In wiens belang moet het bestuur van een vennootschap/boedel handelen?

Frederik De Leo (KU Leuven, UHasselt) in het Tijdschrift voor Privaatrecht

In de meest recente aflevering van het Tijdschrift voor Privaatrecht gaat Frederik De Leo (KU Leuven, UHasselt) in op de aloude vraag in wiens belang het bestuur van een vennootschap moet handelen. Interessant is dat dit onderwerp in één adem behandeld wordt met het “boedelbelang”, momenteel nog een onderbelicht concept in de Belgische doctrine.

Na de vaststelling dat de huidige juridische doctrine in binnen- en buitenland niet in staat is om een éénduidig antwoord te geven op de centrale onderzoeksvraag, wordt ten rade gegaan bij verschillende rechtseconomische theorieën over vennootschappen én insolventieprocedures. Achtereenvolgens passeren de revue: de transactiekostentheorie, de contracttheorie, de eigendomstheorie, de agent-principaaltheorie, de law & finance literatuur, de teamproductietheorie, de creditors’ bargain theorie, de ruime contracttheorie, de complexe wanorde theorie, de teamproductietheorie en de expliciete waarden theorie.

Tijdens een kritische bespreking van voornoemde theorieën worden telkens de aanwezige bouwstenen geïdentificeerd die nodig zouden zijn om een uniforme theorie  over het vennootschaps- en boedelbelang vorm te geven. Vervolgens neemt de auteur de normatieve stelling in dat het bestuur van een vennootschap/boedel in het belang van de residuele economische eigenaars (residual owners) moet handelen. Dit rechtseconomisch begrip wordt in de bijdrage verder geconcretiseerd aan de hand van een glijdende schaal: Continue reading “In wiens belang moet het bestuur van een vennootschap/boedel handelen?”

Bestuursaansprakelijkheid bij het beheer van het vermogen van de onderneming-natuurlijke persoon

De weigering van kwijtschelding in het faillissementsrecht

Traditioneel wordt verondersteld dat burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor fouten in het beheer van het vermogen niets toevoegt bij een natuurlijke persoon. De natuurlijke persoon is immers sowieso onbeperkt aansprakelijk (art. 7 Hyp.W.). Bij een schuldenaar-natuurlijke persoon heeft het weinig zin om onrechtmatigheden die hebben bijgedragen tot de insolventie recht te zetten door middel van een aansprakelijkheidsvordering. Dat is als een hond die in zijn eigen staart wil bijten: de remedie wordt door de onrechtmatigheid zelf nutteloos gemaakt en verergert er zelfs de gevolgen van. Net daarom worden de organisatie van het bedrieglijk onvermogen (art. 490bis Sw.) en gelijkaardige faillissementsmisdrijven strafrechtelijk gesanctioneerd; het civielrechtelijke apparaat schrikt de natuurlijke persoon niet voldoende af. En daarom is de actio pauliana in de eerste plaats ontwikkeld als een zakenrechtelijke remedie: we maken het een probleem van een derde, waardoor het ex ante ook de schuldenaar intoomt.

Een verbintenisrechtelijke remedie wordt traditioneel dus echter niet nuttig geacht bij een natuurlijk persoon die onrechtmatig zijn schuldeisers heeft benadeeld. (Zie recent nog art. XX.224 WER dat natuurlijke personen uitsluit van de faillissementsaansprakelijkheden).

Met het systeem van de verschoonbaarheid/kwijtschelding, nog verstevigd door de uitbreiding van de goederen die van de boedel worden uitgesloten, gaat die veronderstelling evenwel niet langer op.

Deze figuren maken immers dat de natuurlijke persoon niet langer instaat met alle huidige en toekomstige goederen. Kwijtschelding en uitsluiting van goederen zorgen voor een beschot in zijn vermogen. Dit beschot maakt ‘aansprakelijkheid’ als sanctie tegelijk nodig en nuttig. Weigering van kwijtschelding doorbreekt dit beschot, net zoals bestuursaansprakelijkheid het beschot tussen eigen vermogen en vennootschapsvermogen doorbreekt. De gehele of gedeeltelijke weigering van kwijtschelding is daarmee voor een natuurlijke persoon wat bestuursaansprakelijkheid is voor een vennootschapsbestuurder.  Continue reading “Bestuursaansprakelijkheid bij het beheer van het vermogen van de onderneming-natuurlijke persoon”

