Experiments

Bestuursaansprakelijkheid bij het beheer van het vermogen van de onderneming-natuurlijke persoon

De weigering van kwijtschelding in het faillissementsrecht

Traditioneel wordt verondersteld dat burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor fouten in het beheer van het vermogen niets toevoegt bij een natuurlijke persoon. De natuurlijke persoon is immers sowieso onbeperkt aansprakelijk (art. 7 Hyp.W.). Bij een schuldenaar-natuurlijke persoon heeft het weinig zin om onrechtmatigheden die hebben bijgedragen tot de insolventie recht te zetten door middel van een aansprakelijkheidsvordering. Dat is als een hond die in zijn eigen staart wil bijten: de remedie wordt door de onrechtmatigheid zelf nutteloos gemaakt en verergert er zelfs de gevolgen van. Net daarom worden de organisatie van het bedrieglijk onvermogen (art. 490bis Sw.) en gelijkaardige faillissementsmisdrijven strafrechtelijk gesanctioneerd; het civielrechtelijke apparaat schrikt de natuurlijke persoon niet voldoende af. En daarom is de actio pauliana in de eerste plaats ontwikkeld als een zakenrechtelijke remedie: we maken het een probleem van een derde, waardoor het ex ante ook de schuldenaar intoomt.

Een verbintenisrechtelijke remedie wordt traditioneel dus echter niet nuttig geacht bij een natuurlijk persoon die onrechtmatig zijn schuldeisers heeft benadeeld. (Zie recent nog art. XX.224 WER dat natuurlijke personen uitsluit van de faillissementsaansprakelijkheden).

Met het systeem van de verschoonbaarheid/kwijtschelding, nog verstevigd door de uitbreiding van de goederen die van de boedel worden uitgesloten, gaat die veronderstelling evenwel niet langer op.

Deze figuren maken immers dat de natuurlijke persoon niet langer instaat met alle huidige en toekomstige goederen. Kwijtschelding en uitsluiting van goederen zorgen voor een beschot in zijn vermogen. Dit beschot maakt ‘aansprakelijkheid’ als sanctie tegelijk nodig en nuttig. Weigering van kwijtschelding doorbreekt dit beschot, net zoals bestuursaansprakelijkheid het beschot tussen eigen vermogen en vennootschapsvermogen doorbreekt. De gehele of gedeeltelijke weigering van kwijtschelding is daarmee voor een natuurlijke persoon wat bestuursaansprakelijkheid is voor een vennootschapsbestuurder.  Continue reading “Bestuursaansprakelijkheid bij het beheer van het vermogen van de onderneming-natuurlijke persoon”

The regulatory competition continues: ook het Britse vennootschaps- en insolventierecht staat niet stil

Het antwoord van de Britse regering

Op 26 augustus 2018 heeft de Britse regering (the Department for Business, Energy and Industrial Strategy) haar antwoord gepubliceerd op de consultatieronde over insolventie en corporate governance die eerder dit jaar (maart 2018) werd gelanceerd om het Britse vennootschaps- en insolventierecht aantrekkelijk te houden (zie daarover reeds hier). Het antwoorddocument vat de ontvangen commentaren samen en geeft de stappen weer die de Britse regering in de nabije toekomst wilt nemen. Daarnaast bevat het document een antwoord van de regering op de Review of the Corporate Insolvency Framework dat reeds werd gepubliceerd in mei 2016.

In wat volgt geven we een korte opsomming van de te ondernemen stappen zoals beschreven in het antwoord van de regering: Continue reading “The regulatory competition continues: ook het Britse vennootschaps- en insolventierecht staat niet stil”

Een vraag van ‘kapitaal’ belang: moeten aandeelhoudersleningen achtergesteld worden?

