigingen voor de werkgelegenheid met zich meebrengen en die geen intrinsiek verband houden met de overgang.

In deze bewijslast faalt mevrouw Plessers:

Het arbeidshof kan alleen maar vaststellen dat mevrouw P niet het minste bewijs levert van het feit dat zij, indien de Belgische procedure voldoende waarborgen zou hebben bevat om preventief na te gaan of de NV Prefaco het ontslag of de niet-overname steunde op technische, economische of organisatorische redenen, die wijzigingen voor de werkgelegenheid met zich meebrengen en die geen intrinsiek verband houden met de overgang, wel overgenomen zou zijn geweest.

Niet alles is echter verloren voor mevrouw Plessers. In ondergeschikte orde vorderde zij schadevergoeding voor het verlies van een kans. Deze schade (door het Arbeidshof ge(her)kwalificeerd als het verlies van de kans om bij de overnemer tewerkgesteld te worden) wordt wel weerhouden door het Hof, maar gelet op de feiten van het dossier zeer onwaarschijnlijk en laag ingeschat. Een veroordeling ex aequo et bono van de Belgische Staat ten belope van EUR 1000 is het resultaat. De berg heeft een muis gebaard.

Belangrijker dan de concrete uitkomst van dit dossier, zijn de wetgevende implicaties ervan. Het arrest Plessers heeft (te) lange tijd als donderwolk boven de gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag gehangen. Het arrest van het Hof van Justitie en het arrest van het Arbeidshof bieden een duidelijk pad om deze donderwolk te verdrijven. Deze uitweg is de wettelijke bevestiging van het rechtmatig alternatief, namelijk een procedure die garanties “inhoudt ter bescherming van de werknemers tegen een ongerechtvaardigd ontslag, omdat op de verkrijger niet de verplichting rust om aan te tonen dat de ontslagen in het kader van de overgang te wijten zijn aan technische, economische of organisatorische redenen”.

Goede nieuws: een dergelijk voorstel is reeds voorhanden in het wetsvoorstel houdende diverse wijzigingen inzake insolventie van ondernemingen, ingediend door Koen Geens (in het bijzonder art. 6 van dit wetsvoorstel).

Belgium introduces pre-pack reorganisation

A post by guest bloggers Eric Blomme and Cécile Odeurs (Simmons & Simmons)

The COVID-19 pandemic has put the rescue of struggling but viable businesses front of the agenda.  The initial response of the Belgian government and legislator was a moratorium on enforcement measures and bankruptcy petitions.  Such moratorium can however not be a structural solution in the long term, and expired on 31 January 2021.

The attention then shifted to the improvement of the existing legal framework.  Fortunately, Belgium already benefits from a pre-bankruptcy moratorium procedure designed to rescue struggling businesses (the “judicial reorganisation”).  Although this procedure is well designed, it does suffer one key drawback: its public nature.  In light of cultural and other factors, the opening of such public procedure often leads to a loss of confidence from suppliers and customers and triggers further loss of value.

In this context, on 11 March 2021, the Belgian Chamber of Representatives approved a law modifying the Belgian insolvency code (the “Pre-Pack Law“).  The Pre-Pack Law will shortly be published in the Belgian State Gazette and enter into effect.  The Pre-Pack Law will introduce, among other measures, a non-public pre-pack reorganisation.  The key features of this pre-pack reorganisation are as follows:

Continue reading “Belgium introduces pre-pack reorganisation”

The new prudential framework for investment firms – More fit for purpose?

A post by guest bloggers Ivan Peeters, Charles-Henri Bernard and Leopoldo Luyten de Alvear

1. Investment firms play a key role in modern financial markets and in advising professional and retail clients. In particular they assist in matching investors and funds to be invested with investment opportunities and funding needs. The current market situation combines a structural low interest rate environment on the one hand and an expected surge of projects that need funding or equity. Such surge will not in the least be driven by ESG (environmental sustainability targets in particular) and by the efforts to re-open the economies in Western Europe.