The regulatory competition continues: ook het Britse vennootschaps- en insolventierecht staat niet stil

Het antwoord van de Britse regering

Op 26 augustus 2018 heeft de Britse regering (the Department for Business, Energy and Industrial Strategy) haar antwoord gepubliceerd op de consultatieronde over insolventie en corporate governance die eerder dit jaar (maart 2018) werd gelanceerd om het Britse vennootschaps- en insolventierecht aantrekkelijk te houden (zie daarover reeds hier). Het antwoorddocument vat de ontvangen commentaren samen en geeft de stappen weer die de Britse regering in de nabije toekomst wilt nemen. Daarnaast bevat het document een antwoord van de regering op de Review of the Corporate Insolvency Framework dat reeds werd gepubliceerd in mei 2016.

In wat volgt geven we een korte opsomming van de te ondernemen stappen zoals beschreven in het antwoord van de regering: Continue reading “The regulatory competition continues: ook het Britse vennootschaps- en insolventierecht staat niet stil”

Revised €1,3 billion settlement in the Fortis case approved by Dutch court

On 13 July 2018, the Court of Amsterdam approveda revised €1.308,5 million class action settlement between Ageas (Fortis’ legal successor) and four claimant organizations ((VEB, Deminor, SICAF and Stichting FortisEffect) concerning allegedly false or misleading statements by Fortis during the financial crisis in 2007 and 2008. In an earlier decision of 16 June 2017, the court had declined to approve the settlement (discussed on this blog here). According to the court, the main reasons for this where the unjustified differences in compensation awarded to “active claimants” (those who filed a legal procedure or registered with any of the claimant organizations) and “non-active claimants” (those who didn’t), as well as the exorbitant fees for the claimant organizations.

After the court’s first decision, the parties reached a new settlement agreementon 12 December 2017, which took into account the court’s criticism and included a €100 million increase in the settlement amount. This time, ConsumentenClaim, one of the most important opponents during the first trial, also supported the agreement. Although the court remained critical for one of the claimant organizations (VEB), the court now approved the settlement and declared it binding on all shareholders that do not opt out within five months. This way, more than ten years after the facts, the shareholders of Fortis will get compensation and Ageas can leave this legacy behind.

Continue reading “Revised €1,3 billion settlement in the Fortis case approved by Dutch court”

Are loyalty voting rights efficient?

Some reflections on the Belgian proposals

Especially after the financial crisis, many people have drawn attention to the problem of short-termism. There are many possible strategies to address this problem, including awarding additional voting rights to loyal shareholders (“loyalty voting rights”). Both France and Italy have introduced loyalty voting rights, and now the Belgian proposal for a new Companies and Associations Code also contains the possibility of loyalty voting rights in listed companies (discussed in previous blog posts here and here).

Of course, this raises the question how effective loyalty voting rights, as proposed in the Belgian Company Law Reform, are in addressing the short-termism problem. In this blog post, I argue that loyalty voting rights are unlikely to increase the holding periods of investors, as the evidence suggests that they are only used by the controlling shareholders. However, loyalty voting rights will allow a controlling shareholder to insulate itself from short-term market pressures. On the other hand, insulation also comes with the disadvantage of higher agency costs.

Therefore, I argue that loyalty voting shares are in fact nothing else than a type of control-enhancing mechanism. This implies that shareholders should be protected against midstream introductions of loyalty voting rights. On this ground, I question the wisdom of lowering the threshold to introduce loyalty voting rights, as the Belgian legislator is proposing, inspired by the French and Italian examples. In addition, I propose an additional majority for the introduction of loyalty voting rights, inspired by the idea of “majority of the minority” approval.

Continue reading “Are loyalty voting rights efficient?”

