Alfabet-soep: over de doorwerking van excepties in de verhouding hoofdschuldenaar – uitvoeringsagent tegen de hoofdschuldeiser

Met vingerwijzingen over hoe zich contractueel in te dekken

A is contractuele hoofdschuldeiser, B zijn contractuele (hoofd)schuldenaar, C de uitvoeringsagent die op grond van een overeenkomst met B het contract tussen A en B uitvoert.

Het ‘oude’ recht is bekend: op grond van de immuniteit van de uitvoeringsagent heeft A geen buitencontractuele vordering tegen C voor fouten gemaakt bij de uitvoering van de overeenkomst.

Het ‘nieuwe’ recht (art. 6.3 BW) is ook bekend: A kan wel een buitencontractuele vordering hebben op C (als diens fout minstens een schending is van de algemene zorgvuldigheidsnorm). C kan echter de verweermiddelen inroepen die B zou kunnen inroepen indien hij contractueel wordt aangesproken door A. C kan ook de verweermiddelen inroepen die hij zou kunnen inroepen als hij contractueel wordt aangesproken door B. (We laten hier, eenvoudigheidshalve, de uitzonderingen op de basisregels buiten beschouwing).

Over de omvang van die laatste doorwerking van verweermiddelen uit de verhouding B-C naar A bestaat discussie.

Continue reading “Alfabet-soep: over de doorwerking van excepties in de verhouding hoofdschuldenaar – uitvoeringsagent tegen de hoofdschuldeiser”

Collectieve verhaalprocedures: rechtseconomische inzichten

Dirk Heremans en Michiel Verhulst in Valkuilen in Recht en Economie (die Keure, 2024)

Marktfalingen bij ‘small claims’: nood aan collectieve actie

Bij kleine schadegevallen, de zgn. small claims, is de schade van elke individuele eiser te gering om hem aan te zetten tot het instellen van een (kostelijk) geding. De totale maatschappelijke kost kan weliswaar aanzienlijk zijn aangezien potentiële schadeverwekkers dan onvoldoende afgeschrikt worden bij het stellen van hun schadelijke gedragingen. Dit doet zich typisch voor bij inbreuken op het consumentenrecht en het mededingingsrecht (zowel voor schade geleden door consumenten als kleinere bedrijven).

Privaatrechtelijke handhavingsacties blijven uit wanneer bij small claims de individuele schadevergoedingen niet opwegen tegen de proceskosten. Een suboptimale handhaving van het recht is dan het gevolg van de zgn. ‘rationele apathie’ t.a.v. rechtsgedingen. Die apathie doet zich voor wanneer de investeringen in een rechtsgeding, o.a. ten gevolge van advocatenkosten, te hoog ingeschat worden t.a.v. de mogelijke verwachte opbrengst. Gebrek aan informatie werkt verdere risico-aversie m.b.t. verlies t.o.v. rechtsgedingen in de hand. Het leidt ook tot ‘vrijbuitersgedrag’ waarbij schadelijders eerst opportunistisch de kat uit de boom kijken om dan mee te surfen op de procedures van anderen. Wanneer dan iedereen zo redeneert heeft dit tot gevolg dat niemand het initiatief neemt tot een rechtsgeding(Faure, M. & Visscher, L., “Mass Damages in the Netherlands”, in Don’t Take it seriously. Essays in Law and economics, 389-410. Cambridge: Intersentia, 2018).

Continue reading “Collectieve verhaalprocedures: rechtseconomische inzichten”

Governance van huwelijk en kloostervereniging vergeleken met de vennootschap

Valkuilen in Recht en Economie (die Keure, 2024)

Marital governance

Een cruciale sleutel voor de verschillende juridische normering van het maximum aantal leden in een huwelijk, een vennootschap en een kloostervereniging ligt in de verschillende problemen die meerhoofdigheid stelt voor besluitvorming in deze organisaties.

In een organisatie zoals het huwelijk met twee deelgenoten en zonder bestuursorgaan, zijn er drie grote governance-opties (als we de optie van een extern bestuurder buiten beschouwing laten): (i) deelgenoten kunnen enkel gezamenlijk beslissen (d.w.z. elke deelgenoot heeft een vetorecht); (ii) elke deelgenoot kan alleen beslissen (concurrentiële bevoegdheid) en (iii) één echtgenoot kan alleen beslissen (exclusieve bevoegdheid).

