De aansprakelijkheid als bedrijfsrevisor en commissaris van een failliet verklaarde vennootschap

Hof van beroep Antwerpen 3 mei 2018 over schade veroorzaakt door miskenning controleopdracht bedrijfsrevisor en waarschuwingsplicht van de commissaris in geval van éénhoofdigheid

In een recent arrest van 3 mei 2018 oordeelde het hof van beroep te Antwerpen inzake het faillissement van Waegener Group NV (2017/AR/89) over een vordering van de curatoren die de bedrijfsrevisor verweten fouten te hebben begaan, zowel in de uitoefening van zijn taken als bedrijfsrevisor en als commissaris, waardoor de failliete boedel schade heeft geleden. Dit arrest stelt interessante vragen over collectieve schade aan de orde. Continue reading “De aansprakelijkheid als bedrijfsrevisor en commissaris van een failliet verklaarde vennootschap”

Geldt ‘marginale toetsing’ ook voor de curator van een faillissement?

‘It’s complicated’

Er bestaat een consensus dat de rechter zich bij de toetsing van het gedrag van vennootschapsbestuurders terughoudend moet opstellen ten aanzien van gewone bestuursfouten. Vaak wordt gesteld dat de rechter de handelingen van de bestuurder slechts marginaal kan toetsen. Een marginale toetsing heeft tot gevolg dat alleen de gedragingen die kennelijk buiten de grenzen van een normaal handelen liggen als fout worden aangemerkt, in plaats dat de lichtste fout in aanmerking wordt genomen.  Het voorgenomen nieuwe wetboek van vennootschappen en verenigingen zal deze standaard codificeren voor bestuurders.

Marginale toetsing erkent de beleidsvrijheid van de bestuurder en wil voorkomen dat bestuurders uit vrees voor aansprakelijkheid bij elk mislukt project enkel risicoloze beslissingen nemen waardoor waardevolle projecten niet zouden worden gerealiseerd.

De vraag rijst of ook het gedrag van een curator “marginaal” moet worden getoetst. [1] Continue reading “Geldt ‘marginale toetsing’ ook voor de curator van een faillissement?”

‘Het voorgestelde Belgische kwantitatieve aansprakelijkheids-maximum verdient geen navolging in Nederland’

P. Broere en O. Oost: “De mythe van bestuurdersaansprakelijkheid”, Ars Aequi 2018

In het redactioneel van het april-nummer van het Nederlandse tijdschrift Ars Aequi schrijven Pjotr Broere (Radboud Nijmegen) en Olivier Oost (Erasmus Rotterdam) over de in België voorgenomen ‘cap’ op bestuursaansprakelijkheid.

Ze zijn kritisch over de gevolgen (“Nu bestuurdersaansprakelijkheid vaak pas aan de orde is als de vennootschap geen verhaal biedt, betekent dit dat de gelaedeerde voor de schade opdraait“) en de motivering van de voorgenomen regel (“Het wetsvoorstel lijkt ervan uit te gaan dat het aansprakelijkheidsrisico van bestuurders lastig te verzekeren is. Daarvoor bestaat echter geen empirische onderbouwing“). Zij besluiten :

“Een kwantitatieve aansprakelijkheidsbeperking in combinatie met een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering zou er, tot slot, naar Belgisch recht toe leiden dat een bestuurder behoudens bedrieglijk opzet in het geheel niet persoonlijk geraakt wordt door een bestuurdersaansprakelijkheidsvordering, hoe terecht die vordering ook moge zijn. Dit lijkt ons wenselijk noch afschrikwekkend. Vergoedend is het evenmin, als het schadebedrag althans het maximumbedrag te boven gaat. Het voorgestelde Belgische kwantitatieve aansprakelijkheidsmaximum verdient geen navolging in Nederland. Onzes inziens volstaatde hoge kwalitatieve drempel die voor bestuurdersaansprakelijkheid geldt. Aansprakelijkheid van bestuurders – het moet geen mythe worden.”