Verplicht bod en meervoudig stemrecht

Hoe het WVV de Overnamerichtlijn schendt en het verplicht bod uitholt

Inleiding

Ondertussen is het algemeen bekend onder vennootschapsjuristen en lezers van Corporate Finance Lab dat het WVV het loyauteitsstemrecht zal toelaten voor genoteerde vennootschappen (zie eerder op deze blog hier). Minder algemeen bekend is misschien dat ook winstbewijzen met meervoudig stemrecht mogelijk worden, zelfs in de genoteerde NV en zonder loyauteitsvoorwarde. Los van de fundamentele wenselijkheidsvragen die dergelijke afwijkingen van het “one share, one vote” beginsel oproepen, rijst er ook een juridisch-technische vraag: hoe verhoudt dit meervoudig stemrecht zich tegen drempels die geformuleerd worden als een bepaald percentage van “de effecten met stemrecht” of “de stemrechten”, en meer bepaald met de drempel voor het verplicht openbaar bod?

In deze blogpost bespreek ik de nieuwe bepaling in het WVV die stelt dat de 30% grens voor het verplicht openbaar bod moet berekend worden als “30% van de effecten met stemrecht”, en dus niet als 30% van de stemrechten. In de woorden van de memorie van toelichting wordt het (eventueel) dubbel stemrecht voor loyale aandeelhouders en het (eventueel) meervoudig stemrecht voor winstbewijshouders “geneutraliseerd” voor doeleinden van het verplicht bod. Als een aandeelhouder bijvoorbeeld 25% van de aandelen in zijn bezit heeft, maar door het dubbel loyauteitsstemrecht of door het houden van één enkel winstbewijs met meervoudig stemrecht, meer dan 30% van de stemrechten bezit, dan moet hij volgens het WVV geen verplicht bod uitbrengen.

Ik zal argumenteren dat dit (1) in strijd is met de tekst van de Overnamerichtlijn, en (2) in strijd is met de ratio van het verplicht bod. Ten slotte zal ik ook enkele opties bespreken voor hoe de verhouding tussen meervoudig stemrecht en verplicht bod anders kan worden opgelost, met verwijzingen naar Frankrijk en Italië.

Continue reading “Verplicht bod en meervoudig stemrecht”

Een demarrage voor dubbel stemrecht in het nieuwe WVV: goeie benen of doping?

Een post door gastblogger Jeroen Delvoie (VUB)

Met de indiening als wetsontwerp in de Kamer toont het nieuwe Wetboek van vennootschappen zich eindelijk aan het publiek. Na een lange vlakke aanloop, trekt het peloton zich op gang voor de slotklim. En al meteen valt een opvallende demarrage op te tekenen, met name op het vlak van meervoudig stemrecht.

De nieuwe regeling voor meervoudig stemrecht in de NV en de BV is ongetwijfeld een van de belangrijkste innovaties van het nieuwe wetboek. In niet-genoteerde vennootschappen zou meervoudig stemrecht volledig geliberaliseerd worden: vrijheid, blijheid. In genoteerde vennootschappen kiest het ontwerp voor een systeem van loyauteitsstemrecht naar Frans model: dubbel stemrecht voor aandeelhouders die hun aandelen ten minste twee jaar ononderbroken aanhouden. Daartoe moeten de aandelen wel op naam worden ingeschreven. Waarmee het nieuwe WVV meteen de taks op effectenrekeningen een extra padje in de korf zet, maar dit geheel terzijde. Tot daar weinig nieuws. Zelfs wie de koers maar met een half oog volgde, wist dat dit eraan kwam (zie o.m. J. DELVOIE, “Daar is Nessie! Naar meervoudig stemrecht in NV en BVBA”, TPR 2015, p. 985-989”).

Maar uit het ingediende wetsontwerp blijkt nu dat de regering het systeem van dubbel stemrecht een serieuze duw in de rug wil geven en daartoe de teksten in extremis heeft bijgestuurd:  Continue reading “Een demarrage voor dubbel stemrecht in het nieuwe WVV: goeie benen of doping?”

Corporate/Bankruptcy governance: van parlementaire democratie tot dictatoriale autocratie

Economics trumps politics

Er wordt regelmatig gepleit voor meer aandeelhoudersinspraak (“shareholder democracy”) bij het bestuur van vennootschappen. Sommige auteurs baseren zich daarvoor op een interne rechtsvergelijking tussen de vennootschap en een parlementaire democratische staat. Anderen menen dat die vergelijking niet opgaat en dat de aangetroffen verschillen gerechtvaardigd kunnen worden. In een recente bijdrage, gepubliceerd in het Rechtskundig Weekblad, sluiten we ons aan bij die tweede strekking en verrijken we de bestaande doctrine door de vergelijking uit te breiden naar vennootschappen in financiële moeilijkheden, m.i.v. insolventieprocedures.