Het actuele huwelijksrecht maakt vooral gebruik van een mengeling van de tweede en de eerste optie: concurrentieel bestuur en gezamenlijk bestuur.

Historisch gezien is nochtans de derde optie van exclusief bestuur de meest voorkomende vorm van marital governance: één managing spouse die exclusief bestuursbevoegd is. Vóór de wijzigingen van 1958 en 1976 werd het huwelijk(svermogen) exclusief bestuurd door één (de mannelijke) echtgenoot (‘hoofd van de echtvereniging’), met nauwelijks governance rechten voor de andere (vrouwelijke) echtgenote die door het huwelijk onbekwaam werd. Deze hervormingen kwamen er overigens niet zonder grote weerstand, vanuit het idee dat een schip met twee kapiteins onbestuurbaar is (Rutsaert, J. “La destruction de la famille par la loi”, JT 1958, 69 e.v.).

Continue reading “Governance van huwelijk en kloostervereniging vergeleken met de vennootschap”

Rechtseconomie: weg van het juridisch positivism zonder te vervallen in economisch positivisme

Valkuilen in Recht en Economie (die Keure, 2024)

Het is geen verrassing dat “law & economics” eerder van de grond kwam en met meer enthousiasme werd ontvangen in common law landen. Continentale juristen zien hun systeem traditioneel als een geometrisch georganiseerde, gesloten verzameling normen. In een dergelijk zelfbeeld is het gemakkelijk om waanideeën te koesteren van zelf-voorzienende academische grootsheid en om weerstand te bieden aan de oprukkende claims van een economische analyse van het recht. Het recht kende overigens ook een positivistische periode waarin juristen ervan uitgingen dat oplossingen meer geometrisch konden worden afgeleid uit regels (statuten of precedenten). Juristen geloofden ook – of geloven misschien nog steeds? – in een gesloten formeel systeem dat zou leiden tot een correct antwoord, ongeachte de vooroordelen of waarden van de besluitvormers.

Moderne juridische auteurs daarentegen hebben overtuigend beargumenteerd dat het recht misschien wel een formeel systeem is, maar geen gesloten systeem (W. Van Gerven, Het beleid van de rechter, Story-Scientia, 1973). Regels spreken elkaar tegen zonder dat er altijd een metaregel is die het conflict oplost; regels moeten worden geïnterpreteerd en interpretatieve regels geven geen definitief antwoord; een reeks feiten kan vaak onder tegenstrijdige regels vallen. Vanwege deze intrinsieke onbepaaldheid van het rechtssysteem is de rol van het menselijk oordeel, vertrouwend op niet-juridische factoren, van het grootste belang. Rechters, en bij uitbreiding alle juristen die regels toepassen, nemen beleidsbeslissingen. In zo’n zelfbeeld zal er ten eerste minder weerstand zijn tegen het idee dat de deugdelijkheid van de uitkomst wordt bepaald door niet-juridische overwegingen. Dit creëert een openheid voor economische analyse. Economische analyse biedt dan de belofte dat het de ongesystematiseerde iurisprudentia meer kan rationaliseren.

Waar gaat het dan mis met recht en economie? Waar het te ver gaat en normatieve pretenties heeft over wat de wet zou moeten zijn, beperkt tot een criterium van efficiëntie als enige doelstelling. Deze benadering vervreemdt juristen, brengt ideologische vooroordelen met zich mee onder het mom van wetenschap en is naïef sciëntisme dat de menselijke oordeelsvorming in het hart van beleidsvorming negeert. Met andere woorden: de economische analyse van het recht gaat fout waar het definitieve antwoorden presenteert met het aura van wetenschap. Beleidsbeslissing horen geïnformeerd te zijn door wetenschap, maar worden er zelden door bepaald.

Continue reading “Rechtseconomie: weg van het juridisch positivism zonder te vervallen in economisch positivisme”

Uitnodiging boekvoorstelling ~ ‘Valkuilen in Recht & Economie’

Provinciehuis Leuven, 21 feb 2024

De nieuwe publicatie bij die Keure Valkuilen in Recht en Economie. Een Interdisciplinaire Governance Uitdaging (eds.: Dirk Heremans & Joeri Vananroye) omvat een selectie van korte essays gericht naar de niet-specialist met interesse in de interdisciplinaire inzichten uit de rechtseconomie met de klemtoon op “governance” (in ondernemingen, de politieke wereld en bij de rechtsbedeling).