Continue reading “‘Het voorgestelde Belgische kwantitatieve aansprakelijkheids-maximum verdient geen navolging in Nederland’”

Corporate/Bankruptcy governance: van parlementaire democratie tot dictatoriale autocratie

Economics trumps politics

Er wordt regelmatig gepleit voor meer aandeelhoudersinspraak (“shareholder democracy”) bij het bestuur van vennootschappen. Sommige auteurs baseren zich daarvoor op een interne rechtsvergelijking tussen de vennootschap en een parlementaire democratische staat. Anderen menen dat die vergelijking niet opgaat en dat de aangetroffen verschillen gerechtvaardigd kunnen worden. In een recente bijdrage, gepubliceerd in het Rechtskundig Weekblad, sluiten we ons aan bij die tweede strekking en verrijken we de bestaande doctrine door de vergelijking uit te breiden naar vennootschappen in financiële moeilijkheden, m.i.v. insolventieprocedures.

Voor de interne rechtsvergelijking tussen het bestuursmodel van een (middelgrote naamloze) vennootschap (al dan niet in financiële moeilijkheden) en een parlementaire democratische staat gebruiken we een viertal testcases die doorheen de bijdrage telkens terug komen: (i) de identiteit van de stemgerechtigden, (ii) het aantal stemmen per stemgerechtigde, (iii) de uiteindelijke beslissingsmacht en (iv) de bevoegdheid tot benoeming en ontslag van het bestuur. Uit die interne rechtsvergelijking leiden we af dat de parlementaire democratie als bestuursvorm geenszins consequent wordt toegepast tijdens de verschillende levensfases van de (middelgrote naamloze) vennootschap.

Het zogenaamd parlementair democratisch besluitvormingsproces van financieel gezonde vennootschappen lijkt in werkelijkheid meer op een aristocratisch besluitvormingsproces, waarbij de “rijke en wijze” aandeelhouders het voor het zeggen hebben. M.b.t. de testcase “het aantal stemmen per stemgerechtigde” merken we bij financieel gezonde vennootschappen bijvoorbeeld het volgende op: Continue reading “Corporate/Bankruptcy governance: van parlementaire democratie tot dictatoriale autocratie”

Hoe ver moet het monopolie van de curator reiken?

Nieuwe regeling van art. XX.225 wordt best uitgebreid

In het nieuwe insolventierecht wordt het vorderingsrecht voor collectieve schade verschillend geregeld bij enerzijds de aansprakelijkheid kennelijk grove fout (art. XX.225) en anderzijds alle andere aansprakelijkheidsgronden, zoals wrongful trading (art. XX.227), de actio mandati of de aansprakelijkheid voor niet-naleving van de alarmbelprocedure. Bij kennelijk grove fout hebben individuele schuldeisers een afgeleid vorderingsrecht, waardoor ze bij stilzitten van de curator deze vordering ten hoeve van de boedel kunnen benaarstigen. Bij de andere aansprakelijkheidsgronden hebben schuldeisers dit recht niet; ze hebben enkel een vorderingsrecht voor eigen rekening bij persoonlijke schade.

Is dit verschil in behandeling verantwoord? Continue reading “Hoe ver moet het monopolie van de curator reiken?”

Verzacht nieuw Brits insolventierecht de Brexit-pijn?

Bestuurdersaansprakelijkheid en pauliana geen afknapper voor ondernemingen, maar net een troef

De Britse regering is gestart met een consultatieronde over corporate governance bij insolvente vennootschappen. Het doel: het insolventierecht opfrissen en waar nodig verstrengen. Daartoe wil de Britse regering onder meer de volgende voorstellen aftoetsen bij het ruimere publiek: Continue reading “Verzacht nieuw Brits insolventierecht de Brexit-pijn?”