Voor de interne rechtsvergelijking tussen het bestuursmodel van een (middelgrote naamloze) vennootschap (al dan niet in financiële moeilijkheden) en een parlementaire democratische staat gebruiken we een viertal testcases die doorheen de bijdrage telkens terug komen: (i) de identiteit van de stemgerechtigden, (ii) het aantal stemmen per stemgerechtigde, (iii) de uiteindelijke beslissingsmacht en (iv) de bevoegdheid tot benoeming en ontslag van het bestuur. Uit die interne rechtsvergelijking leiden we af dat de parlementaire democratie als bestuursvorm geenszins consequent wordt toegepast tijdens de verschillende levensfases van de (middelgrote naamloze) vennootschap.

Het zogenaamd parlementair democratisch besluitvormingsproces van financieel gezonde vennootschappen lijkt in werkelijkheid meer op een aristocratisch besluitvormingsproces, waarbij de “rijke en wijze” aandeelhouders het voor het zeggen hebben. M.b.t. de testcase “het aantal stemmen per stemgerechtigde” merken we bij financieel gezonde vennootschappen bijvoorbeeld het volgende op: Continue reading “Corporate/Bankruptcy governance: van parlementaire democratie tot dictatoriale autocratie”

Verzacht nieuw Brits insolventierecht de Brexit-pijn?

Bestuurdersaansprakelijkheid en pauliana geen afknapper voor ondernemingen, maar net een troef

De Britse regering is gestart met een consultatieronde over corporate governance bij insolvente vennootschappen. Het doel: het insolventierecht opfrissen en waar nodig verstrengen. Daartoe wil de Britse regering onder meer de volgende voorstellen aftoetsen bij het ruimere publiek: Continue reading “Verzacht nieuw Brits insolventierecht de Brexit-pijn?”

Swiss Referendum on Implementing Supply Chain Liability

a post by guest blogger Penelope Bergkamp

Following a clear trend, Switzerland is now also considering proposals to hold  Swiss companies liable for environmental damage and human rights violations in their supply chains. Possibly inspired by the French Corporate Duty of Vigilance Law, the Swiss Coalition for Corporate Justice (SCCJ) launched the Responsible Business Initiative (“RBI”) in 2015. The RBI involves a citizens’ petition to amend the Swiss Federal Constitution to impose “appropriate due diligence” obligations on Swiss companies in  accordance with  their responsibilities under the UN Guiding Principles, along with liability for breaches by their subsidiaries. In response to the RBI, the Swiss Senate adopted a somewhat narrower, less ambitious proposal. Pursuant to Article 139 of the Federal Constitution, the Swiss people will be asked to vote on the RBI in a popular referendum

This post discusses the RBI and highlights the key differences between the RBI and the Senate proposal. First, the background to the RBI proposal is briefly reviewed. I will then turn to the procedural and substantive provisions of the RBI. Finally, the international private law aspects of the proposal will be analyzed. Continue reading “Swiss Referendum on Implementing Supply Chain Liability”

Een ‘afgeleide’ aansprakelijkheidsvordering tegen de curator door een schuldeiser: niet voor vandaag, hopelijk wel voor morgen

Een post door gastblogger Eline Hoogmartens

Kan een schuldeiser die zich benadeeld voelt door een handelen of nalaten van de curator een aansprakelijkheidsvordering instellen ten behoeve van de boedel? Het is interessant die vraag te bekijken door naar de minderheidsvordering in het vennootschapsrecht te kijken.

Continue reading “Een ‘afgeleide’ aansprakelijkheidsvordering tegen de curator door een schuldeiser: niet voor vandaag, hopelijk wel voor morgen”

The Anatomy of Corporate Law (Third Edition) – Book Review

Cover for 

The Anatomy of Corporate Law

A previous blogpost already announced the publication of the third edition of “The Anatomy of Corporate Law”. The first chapter of the book can be read here. This blogpost reviews The Anatomy in more detail. A Dutch version of this review was published in “Tijdschrift voor Privaatrecht” (TPR).

