Experiments

TPR-Wisselleerstoel 2019 aan UGent: “‘n Unieke Benadering tot Skuldverligting aan Oorbelasde Kredietverbruikers in Suid-Afrika”

Inaugurale lezing door prof. dr. Corlia Van Heerden donderdag 14 maart 2019 om 16u.

De inaugurale lezing van de TPR-Wisselleerstoel 2019 over:

Die Nasionale Kredietwet 34 van 2005: ‘n Unieke Benadering tot Skuldverligting aan Oorbelasde Kredietverbruikers in Suid-Afrika

door prof. Corlia Van Heerden (Universiteit Pretoria, Zuid-Afrika), TPR-Wisselleerstoelhouder aan de UGent, vindt plaats op donderdag 14 maart 2019 om 16u. in de Academieraadzaal, Campus Aula, Voldersstraat 9, 9000 Gent. Inschrijven is hier mogelijk.

Wetsontwerpen met aanpassing fiscale bepalingen aan WVV: teksten zoals goedgekeurd door de Kamercommissie Financiën

Op de website van de Kamer verschenen de teksten zoals die in de Kamercommissie Financiën werden goedgekeurd van de fiscale wetsontwerpen tot aanpassing van bepaalde federale fiscale bepalingen aan het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen (hier) en tot regeling van de overgang van de onderwerping aan de rechtspersonenbelasting naar de onderwerping aan de vennootschapsbelasting (hier).

Dit laatste werd eerder hier besproken door Tom Bonne.

Deze wetsontwerpen worden nu voorgelegd aan de plenaire vergadering.  Daarmee staan de flankerende fiscale bepalingen even ver als het ontwerp-WVV zelf. Verwacht kan worden dat ook de tekst van het bijkomend advies van de Raad van State over amendementen op het ontwerp-WVV binnenkort publiek beschikbaar wordt.

Plessers: the ECJ on a Killing Spree in the Belgian Insolvency Landscape?

Setting the Boundaries of Articles 3–5 of Council Directive 2001/23/EC in the Aftermath of Smallsteps

Yesterday, Advocate General (AG) Szpunar delivered his opinion in Plessers (C-509/17), a case before the European Court of Justice (ECJ) that concerns the protection of employees in one of the Belgian insolvency proceedings, i.e. the judicial reorganisation by transfer under judicial supervision/gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag (hereinafter referred to as ‘GROG’). If the ECJ follows the interpretation by AG Szpunar of Articles 3-5 of Council Directive 2001/23/EC (hereinafter the ‘Directive’), the referring court would have almost no other option than to rule that Article 61(3) WCO (now: Article XX.86, §3 WER) violates the Directive.

 

Background

On 23 April 2012, NV Echo entered into a judicial reorganisation by way of collective agreement. However, a collective agreement could not be reached, and on 19 February 2013, the judicial reorganisation proceeding was transformed into a GROG. On 22 April 2013, NV Prefaco took over the business of NV Echo together with two-thirds of the total employees of the transferor.

Plessers, who was one of the dismissed employees, argued (among other things) that Article 61(3) WCO violates the Directive. Continue reading “Plessers: the ECJ on a Killing Spree in the Belgian Insolvency Landscape?”

Feniks-vennootschappen naar Belgisch recht

De goederen van een onderneming zullen in het economisch verkeer vaak als een eenheid worden beschouwd. Deze goederen worden immers verbonden door één gezamenlijke bestemming, nl. de betrokken economische activiteit. In de regel zal de waarde van het geheel van de ondernemingsgoederen ook groter zijn dan de som van de waarde van de afzonderlijke onderdelen. De ondernemingsgoederen in hun geheel bieden immers een winstvermogen dat bij een opsplitsing verloren gaat (going-concern-waarde). Naar die meerwaarde van de onderneming als een geheel wordt vaak verwezen als naar goodwill of clientèle. Dit is de waarde die voortvloeit uit de mogelijkheid van toekomstige bestellingen en dit dankzij de activa van de onderneming. Clientèle is aldus een bijkomende waarde die de onderneming heeft bovenop de waarde van de lichamelijke en onlichamelijke activa in juridische zin.