Verminderen van actief is niet hetzelfde als vermeerderen van passief. Schade bij het kennelijk onredelijk verderzetten van een verlieslatende activiteit

Een post door gastblogger Vincent Verlaeckt

Het nieuwe artikel XX.227 WER zal vanaf 1 mei 2018 de grondslag wezen voor de aansprakelijkheidsvordering wegens het kennelijk onredelijk verderzetten van een verlieslatende activiteit (zie eerdere posts over wrongful trading). Niet de aansprakelijkheid op zich, doch wel de wettelijk verankerde verdeling van de opbrengst volgend uit dergelijke aansprakelijkheidsvordering, is (ver)nieuw(end). Continue reading “Verminderen van actief is niet hetzelfde als vermeerderen van passief. Schade bij het kennelijk onredelijk verderzetten van een verlieslatende activiteit”

Hoe uitsluitend is de “uitsluitende bevoegdheid van de curator” in art. XX.227 §2 WER ?

Geen inperking van individuele vorderingen voor persoonlijk nadeel bij ‘wrongful trading’

Met art. XX.227 krijgt wrongful trading voor het eerst in het Belgisch recht een specifieke wetsbepaling (zie eerdere posts). De memorie van toelichting van de invoeringswet van Boek XX zegt over art. XX.227 WER: “Deze bepaling herneemt en bevestigt de geldende rechtspraak inzake de aansprakelijkheid van bestuurders en feitelijke bestuurders die een reddeloos verloren onderneming verder voeren.”

Art. XX.227 bevestigt onder meer dat de aangroei van het passief wegens een onrechtmatige verderzetting collectieve schade kan veroorzaken. Deze boedelschade is niet beperkt tot die gevallen waarin de gefailleerde vennootschap zelf zou kunnen vorderen. Hierin kan een codificatie van de Unac-rechtspraak van het Hof van Cassatie worden gezien. Continue reading “Hoe uitsluitend is de “uitsluitende bevoegdheid van de curator” in art. XX.227 §2 WER ?”

Waarom staat oprichtersaansprakelijkheid niet in Boek XX WER?

Omdat ‘wrongful trading’ (art. XX.227) beter is.

Met art. XX.227 WER is er voor het eerst een expliciete wetsbepaling rond ‘wrongful trading’.  De invoering van deze aansprakelijkheidsgrond in het WER hangt samen met de verhuis van de bijzondere faillissementsaansprakelijkheid van het vennootschapsrecht naar het insolventierecht. De Wet van 11 augustus 2017 heft art. 265, 409 en 530 W.Venn op en vervangt het door art. XX.225-226 WER (dat geen identieke kopie is van de voorgangers in het W.Venn.).

Dat deze aansprakelijkheden onderdak kregen in het insolventierecht is ingegeven door IPR-overwegingen. De insolventiewetgever reageert hiermee op de vrije keuze van het toepasselijk vennootschapsrecht dat de Europese rechtspraak promoot en anticipeert op de aangekondigde invoering daarvan in een nieuwe Belgisch wetboek van vennootschappen en verenigingen. Vrije keuze in het vennootschapsrecht kan  gepaard gaan met adequate schuldeisersbescherming, mits die bescherming zit in een regel met een objectieve aanknopingsfactor, zoals het insolventierecht.[1] Het toepasselijke insolventierecht is dat van de plaats waar de insolvente schuldenaar het centrum van zijn voornaamste belangen (centre of main interests, COMI) heeft.[2]  Dit is een aanknopingspunt dat niet louter afhangt van de wilsautonomie van de schuldenaar.Door dat deze bestuursaansprakelijkheden nu in het insolventierecht zitten, volstaat een loutere keuze voor buitenlands vennootschapsrecht niet om er automatisch aan te ontsnappen.[3]  Ook in het Verenigd Koninkrijk bevinden regels inzake faillissementsaansprakelijkheid zich traditioneel in het insolventierecht. Duitsland heeft regels rond bestuurs­aansprakelijkheid, waaronder de  Insolvenzverschleppungshaftung  voor voortzetting van een reddeloze onderneming, verscheept naar het insolventierecht.[4] Het arrest-Kornhaas leert dat dit verzoenbaar is met de Europese regels inzake vrijheid van vestiging.[5]

Het kan dan misschien verrassen dat oprichtersaansprakelijkheid niet mee is verhuisd van het W.Venn. naar Boek XX. Immers, ook oprichtersaansprakelijkheid heeft tot doel vennootschapsschuldeisers te beschermen. Waarom wordt ook oprichtersaansprakelijkheid dan niet door een verhuis naar het insolventierecht vastgeknoopt aan de ‘COMI’ als objectieve aanknopingsfactor?