Een post door gastblogger Simon Landuyt (UGent)

Misschien de meest fundamentele regel in het vennootschapsrecht is dat de aandeelhouder pas rechten op het vennootschapsvermogen kan doen gelden wanneer de vennootschapsschuldeisers zijn voldaan (het netto-recht van de aandeelhouder).[1] Deze regel heeft religieuze wortels,[2] maar wordt tegenwoordig al te vaak verklaard door te stellen dat aandeelhouders recht hebben op de winst en ze dus als quid pro quo ook als eerste het verlies van de vennootschap moeten dragen.

Vanuit een moreel oogpunt is dit een flauwe verklaring, maar economisch houdt ze zeker geen steek. Indien de aandeelhouder bv. wenst dat zijn inbreng bij een faillissement in een andere rang dan de laagste wordt terugbetaald kan dit perfect verrekend worden in de prijs. Schuld zal dan gewoon duurder worden voor de vennootschap (bv. door een hogere interest) waardoor de return van de aandeelhouder wat daalt. Immers, schuldeisers zullen gecompenseerd willen worden omdat ze niet langer kunnen genieten van een buffer tegen verliezen die de inbreng anders vormt.

Tenzij het vennootschapsrecht universeel fout zit moeten er dan ook andere redenen zijn waarom de aandeelhouder als laagste in rang komt.[3] Continue reading “Een vraag van ‘kapitaal’ belang: moeten aandeelhoudersleningen achtergesteld worden?”

Kan de zaakvoerder of bestuurder van een vennootschap persoonlijk failliet worden verklaard?

Rb. Kh. Antwerpen Afd. Turnhout: “zaakvoerder is geen ‘onderneming’ voor de doeleinden van Boek XX WER”

Sinds 1 mei 2018 staan de insolventieprocedures open voor elke ‘onderneming’ in de zin van art. XX.1 WER. Na 1 november verhuist die ondernemingsdefinitie naar art. I.1, 1° WER, zonder dat dit iets zal wijzigen aan het toepassingsgebied zoals dat sinds 1 mei geldt.

Als onderneming geldt o.m. elke natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent. Dit doet de vraag rijzen of ook bestuurders en zaakvoerders van vennootschappen, verenigingen of stichtingen als een ‘onderneming’ in de zin van het insolventierecht gelden.

De Rechtbank van Antwerpen, afdeling Turnhout, velde op 26 juni 2018 in dit verband een opmerkelijk vonnis (rolnummer: 0/18/00038). Continue reading “Kan de zaakvoerder of bestuurder van een vennootschap persoonlijk failliet worden verklaard?”

Wie krijgt wat van de opbrengst bij faillissementsaansprakelijkheid?

Nieuwe verdelingsregels in art. XX.225 en XX.227 WER

Een nieuwigheid in Boek XX is dat een bijzondere verdelingsregeling wordt ingevoerd voor de verdeling van het provenu van de aansprakelijkheidsvorderingen wegens kennelijk grove fout (art. XX.225 § 5 WER) en onredelijke voortzetting (art. XX.227 § 3 WER). De door de rechtbank toegekende vergoeding wegens vermindering of afwezigheid van activa wordt evenredig verdeeld onder de schuldeisers met inachtneming van de wettige redenen van voorrang. De door de rechtbank toegekende vergoeding wegens vermeerdering van het passief van het faillissement wordt evenredig verdeeld over alle schuldeisers zonder inachtneming van de wettige redenen van voorrang. Elke verdeling geschiedt na voorafname van de boedelschulden. Continue reading “Wie krijgt wat van de opbrengst bij faillissementsaansprakelijkheid?”

Studiedag “Nieuw Ondernemingsrecht” (KU Leuven en Balie Brussel)

Leuven, vrijdag 19 oktober 2018 en Brussel, maandag 5 november 2018

Studienamiddag met minister Koen Geens, Filiz Korkmazer, Joeri Vananroye, Wannes Vandenbussche, Marc Van de Looverbosch, Benoît Allemeersch, Stijn De Dier, Dirk Van Gerven, Sven Sobrie, Marieke Wyckaert, Wouter Devroe en Jules Stuyck

nieuwe ondernemingsrecht grootDe Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht treedt in werking op 1 november 2018. Deze Wet valt in de eerste plaats op door wat wordt afgeschaft: de handelaar, het Wetboek van Koophandel en de Rechtbank van Koophandel. Het ondernemingsbegrip dat in de plaats komt werkt niet met een limitatieve lijst van daden van koophandel, maar omvat elke zelfstandige, elke privaatrechtelijke rechtspersoon en elke vennootschap. Dit ondernemingsbegrip bepaalt sinds 1 mei 2018 reeds het toepassingsgebied van het faillissement en de gerechtelijke reorganisatie.