Clientèle wordt vaak omschreven als een res nullius. In de zakenrechtelijke zin van het woord is het echter helemaal géén res: enkel bedrijfseconomisch is het een goed. Mertens drukt het in een andere context zo uit: “Cliënteel is dan (slechts) in die zin ‘eigendom’ dat de ‘afwerving’ ervan slechts toegestaan is wanneer die volgens de gekende spelregels (en dus op rechtmatige wijze) gebeurt.” (D. Mertens, “Bescherming van cliënteel”, RW 2010-11, (1458) 1468, nr. 15.) Een gerechtvaardigde verwachting op toekomstige contracten is geen goed in de klassieke zakenrechtelijke zin, zelfs geen onlichamelijk recht (zie E. Dirix, “Overdracht van en beslag op toekomstige schuldvorderingen, In het nu, wat worden zal, Opstellen Schoordijk, Deventer, Kluwer, 1991, (39) 43, nr. 5).

Dit heeft belangrijke gevolgen indien schuldeisers de goederen willen uitwinnen. De onderneming bestaat immers uit afzonderlijke goederen met een verschillende aard (roerende en onroerende, lichamelijke en onlichamelijke). Continue reading “Feniks-vennootschappen naar Belgisch recht”

De bescherming van de rechten van de mens door een rechtspersoon: een nieuwe rechtsvordering in het collectief belang

Art. 17 Ger.W. gewijzigd en de rechtsvorderingen ter bescherming van collectieve belangen op mekaar afgestemd

Artikel 137 van de Wet van 21 december 2018  houdende diverse bepalingen betreffende justitie (Staatsblad 31 december 2018) vult artikel 17 van het Ger.W. (vereiste van hoedanigheid en belang)  aan met de volgende alinea:

“De rechtsvordering van een rechtspersoon, die de bescherming beoogt van de rechten van de mens of fundamentele vrijheden zoals zij zijn erkend in de Grondwet en in de internationale instrumenten die België binden, is eveneens ontvankelijk onder de volgende voorwaarden:
1° het maatschappelijk doel van de rechtspersoon is van bijzondere aard, onderscheiden van het nastreven van het algemeen belang;
2° de rechtspersoon streeft op duurzame en effectieve wijze dit maatschappelijk doel na;
3° de rechtspersoon treedt op in rechte in het kader van dat maatschappelijk doel, met het oog op de verdediging van een belang dat verband houdt met dat doel;
4° de rechtspersoon streeft met zijn rechtsvordering louter een collectief belang na.”

Continue reading “De bescherming van de rechten van de mens door een rechtspersoon: een nieuwe rechtsvordering in het collectief belang”

De overgang van de rechtspersonenbelasting naar de vennootschapsbelasting en omgekeerd: eindelijk een wettelijke regeling in zicht

Een post door gastblogger Tom Bonne (UHasselt)

Met de aangekondigde hervorming van het vennootschaps- en verenigingsrecht gaan een reeks fiscale maatregelen gepaard die vervat zitten in twee wetsontwerpen van 22 november 2018 (hier en hier).[1] Via deze maatregelen tracht de wetgever de hervorming van het vennootschaps- en verenigingsrecht fiscaal neutraal te laten verlopen. Een van die maatregelen, verspreid over de twee wetsontwerpen, is de wettelijke regeling van de overgang van de onderwerping aan de rechtspersonenbelasting (RPB) naar de onderwerping aan de vennootschapsbelasting (Venn.B) en omgekeerd. Op die manier lijkt de wetgever op de eerste plaats een vaststaand kader te willen bepalen voor de omvorming van een VZW in een vennootschap, met name een CV erkend als SO of een erkende CVSO[2], en de omvorming van een vennootschap in VZW, iets wat door de hervorming van het verenigingsrecht mogelijk zal worden.[3]