Op 21 februari 2024 (16u, Leuven, Provinciehuis) is er een voorstelling van dit boek waarvoor u hier kan inschrijven. Het boek kan u hier bestellen.

  • 15.30 – 16.00 u.: Onthaal van de deelnemers
  • 16.00 – 16.30 u.: Inleiding door Dirk Heremans en Joeri Vananroye
  • 16.30 – 17.10 u.: Gesprek: Corporate Governance: Waarheen ? met Koen Geens en Cynthia Van Hulle
  • 17.10 – 18.00 u.: netwerkmoment

Deze bundel omvat een staalkaart omvat van veertig jaar Leuvense bijdragen op het raakvlak van recht en economie, sinds in 1990 de eerste colleges in “Economic Analysis of Law” van start gingen met Dirk Heremans:

Continue reading “Uitnodiging boekvoorstelling ~ ‘Valkuilen in Recht & Economie’”

Een toekomstige afschaffing van de immuniteit van de uitvoeringsagent riskeert ook bestaande overeenkomsten te impacteren

De trouwe lezer van dit forum heeft mogelijks reeds gehoord dat de afschaffing van de immuniteit van de uitvoeringsagent nakende is (zie hier). De praktische impact hiervan is groot aangezien in het economisch verkeer zo wat elke overeenkomst door een lange reeks uitvoeringsagenten (bestuurders, werknemers, derden, …) wordt uitgevoerd.

Over boek 6 moet nog door de plenaire Kamer worden gestemd. Bij goedkeuring en afkondiging door de Koning, treden de regels – en dus ook de afschaffing van de immuniteit van de uitvoeringsagent – in werking de eerste dag van de zesde maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. In deze post wil ik er aan herinneren dat een voorzichtige contractant reeds nú deze afschaffing moet anticiperen. De afschaffing van de immuniteit riskeert immers een impact te hebben op overeenkomsten die werden afgesloten vóór boek 6 inwerking zal zijn getreden.

Continue reading “Een toekomstige afschaffing van de immuniteit van de uitvoeringsagent riskeert ook bestaande overeenkomsten te impacteren”

De werknemer: een onderbelicht slachtoffer van de afschaffing van de immuniteit van de uitvoeringsagent

De duizendste blogpost op Corporate Finance Lab

Het ziet er dus naar uit dat er een politieke meerderheid (misschien zelfs consensus) bestaat omtrent de afschaffing van de immuniteit van de uitvoeringsagent. Zie de post van Roodhooft van gisteren. In kort komt de tekst goedgekeurd in de Commissie Justitie hier op neer:

  • De immuniteit van de uitvoeringsagent wordt afgeschaft: de hoofdschuldeiser kan dus de uitvoeringsagent van zijn hoofdschuldenaar aanspreken indien die een onrechtmatige daad begaat in de uitvoering van de hoofdovereenkomst;
  • De uitvoeringsagent kan de excepties inroepen uit de verhouding tussen hoofdschuldeiser en hoofdschuldenaar (zoals in het initiële wetsvoorstel);
  • De uitvoeringsagent kan ook de excepties inroepen uit zijn verhouding met de hoofdschuldenaar (anders dan in het initiële voorstel);
  • Er is geen sprake meer van een rechtstreeks vordering (wat ergens onderweg een amendement was van de indieners van het initiële voorstel).

Deze post – overigens de duizendste post op Corporate Finance Lab – wil wijzen op een tot nu onderbelicht slachtoffer van de afschaffing van de immuniteit van de uitvoeringsagent: werknemers.

Continue reading “De werknemer: een onderbelicht slachtoffer van de afschaffing van de immuniteit van de uitvoeringsagent”

Schrijf nu in: ‘Collectieve en individuele actiemogelijkheden bij insolventieprocedures’ op 12 december 2023

Er is nog mogelijkheid tot inschrijven voor de studiemiddag volgende week dinsdag (te Leuven en via livestream). De inschrijvingsprijs van EUR 240 omvat het boek Collectieve en Individuele Schade, dat op de studiemiddag zelf wordt overhandigd (winkelprijs EUR 175). De documentatie wordt digitaal ter beschikking gesteld aan deelnemers. Inschrijvingsprijs zonder boek: EUR 190. Erkenningen bij OVB, IGO, IBJ.