The Anatomy of Corporate Law is, without a doubt, one of the most important works in the comparative and economic analysis of corporate law.
The Anatomy studies almost all of the important topics in corporate law, ranging from the basic governance structure to takeovers and securities regulation. It should be mandatory reading for corporate law scholars all over the world and can serve as an excellent basis for teaching comparative corporate law to students. Continue reading “The Anatomy of Corporate Law (Third Edition) – Book Review”

Uitstoting van minderheids-aandeelhouders uit genoteerde vennootschappen

Over “squeeze-outs”, “freeze-out mergers” en “pre-wired asset sales”

Een eerdere blogpost rapporteerde over de toekenning van de TRV-RPS Prijs 2016 voor mijn masterthesis over “Freeze-outs of minority shareholders: a comparative law and economics approach” (hier beschikbaar). Ondertussen werd er een herwerkte en ingekorte versie gepubliceerd als artikel in het “Tijdschrift voor Rechtspersoon en Vennootschap – Revue pratique des sociétés” (TRV-RPS). Hieronder volgt een samenvatting van de belangrijkste stellingen. Continue reading “Uitstoting van minderheids-aandeelhouders uit genoteerde vennootschappen”

“Pleit” je rijk in Richmond (Virginia): Toys “R” Us

What do lawyers maximize? (The same things everyone else does)

De rechtseconomische literatuur met betrekking tot corporate governance staat vaak stil bij de agency costs die de agent-principaalverhouding tussen bestuurders en aandeelhouders teweeg brengt. Men staat echter zelden stil bij de agency costs die in andere agent-principaalverhoudingen bestaan. Dit forum doet dat echter wél met enige regelmaat. Daarbij denken we o.a. aan de blogposts over de agency costs die bestaan binnen de agent-principaalverhouding tussen curatoren en schuldeisers in de boedel (i.e. bankruptcy governance, zie bv. hier, hier en hier). Een andere agent-principaalverhouding, met bijbehorende agency costs, is echter die van de advocaat en cliënt.

In een eerdere blogpost hebben we reeds gewezen op bepaalde prikkels die de remuneratie van de advocaat kunnen creëren in zijn hoofde. Een mooie illustratie daarvan is de recente zaak van Toys “R” Us die in Richmond (Virginia, VS) een insolventieprocedure hebben aangevraagd. Toys “R” Us is daarin echter niet alleen. Richmond wordt steeds populairder voor insolventieprocedures (zie daarover hier en hier). De vraag die daarbij rijst, is: “Waarom?”. Continue reading ““Pleit” je rijk in Richmond (Virginia): Toys “R” Us”

Remuneratie curator. Het bureau voor rechtsbijstand is geen insolventieverzekeraar, maar wie dan wel?

Frederik De Leo (KU Leuven, UHasselt) en Dennis Cardinaels (University of Leeds) in NjW

Maakt de curator bij de vereffening van een insolventieboedel aanspraak op kosteloze rechtspleging krachtens artikel 667 van het Gerechtelijk Wetboek? Die vraag werd door het bureau voor rechtsbijstand van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel op 13 januari 2016 onverbiddelijk beantwoord met een eenvoudige ‘nee’ (Rb. Brussel (Nl.) (Bureau voor rechtsbijstand) 13 januari 2016, NjW 2017, 609).

Hoewel die beslissing begrijpelijk is, herbergt ze een fundamenteel vraagstuk: wordt de curator wel adequaat vergoed voor de inspanningen die hij levert en kosten die hij maakt bij de wedersamenstelling van de boedel? Een ontkennend antwoord op die vraag zou kunnen leiden tot een pervers resultaat, namelijk een curator die passiever blijft dan wenselijk is.

Bijgevolg noopt het oordeel van het bureau voor rechtsbijstand tot een analyse van de huidige remuneratieregelgeving van de curator, teneinde na te gaan of de curator via de huidige regeling wel voldoende geprikkeld wordt om de belangen van de schuldeisers in de boedel maximaal te behartigen. Continue reading “Remuneratie curator. Het bureau voor rechtsbijstand is geen insolventieverzekeraar, maar wie dan wel?”