De overgang van de RPB naar de Venn.B en omgekeerd doet zich nochtans niet enkel bij de voormelde omvormingen voor. Wanneer bijvoorbeeld een VZW meer dan op bijkomstige wijze economische activiteiten begint uit te oefenen, wordt ook zij niet langer aan de RPB, maar aan de Venn.B  onderworpen.[4] Dit zal zich door de hervorming van het verenigingsrecht trouwens nog meer  voordoen aangezien VZW’s onbeperkt economische activiteiten zullen mogen uitoefenen.[5] Omgekeerd, van zodra de VZW opnieuw slechts bijkomstig economisch actief wordt, is ook de beweging van de Venn.B naar de RPB een mogelijkheid. We focussen hier op de overgangen bij VZW’s. Continue reading “De overgang van de rechtspersonenbelasting naar de vennootschapsbelasting en omgekeerd: eindelijk een wettelijke regeling in zicht”

Change in control-clausules: nieuw en komend recht

Een onschuldige verpersoonlijking van de overeenkomst, of de tactiek van de verschroeide aarde?

De change in control-clausule is een diertje dat met veel namen door het leven gaat: vaak wordt ze ook aangeduid als change of control, change of ownership of ‘commercieel beding inzake controlewijziging’. In deze bijdrage gebruiken we change in control-beding als benaming, of nog: CIC-beding.

Er worden onder het CIC-beding heel wat kenmerken gebracht. In deze bijdrage beperken we ons tot een algemene omschrijving: een CIC-beding is een clausule in een overeenkomst, waarbij minstens één partij een vennootschap is, die aan een partij het recht geeft de overeenkomst te beëindigen in geval van controlewijziging binnen de contracterende vennootschap. CIC-bedingen, en dan voornamelijk hun ontbindende impact, kunnen erg uiteenlopende gevolgen hebben. Zo komen ze onder meer voor in joint-ventures, licentieovereenkomsten, kredietovereenkomsten en verkoopsconcessies, maar ook Golden Parachutes en Employee Retention Agreements zijn mogelijke gevolgen van CIC-bedingen. Continue reading “Change in control-clausules: nieuw en komend recht”

Een terugblik op 2018

De posts die in 2018 het meest werden gelezen zijn:

Nog geen megahits, maar voor de meerwaardezoekers: Continue reading “Een terugblik op 2018”

Agreement on a new approach to business insolvency in Europe

Yesterday, a political agreement was reached by the European Parliament and EU Member States on a set of European rules on business insolvency. The text must now be formally adopted by the European Parliament and the Council of the EU. Following final adoption, the Directive will be published in the EU’s Official Journal and enter into force 20 days later. Continue reading “Agreement on a new approach to business insolvency in Europe”

On the reasoning of the ECJ in the PSPP-case

1.745 Germans turned to the Bundesverfassungsgericht claiming that the European Central Bank (ECB) undermined democratic control of the use of state power in Germany. They believed that the new policies of the ECB usurped economic competences that should, according to their constitution and the Treaties, stay in the hands of the national parliament where they can be influenced by the voters. The German court followed the reasoning of the plaintiffs and asked the Court of Justice of the European Union (ECJ) to review the validity of the public sector purchase program (PSPP) that was established by the Governing Council of the ECB. The ECJ recently delivered her ruling in that case. It found that there was no reason to invalidate the program.

The alleged threat to democratic control of government is only mentioned once in the judgement, namely in the description of the claims before the referring court. The ECJ nowhere considers the principle of democratic control of government (in article 2 and 10.1 TEU) for the interpretation of the powers transferred to an independent central bank. The concerns of the Bundesverfassungsgericht remain unaddressed. The ECJ chose other methods of interpretation. This blog will provide a critical review of those choices made by the Court when trying to develop and enforce a standard of review for the compliance with the substantial constraints on monetary policy.