Zie over enkele van de thema’s de volgende voorproefjes:

Programma

Continue reading “Schrijf nu in: ‘Collectieve en individuele actiemogelijkheden bij insolventieprocedures’ op 12 december 2023”

De gedeeltelijke kwijtschelding in het vernieuwde faillissementsrecht

Collectieve en individuele schade: relevant bij kwijtschelding?

Traditioneel wordt verondersteld dat burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor fouten in het beheer van het vermogen niets toevoegt bij een natuurlijke persoon. De natuurlijke persoon is immers sowieso onbeperkt aansprakelijk (art. 3.35 BW; oud art. 7 Hyp.W.). Bij een schuldenaar-natuurlijke persoon heeft het weinig zin om onrechtmatigheden die hebben bijgedragen tot de insolventie recht te zetten door middel van een aansprakelijkheidsvordering. Dat is als een hond die in zijn eigen staart wil bijten: de remedie wordt door de onrechtmatigheid zelf nutteloos gemaakt en verergert er zelfs de gevolgen van.

Met het systeem van de verschoonbaarheid/kwijtschelding, nog verstevigd door de uitbreiding van de goederen die van de boedel worden uitgesloten, gaat die veronderstelling evenwel niet langer op.

Deze figuren maken immers dat de natuurlijke persoon niet langer instaat met alle huidige en toekomstige goederen. Kwijtschelding en uitsluiting van goederen zorgen voor een beschot in zijn vermogen. Dit beschot maakt ‘aansprakelijkheid’ als sanctie tegelijk nodig en nuttig. Weigering van kwijtschelding doorbreekt dit beschot, net zoals bestuursaansprakelijkheid het beschot tussen eigen vermogen en vennootschapsvermogen doorbreekt. De gehele of gedeeltelijke weigering van kwijtschelding is daarmee voor een natuurlijke persoon wat bestuursaansprakelijkheid is voor een vennootschapsbestuurder. 

Elke belanghebbende met inbegrip van de curator en het openbaar ministerie kan vorderen dat de kwijtschelding slechts voor een deel wordt toegekend of volledig geweigerd bij gemotiveerde beslissing, indien de gefailleerde kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement. Zie over de vernieuwde procedure F. De Leo, TRV-RPS 2023, p. 446-447.

Het vernieuwe faillissementsrecht voegt daar sinds 1 september 2023 aan toe als weigeringsgrond: indien de gefailleerde wetens naar aanleiding van de aangifte van het faillissement of naderhand op vragen van de rechter-commissaris van de curator onjuiste inlichtingen heeft verstrekt (art. XX.173 § 3 WER). Dat is nuttig. Dit verhindert dat in de voorwaarde van “bijgedragen tot het faillissement” a contrario wordt gelezen dat de (laakbare) houding van de gefailleerde tijdens de faillissementsafwikkeling de toekenning van de kwijtschelding niet zou kunnen verhinderen (zie daarover onder het oude recht hier).

Een nieuwigheid van het voorlaatste faillissementsrecht (2018) was de mogelijkheid van gedeeltelijke kwijtschelding bij verzet van een derde-belanghebbende. Dit gaf de rechtbank de mogelijkheid om in grijstinten te schilderen i.p.v. het oude zwart/wit- regime van de verschoonbaarheid. Daarbij rees de vraag hoe een gedeeltelijke kwijtschelding onder de schuldeisers moest worden omgeslagen: enkel voor de zich verzettende schuldeiser, voor alle schuldeisers, hoe rekening te houden met de rangorde? Het advies aan rechtbanken was dan ook om de gevolgen van een gedeeltelijke kwijtschelding nauwerkeurig te omschrijven (D. Pasteger, “De l’excusabilité à l’effacement”, TBH 2018, 271, nr. 19). Hier brengt het nieuwe recht een nieuwigheid waarvan we niet overtuigd zijn dat het een verbetering is.

Continue reading “De gedeeltelijke kwijtschelding in het vernieuwde faillissementsrecht”

Wat zegt ontwerp-Boek 6 BW over collectieve schade (schuldeisers) en afgeleide schade (aandeelhouders)?

Spoiler alert: niets; en dat is een goede zaak

Een schuldeiser kan geen schade vorderen voor schade die louter als oorzaak heeft de waardevermindering van het vermogen van schuldeiser. Deze schade is collectieve schade die aan de boedel toekomt.

Een aandeelhouder kan geen schade vorderen voor schade die louter als oorzaak heeft de waardvermindering van het vennootschapsvermogen. Vergoeding voor deze afgeleide schade kan enkel door de vennootschap worden gevorderd.