2. In December 2019, the EU Parliament approved the new prudential framework for investment firms in the Investment Firm Directive (“IFD”) [1] and Investment Firm Regulation (“IFR”)[2] to be implemented in the European Union (“EU”) by 26 June 2021. This represents a significant reform in the EU regulatory framework and will have a material impact on most investment firms. In the Belgian regulatory landscape, investment firms are either stockbroking firms (sociétés de bourse / beursvennootschappen) or portfolio management companies(société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement / vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies). Continue reading “The new prudential framework for investment firms – More fit for purpose?”

Wijzigingen van boek XX WER

Ten tijde van de afloop van het zgn. faillissementsmoratorium kondigde de regering hervormingen van het insolventierecht aan om ondernemingen te helpen. De periode tussen het verstrijken van het officiële moratorium en de nieuwe maatregelen werd overbrugd met een officieus moratorium, namelijk een terughoudende houding in hoofde van overheidsschuldeisers (welke houding nog wel even zal worden aangehouden).

In de nacht van donderdag op vrijdag heeft de Kamer de hervorming van het insolventierecht gestemd. Naast een aantal kleinere maatregelen, springen drie maatregelen in het oog.

Ten eerste de verlaging van de drempel tot gerechtelijke reorganisatie. De verplichting tot onmiddellijke neerlegging van bepaalde stukken bij het verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie wordt voortaan soepeler ingevuld. Bepaalde stukken kunnen later worden bijgevoegd of zelfs helemaal niet.

Ten tweede – en dit is volledig nieuw – het voorbereidend akkoord (“pre-packaged insolvency“). Doel van het voorbereidend akkoord is het vertrouwelijk aftoetsen van de mogelijkheid tot een minnnelijk of collectief akkoord “in de schaduw” van een formele insolventieprocedure. De schuldenaar wordt daarin bijgestaan door een gerechtsmandataris, die de gesprekken en onderhandelingen met bepaalde schuldeisers kan faciliteren. Onwillige of kwaadwillige schuldeisers kunnen hierbij geconfronteerd worden met voorwaarden en/of termijnen voor een termijn van maximaal vier maanden, na een procedure op tegenspraak. Eens een minnelijk/collectief akkoord binnen handbereik is, is een vlotte overgang naar een formele gerechtelijke reorganisatie voorzien, die dan snel kan worden doorlopen, gelet op het reeds geleverde voorbereidend werk.

Ten derde wordt voorzien in een fiscale gelijktrekking van de waardeverminderingen en voorzieningen op schuldvorderingen, ongeacht het type insolventieprocedure, met inbegrip van het buitengerechtelijk minnelijk akkoord.

De meeste van de nieuwe maatregelen treden in werking de dag van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Een belangrijk deel van de nieuwe maatregelen treedt reeds buiten werking op 30 juni 2021, doch deze termijn kan door de Koning worden verlengd bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. Om de praktijk kennis te laten maken met de nieuwe mogelijkheden, lijkt een dergelijke verlenging nu reeds opportuun.

Het insolventierecht kan een reële doch beperkte bijdrage leveren tot het bestrijden van de gevolgen van de coronacrisis (zie hierover, Casey). Met deze hervorming heeft de regering, in een opmerkelijke samenwerking met het Parlement, het reorganiserend vermogen van het Belgische insolventierecht versterkt. Samen met de verantwoordelijke houding van diverse stakeholders, en in combinatie met andere belangrijke maatregelen, kan dit bijdragen tot het behoud van levensvatbare ondernemingen, die onverhoeds en midscheeps getroffen werden door de coronacrisis.

Green disclosure rules for the financial services sector become applicable in the EU

A post by guest blogger Arnaud Van Caenegem (KU Leuven)

Financial services providers can no longer communicate at will about sustainability now certain provisions of the Sustainable Finance Disclosure Regulation (SFDR)[1] have become applicable as of 10 March 2021. The SFDR imposes harmonized disclosure obligations on financial services providers to ensure that the sustainability features of their financial products can be better compared by investors. Up until now, sustainability disclosures have often been limited to vague, unsubstantiated and sometimes misleading marketing rhetoric.[2] This blogpost will discuss the transparency obligations of the SFDR that become applicable on 10 March 2021. Continue reading “Green disclosure rules for the financial services sector become applicable in the EU”