Hiermee wijzigt een belangrijk stuk juridische basiskennis voor elke jurist. Al was het maar omdat de kans groot is dat een jurist en/of de organisatie waar zij werkt zelf een ‘onderneming’ is.

Het Instituut voor Handels- en Insolventierecht (KU Leuven) en het Vormingsinstituut voor Advocaten (Balie Brussel) organiseren een studienamiddag waarin de praktische gevolgen van de wijzigingen aan het WER, het BW, het W.Venn. en het Ger.W worden uiteengezet. Die studienamiddag vindt zowel plaats in Leuven als in Brussel (wel met gecondenseerd programma). De referaten in op de studienamiddag worden gebundeld in een boek uitgegeven door Intersentia. Inschrijven kan o.a. via www.pvthemis.be.

De aandacht gaat uiteraard naar nova, zoals de regels inzake het optreden van organisaties zonder rechtspersoonlijkheid. Daarnaast worden enkele klassieke leerstukken opgefrist naar aanleiding van de uitbreiding van hun toepassingsgebied, zoals het ondernemingsbewijsrecht, de bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank of de bestuursaansprakelijkheid na faillissement.

Enkele vragen die zeker aan bod zullen komen:

  • Is elke bestuurder van een vennootschap of VZW nu zelf ook een onderneming?
  • Geldt het ‘vermoeden van hoofdelijkheid’ voortaan ook voor vrije beroepers?
  • Wat zijn de praktische gevolgen van de inschrijvingsplicht en de boekhoudplicht voor maatschappen?
  • Is de Ondernemingsrechtbank bevoegd voor geschillen over de overdracht van aandelen?
  • Wordt voortaan de advocaat die een ontvangen factuur niet protesteert vermoed deze te hebben aanvaard?
  • Hoe kan een feitelijke vereniging worden gedagvaard in het licht van het nieuwe art. 703 § 2 Ger.W.?
  • Valt ook een onderwijsinstelling onder de regels inzake markpraktijken?

Programma Leuven (vrijdag 19 oktober 2018) Continue reading “Studiedag “Nieuw Ondernemingsrecht” (KU Leuven en Balie Brussel)”

Publieke rapportering door benefit corporations: belang, naleving, aanbevelingen en lessen voor de (V)SO?

Een blogpost door gastblogger Maxime Verheyden

In het debat over de zin en de onzin van het behoud van de ‘vennootschap met een sociaal oogmerk’ (VSO) wordt steevast verwezen naar de – althans schijnbaar – populaire (public) benefit corporation statutes die ondertussen in 33 Amerikaanse staten het doopvont zagen (zie bv. recent hier). Hoewel de VSO en de benefit corporations zich in bepaalde mate tot een gelijkaardige doelgroep richten, verschillen ze op een aantal fundamentele vlakken (met wellicht als meest opvallend verschil de afwezigheid van een dividendbeperking bij de benefit corporation). Dit noopt tot enige voorzichtigheid bij een rechtsvergelijkende analyse. Toch biedt het Amerikaanse debat over de benefit corporation, dat overigens tot een veel uitgebreider geheel aan doctrine geleid heeft, een interessante inspiratiebron voor het Belgische debat. Dit is met name het geval voor de bepalingen inzake (publieke) rapportering door benefit corporations, die ik heb geanalyseerd in mijn LL.M.-thesis aan Harvard Law School, die recent in de Hastings Business Law Journal werd gepubliceerd. Continue reading “Publieke rapportering door benefit corporations: belang, naleving, aanbevelingen en lessen voor de (V)SO?”