Bij schuldeisers benadrukt rechtspraak en doctrine op positieve wijze het monopolie op collectief niveau (‘Enkel boedel kan collectieve schade vorderen’). Bij aandeelhouders wordt het probleem negatief benaderd vanuit de onmogelijkheid om hun deel van de collectieve schade te vorderen. Dit verbergt soms dat het gaat om twee zeer gelijkaardige regels. (Rechtsvergelijkend wordt het plaatje nog verwarrender om in Nederland het probleem niet benaderd wordt vanuit de schade, maar vanuit de vordering. De Belgische vordering om herstel te krijgen collectieve schade te eisen heet – met alle gebruikelijke proviso’s inzake rechtsvergelijking – in Nederland de Peeters/Gatzen-vordering).

De regels inzake collectieve schade en zeker die inzake afgeleide schade worden vaak gezien als een verbintenisrechtelijk probleem, een vraag die te maken heeft met de aard van de schade (schade door weerkaatsing, reflexschade).

Continue reading “Wat zegt ontwerp-Boek 6 BW over collectieve schade (schuldeisers) en afgeleide schade (aandeelhouders)?”

Enkel de georganiseerde natuurlijke persoon is een onderneming – Cassatie bevestigt eerdere rechtspraak

Kan een bestuurder failliet worden verklaard?

Met een arrest (c.23.0023.n) van 23 november 2023 van de eerste kamer in voltallige zitting bevestigt het Hof van Cassatie haar eerdere rechtspraak rond de kwalificatie van natuurlijke personen als onderneming:

Continue reading “Enkel de georganiseerde natuurlijke persoon is een onderneming – Cassatie bevestigt eerdere rechtspraak”

Nieuw Insolventierecht: ‘last call’ voor interuniversitaire studiemiddag op 23 november e.k. (Brussel & online)

UGent, KU Leuven, VUB en UAntwerpen organiseren op 23 november e.k. te Brussel (KU Leuven, campus Brussel, dicht bij Centraal Station) een studiemiddag over de recente hervorming van het insolventierecht. Er is nog een beperkt aantal fysieke plekken beschikbaar voor deze studiemiddag. Deelname is ook mogelijk via livestream. Deze studiedag werd erkend door IGO en OVB.

Op het programma staat:

  • Grondslagen van de hervorming – Prof. dr. em. Eric Dirix (KU Leuven), afdelingsvoorzitter Hof van Cassatie 
  • Preventieve mechanismen, ondernemingsbemiddeling en minnelijke herstructureringstools – Prof. dr. Melissa Vanmeenen, UAntwerpen
  • Nieuwe bepalingen inzake gerechtelijke reorganisatie in het algemeen – Prof. dr. Diederik Bruloot, UGent, advocaat
  • De nieuwe procedure van gerechtelijke reorganisatie voor grote ondernemingen – Prof. dr. Frederik De Leo, gastprofessor UHasselt en KU Leuven, advocaat 
  • De vernieuwde procedure van overdracht onder gerechtelijk gezag – Mr. Matthias Ghesquière, advocaat, gastprofessor VUB
  • Wijzigingen inzake faillissement – Prof. dr. Joeri Vananroye, KU Leuven, advocaat
  • Vooruitblik: Europees voorstel tot verdere harmonisatie van het insolventierecht – Prof. dr. Matthias Storme, KU Leuven, UHasselt en UAntwerpen, advocaat

Meer info en inschrijven hier.

De bijdragen worden gebundeld in een verslagboek, uitgeven bij LeA, dat meteen een volledig overzicht biedt van het vernieuwde Boek XX WER.

De huidige voorwaarden voor hoofdelijke aansprakelijkheid na splitsing zijn onnodig beperkend

J. Vananroye en J. Van Eetvelde, “De huidige voorwaarden voor hoofdelijke aansprakelijkheid na splitsing zijn onnodig beperkend”, TRV 2023, 515-522

Bij een splitsing (of met splitsing gelijkgestelde verrichting) of een overdracht of inbreng van een algemeenheid of een bedrijfstak wordt het geheel of een belangrijk deel van de activa en schulden van een rechtspersoon overgedragen.