Deze vraag is relevant omdat zoals bekend het aangekondigde nieuwe vennootschapsrecht zwaar zal inzetten op de oprichtingsaansprakelijkheid wegens een kennelijk ontoereikend aanvangsvermogen. Continue reading “Waarom staat oprichtersaansprakelijkheid niet in Boek XX WER?”

Parent Companies Are Not Parents, Subsidiaries Are Not Children

Okpabi v Shell Judgment Puts the Brakes on the Expansion of Parent Company Liability for Damage Caused By Its Subsidiaries

A recent judgment of the England and Wales Court of Appeal addressed important jurisdictional questions in relation to a parent company’s liability for damages caused by its subsidiaries. The court did not rule on the merits of the claim; rather, it analysed the preliminary issue of whether UK courts have jurisdiction to hear such claims. In determining whether there is jurisdiction, however, the English court did have to examine substantive law issues. This makes the case of great interest to parent company liability, and, as parent company liability overlaps with supply chain liability, also to the latter. Continue reading “Parent Companies Are Not Parents, Subsidiaries Are Not Children”

Aansprakelijkheid voor ‘wrongful trading’ en ‘kennelijk grove fout’ in het WER: een ruimer toepassingsgebied én ruimere vrijstellingen

Schuilt het geluk in een kleine onderneming?

De Wet van 11 augustus 2017 houdende invoeging van het Boek XX WER codificeert met art. XX.227 WER de boedelvordering wegens het kennelijk onredelijk verderzetten van een verlieslatende activiteit. De standaard van aansprakelijkheid in deze bepaling is duidelijke geïnspireerd op de wrongful trading-bepaling van Section 214 van de Insolvency Act in het Verenigd Koninkrijk (overigens zonder er een kopie van te zijn).

Toch is deze aansprakelijkheid in geen geval een novum in de Belgisch rechtsorde. Wellicht kent België wrongful trading al langer dan het VK. Het “Overzicht van rechtspraak” van professor Ronse & C° uit 1978 spreekt reeds van “de mogelijkheid om de beheerders persoonlijk aansprakelijk te stellen uit onrechtmatige daad, wanneer zij in naam en voor rekening van hun vennootschap verbintenissen hebben aangegaan, terwijl zij wisten of behoorden te weten dat de vennootschap nooit in staat zou zijn die te kunnen nakomen” (TPR 1978, 823, nr. 202). Ze verwijzen daarbij naar het vonnis in het Unac-faillissement dat later aanleiding zou geven tot wellicht hét Belgische cassatie-arrest inzake collectieve schade.

De invoering van een wrongful trading-aansprakelijkheidsgrond à la belge in het WER hangt samen met de verhuis van de bijzondere faillissementsaansprakelijkheid van het vennootschapsrecht naar het insolventierecht. De Wet van 11 augustus 2017 heft art. 265, 409 en 530 W.Venn op en vervangt deze bepalingen door art. XX.225-226 WER (dat opnieuw zeker geen identieke kopie is van de voorgangers in het W.Venn.).

Nog te weinig werd opgemerkt dat met de verhuis ook het toepassingsgebied ratione societatis ingrijpend werd gewijzigd. Continue reading “Aansprakelijkheid voor ‘wrongful trading’ en ‘kennelijk grove fout’ in het WER: een ruimer toepassingsgebied én ruimere vrijstellingen”

Het Hof van Cassatie over ‘doorbraak’ van beperkte aansprakelijkheid naar ‘le véritable maître de l’affaire’

Cass. 2 februari 2018 over aansprakelijkheid in de Comm.V

Op 2 februari 2018 velde het Hof van Cassatie een merkwaardig arrest  (“New Super Marché de la Remorque”) over aandeelhoudersaansprakelijkheid.