De nieuwe ‘wrongful trading’-bepaling vergeleken met oprichtersaansprakelijkheid

Een post door gastblogger Tim Van Landeghem

De aansprakelijkheid voor ‘wrongful trading’ werd middels de wet van 11 augustus 2017 wettelijk verankerd in art. XX.227 WER.  Voormeld artikel heeft uitsluitend betrekking op de collectieve vorm van ‘wrongful trading’ en penaliseert met name bestuurders die een kennelijk reddeloos verloren onderneming op onrechtmatige wijze hebben voortgezet. Zo blijft de aansprakelijkheid van een bestuurder wegens individuele fouten bij het aangaan van contractuele verbintenissen nog steeds onderworpen aan art. 1382 BW.

Prikkels tot wrongful trading

Bestuurders kunnen om verschillende redenen geneigd zijn om bewust de activiteiten van een onderneming verder te zetten, ondanks het besef dat de onderneming in feite al reddeloos verloren is. Continue reading “De nieuwe ‘wrongful trading’-bepaling vergeleken met oprichtersaansprakelijkheid”

Cassatie: de werkende vennoot in een VOF of CommV is ook een onderneming

In een arrest van 22 juni 2018 (C.17.0587.F) stelt het Hof van Cassatie dat de vennoot in een VOF of de werkende vennoot in een CommV een ‘onderneming’ is:

“Aux termes de l’article 202 du Code des sociétés, la société en commandite simple est celle que contractent un ou plusieurs associés responsables et solidaires, que l’on nomme les commandités, et un ou plusieurs associés simples bailleurs de fonds, que l’on nomme les commanditaires.

En vertu de l’article 205 du même code, la société est en nom collectif à l’égard des associés indéfiniment responsables et en commandite simple à l’égard des bailleurs de fonds.

Les personnes qui font commerce en nom collectif sont présumées être des entreprises. Elles acquièrent cette qualité par leur participation à la société.

Tous les associés d’une société en nom collectif sont qualifiés d’entreprises.

Partant, les commandités d’une société en commandite simple doivent aussi être qualifiés d’entreprises.”

Uit de electronisch publicatie van het cassatie-arrest kan niet worden afgeleid over welk ondernemingsbegrip uit welke wetsbepaling het gaat. Daarvoor moet het verzoekschrift worden meegelezen, dat echter niet is mee gepubliceerd. Uit de arresten a quo (waarover we wel beschikken), kan worden afgeleid dat het gaat om een stakingsvordering inzake marktpraktijken. Het relevante ondernemingsbegrip is dus het huidige art. I.1, 1° WER : elke natuurlijke of rechtspersoon die duurzaam een economische activiteit uitoefent.

Het geschil werd ingesteld door autobusexploitanten tegen taxichauffeurs i.v.m. het ‘assertief’ afwerven van klanten voor het vervoer tussen Brussel-Zuid en de luchthaven van Charleroi.  Continue reading “Cassatie: de werkende vennoot in een VOF of CommV is ook een onderneming”

Vraagpunten op de grens van insolventierecht, goederenrecht en verbintenissenrecht

Studiedag ter ere van emeritaat van Prof. Dr. Eric Dirix

dirixOp vrijdag 26 oktober 2018 organiseert de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de KU Leuven ter ere van het emeritaat van Prof. Dr. Eric Dirix een studiedag over vraagpunten op de grens van insolventierecht, goederenrecht en verbintenissenrecht. Aansluitend is een academische zitting met het afscheidscollege van professor Dirix over “Het insolventierecht permanent in de steigers”.

De presentaties op de studiedag zullen aan de hand van casussen een aantal rechtsvragen stellen, en vervolgens ook beantwoorden. Hierdoor worden
de bijdragen zeer praktisch opgebouwd aan de hand van zeer specifieke vraagpunten. De studiedag komt met een verslagboek met opstellen aangeboden aan professor Dirix.