Dit creëert een nood aan een bijzondere bescherming van de schuldeisers van de overdragende vennootschap. Hun rechtsverhouding kan immers worden overgedragen naar een nieuwe vennootschap zonder dat hun instemming met deze opgedrongen nieuwe debiteur is vereist. De vermogenstoestand van de verkrijgende vennootschap kan slechter zijn dan die van de overdragende. Ook als de overdragende vennootschap nog debiteur blijft (met name bij een partiële splitsing of een overdracht of inbreng van een bedrijfstak, waarbij de betrokken verhouding niet behoort tot de overgedragen bedrijfstak) loopt de schuldeiser risico dat die overdragende vennootschap door de reorganisatie slechter achter blijft.

Daarom biedt de vennootschapswetgever de schuldeisers van alle betrokken vennootschappen twee bijzondere mogelijkheden.

  • Er is vooreerst de mogelijkheid om zekerheid te eisen; dit vereist een initiatief van de schuldeisers die hiervoor in aanmerking komen.
  • Verder is er voor bepaalde schuldeisers automatisch hoofdelijke aansprakelijkheid van de overdragende vennootschap samen met de verkrijgende vennootschap die door de overdracht schuldenaar werd of bij een splitsing waar de overdragende vennootschap verdwijnt, van de verkrijgende vennootschappen.

In een ‘Amendement’ in het laatste nummer van TRV/RPS argumenteren Jasper Van Eetvelde en ikzelf dat de toepassingsvoorwaarden voor de hoofdelijkheidsremedie naar huidig recht onnodig streng zijn.

Continue reading “De huidige voorwaarden voor hoofdelijke aansprakelijkheid na splitsing zijn onnodig beperkend”

Indien een geconflicteerde bestuurder meestemt leidt dit tot nietigheid van het bestuursbesluit, zelfs bij afwezigheid van bewijs dat dit het besluit heeft kunnen beïnvloeden? (video disputatio)

Opname disputatio Tom Vos en Stijn De Dier – 1 juni 2023

Het WVV geeft een bijzondere nietigheidsgrond in geval van schending van de regels voor belangenconflicten bij bestuurders. De rechtspersoon kan de nietigheid vorderen van besluiten of verrichtingen die hebben plaatsgevonden met overtreding van de toepasselijke belangenconflictregels, indien de wederpartij bij die besluiten of verrichtingen van die overtreding op de hoogte was of had moeten zijn.

Al sinds de invoering van die nietigheidssanctie speelt de vraag of de nietigheidssanctie geldt bij elke schending van de belangenconflictregeling. Een eerste strekking verdedigt dat enkel “wezenlijke” schendingen, die de besluitvorming of de verrichting kunnen beïnvloeden, tot nietigheid zouden mogen leiden. Een tweede strekking ziet de nietigheid verschijnen bij elke schending van de betrokken regels. Het WVV heeft deze discussie niet beslecht.

Op 1 juni 2023 disputeerden Tom Vos (UAntwerpen, Linklaters) en Stijn De Dier (UAntwerpen, Quinz) over dit vraagstuk. De opname kan u hier herbekijken. Zie voor meer achtergrondinformatie verder hier.

Immuniteit van uitvoeringsagenten in het Wetsvoorstel nieuw Boek 6 BW: een beknopt pleidooi tegen de voorgenomen afschaffing

Wetsvoorstel Buitencontractuele Aansprakelijkheid (DOC 55 3213)

1. De aansprakelijkheid van uitvoeringsagenten betreft de vraag in welke mate een hoofdschuldeiser (bv. koper, bouwheer) een buitencontractuele vordering heeft indien een uitvoeringsagent (bv. leverancier, onderaannemer) van zijn hoofdschuldenaar (bv. verkoper, aannemer) door een onrechtmatige daad schade veroorzaakt aan deze hoofdschuldeiser. Uitvoeringsagenten kunnen natuurlijke personen zijn (bv. werknemers, bestuurders) of rechtspersonen (bv. bank die een betaling uitvoert, koeriersbedrijf).

Naar huidig recht heeft de uitvoeringsagent een verregaande immuniteit ten aanzien van de contractuele schuldeiser van zijn opdrachtgever. In het Wetsvoorstel houdende boek 6 “Buitencontractuele aansprakelijkheid” van het Burgerlijk Wetboek vervalt deze immuniteit, al blijkt dit eerder impliciet.

Continue reading “Immuniteit van uitvoeringsagenten in het Wetsvoorstel nieuw Boek 6 BW: een beknopt pleidooi tegen de voorgenomen afschaffing”