Although those choices of the Court are understandable when viewed separately, they lead to an overall unsatisfactory outcome. They transform substantial constraints into formal constraints, make judicial review of substantial constraints ineffective and undermine the capacity of a treaty to be used as a trust building commitment device. In so far as the participation in the Union, the transfer of powers to the Union and application of EU law in the Member States is conditioned on those substantial constraints by the political or legal constitution of the Member States, the Court, that seems to be unable or unwilling to grant effective protection to those substantial constraints, undermines the full effect, uniform application and further integration.

Continue reading “On the reasoning of the ECJ in the PSPP-case”

Cross-border restructuring and insolvency post-Brexit

The Conference of European Restructuring and Insolvency Law (CERIL) published its report on cross-border restructuring and insolvency post-Brexit today. In its report, CERIL highlights the relationship between the EU and the UK after Brexit in the area of restructuring and insolvency law and seeks to formulate a position on the nature and content of a possible future instrument governing that relationship. The report can be found here.

EU Competition Law as a Taxation Regime

Can tax avoidance be anticompetitive?

Google has been in the news for more than one reason. For one, its tax planning has attracted the attention of the public media, and prompted European officials to charge Google with tax avoidance or even tax evasion. The record fines imposed on Google pursuant to the EU’s competition law have made at least as many headlines; Google has appealed, but more cases are pending. These seemingly unrelated events under different legal regimes may be connected, however. The fines levied against Google under EU competition law can be seen as making Google pay its ‘fair share’ to compensate for exploiting loopholes in tax law. However, if the objective is to make Google pay its ‘fair share’, why couldn’t this objective be achieved under tax law?

Continue reading “EU Competition Law as a Taxation Regime”

Ontwerp-WVV: tekst zoals die werd goedgekeurd in Kamercommissie ter beschikking

Op de website van de Kamer verscheen de tekst van het ontwerp-WVV  zoals goedgekeurd in tweede lezing door de Kamercommissie Handels- en Economisch Recht en gisteren rondgedeeld.  Het verslag van de tweede lezing vindt u hier. Het wetsontwerp kwam nog niet ter stemming in de plenaire vergadering van de Kamer.

 

Studieavond ‘grondige studie insolventierecht’ UA op 19 december 2018 – programma

Zoals eerder aangekondigd, organiseren de studenten van de grondige studie insolventierecht aan de Universiteit Antwerpen opnieuw een studieavond, onder begeleiding van prof. dr. Stijn De Dier en prof. dr. Melissa Vanmeenen. Op de elfde editie van deze studieavond worden specifieke thema’s belicht binnen de wetgevende wijzigingen die het insolventierecht in 2018 heeft gekend.

De studieavond gaat door op woensdag 19 december 2018 om 19 u in aula R002 Stadscampus UA, Rodestraat 14, Antwerpen, gebouw R. Deelname is gratis en iedereen is welkom.

Het programma is als volgt: Continue reading “Studieavond ‘grondige studie insolventierecht’ UA op 19 december 2018 – programma”

Over de faillissementsaanvraag in de loop van een collectieve schuldenregeling

Orb. Gent (afd. Brugge) 3 december 2018, nr. A/18/00887

In een belangwekkend vonnis spreekt de ondernemingsrechtbank te Gent, afdeling Brugge, zich uit over de krijtlijnen waarbinnen een vrije beroeper die vóór 1 mei 2018 in een procedure van collectieve schuldenregeling verkeerde, nadien alsnog het faillissement kan aanvragen (lees: de kwijtschelding kan bekomen). Alvorens dieper in te gaan op de feiten en de inhoud van het vonnis, dient eraan herinnerd te worden dat de kwijtschelding alleen openstaat voor vrije beroepers-natuurlijke personen (art. XX.173 WER).

Continue reading “Over de faillissementsaanvraag in de loop van een collectieve schuldenregeling”