Het arrest verwerpt het cassatie-beroep tegen een beroepsarrest dat twee categorieën personen aansprakelijk stelt die normaal niet onbeperkt aansprakelijk zijn in de Comm.V.: de zaakvoerder die geen werkende vennoot is en de vennoten van de stille vennoot (waarbij die stille vennoot zelf een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is).

De feiten die aan het geschil ten grondslag liggen zijn zeer specifiek en het cassatie-arrest schuwt algemene uitspraken te doen. Toch rijst de vraag wat de consequenties zijn van dit arrest voor andere Comm.V’s en zelfs andere vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid.  Continue reading “Het Hof van Cassatie over ‘doorbraak’ van beperkte aansprakelijkheid naar ‘le véritable maître de l’affaire’”

Een ‘afgeleide’ aansprakelijkheidsvordering tegen de curator door een schuldeiser: niet voor vandaag, hopelijk wel voor morgen

Een post door gastblogger Eline Hoogmartens

Kan een schuldeiser die zich benadeeld voelt door een handelen of nalaten van de curator een aansprakelijkheidsvordering instellen ten behoeve van de boedel? Het is interessant die vraag te bekijken door naar de minderheidsvordering in het vennootschapsrecht te kijken.

Continue reading “Een ‘afgeleide’ aansprakelijkheidsvordering tegen de curator door een schuldeiser: niet voor vandaag, hopelijk wel voor morgen”

Kleine schoonmaak in vereenvoudigde pauliana: schuldvergelijking geschrapt

Wetgever knipt loszittend eindje in de faillissementswet af

De nieuwe insolventiewet hernummert de zogenoemde “vereenvoudigde pauliana’s”: de artikelen 17-19 Faill.W. worden de artikelen XX.111-113 WER. Wat verandert er inhoudelijk? Niets, zo lijkt het op het eerste gezicht. Of toch – het nieuwe artikel XX.111 telt één woord minder dan zijn voorganger: “schuldvergelijking”. Continue reading “Kleine schoonmaak in vereenvoudigde pauliana: schuldvergelijking geschrapt”

Zit na invoering van een ‘cap’ op bestuursaansprakelijkheid straks iedereen aan het Belgisch vennootschapsrecht?

En bereiken we de ‘top’ of de ‘bottom’?

Het nieuwe jaar komt met de belofte van een nieuw vennootschapsrecht.

Eén van de meest fundamentele wijzigingen in de vooropgestelde hervorming van het vennootschapsrecht is de mogelijkheid om vrij het toepasselijk vennootschapsrecht te kiezen (vulgo: de statutaire zetelleer). Oprichters en aandeelhouders van een Belgische onderneming worden vrij in de keuze van de  lex societatis . Een Belgische onderneming zal, zonder enig reëel aanknopingspunt met de betrokken jurisdictie, kunnen kiezen voor het recht van Nederland, Bulgarije of Malta of — en hier zou de Belgische wetgever verder gaan dan dan enige Europese verplichting —  van Oezbekistan, Delaware of Panama.

Een andere voorgestelde wijziging zou de invoering zijn van een maximumbedrag voor bestuursaansprakelijkheid voor een feit of complex van feiten (de “cap“). 

Voor Belgische of  buitenlands ondernemers zal die ‘cap’ een van de meest unieke aspecten van het Belgisch vennootschapsrecht vormen.  In deze post gaan we in op mogelijke interferenties tussen de ‘cap’ en de mogelijkheid om je vennootschapsrecht vrij te kiezen.  Continue reading “Zit na invoering van een ‘cap’ op bestuursaansprakelijkheid straks iedereen aan het Belgisch vennootschapsrecht?”