De volgende onderwerpen komen aan bod: Continue reading “Vraagpunten op de grens van insolventierecht, goederenrecht en verbintenissenrecht”

Themis-recyclage insolventie- en beslagrecht te Leuven, Brussel, Hasselt of Kortrijk

In oktober wordt op vier locaties op een namiddag of avond een overzicht gegeven van de recente ontwikkelingen in het nationaal en grensoverschrijdend insolventierecht, het beslagrecht en het pandrecht. De onderwerpen op elk van de locaties zijn de volgende: Continue reading “Themis-recyclage insolventie- en beslagrecht te Leuven, Brussel, Hasselt of Kortrijk”

De kinderen van de toerekening

Uiteenlopende toerekeningsregels in Sw., ontwerp-WVV en ontwerp-BW

Een vorige post stelde het mooie toerekeningscriterium  van art. 5 Sw. in het licht. Een rechtspersoon of  maatschap is strafrechtelijk verantwoordelijk voor “misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, naar blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd”. De toerekening gebeurt hier aan de organisatie op autonome wijze, zonder dat een omweg langs een natuurlijke persoon is vereist. Daarin verschilt het van afgeleide toerekeningscriteria zoals de kwalitatieve aansprakelijkheid van art. 1384 BW of de zgn. orgaantheorie.

Dit aspect van art. 5 Sw bleef ongewijzigd bij de recente aanpassing van dit artikel.

Elders hebben we geargumenteerd dat dit autonoom criterium ook verklaart hoe onrechtmatige daden die geen misdrijf zijn, aan organisaties worden toegerekend. In Nederland heet dit de “verkeersopvattingen”.

Dit autonoom criterium heeft alvast het voordeel dat het verklaart wat er gebeurt in de hoven en rechtbanken. De aansprakelijkheid van een rechtspersoon of andere organisatie wordt zelden afgeleid van de aansprakelijkheid van een natuurlijke persoon. Integendeel, vaak is de aansprakelijkheid van de organisatie een gegeven en wordt eerder de vraag gesteld of de fout ook aan een natuurlijke persoon kan worden toegerekend. Externe bestuursaansprakelijkheid, heet dat.

Jammer genoeg maakt art. 5 Sw. op vlak van toerekening in de ontwerpen van WVV en aansprakelijkheidsrecht in het BW minder school dan op vlak van het toepassingsgebied (zie voornoemde post).  Continue reading “De kinderen van de toerekening”

European Company Law Journal: ‘Parent Company Liability after Okpabi v Shell’

Earlier this year, the England and Wales Court of Appeal issued its much-anticipated ruling in Okpabi et al. versus Royal Dutch Shell et al. The judgment addresses important questions in relation to a parent company’s liability for damage caused by its subsidiaries.

A previous blog post ‘Parent Companies Are Not Parents, Subsidiaries Are Not Children’, argued that the Court of Appeal has given a strong signal that England will not lead the way in opening up new avenues to get into the ‘deep pockets’ of parent companies to address harms caused by their subsidiaries around the world.

Building on the blog post, a recent article in the European Company Law Journal presents a further analysis of the case and discusses the implications of the ruling for companies and regulators in the future.

Imperium delinquere potest

Artikel 5 Sw. gewijzigd

In het Staatsblad van 20 juli 2018 (eerste editie) verscheen de Wet van 11 juli 2018 tot wijziging van het Strafwetboek en de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering wat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen betreft (zie hier voor de parlementaire fiche). Na inwerkingtreding zal artikel 5 Sw. als volgt luiden:

“Een rechtspersoon is strafrechtelijk verantwoordelijk voor de misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, zoals blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd.

Met rechtspersonen worden gelijkgesteld:
1° tijdelijke handelsvennootschappen en stille handelsvennootschappen;
2° vennootschappen bedoeld in artikel 2, § 4, tweede lid, van het Wetboek van Vennootschappen, alsook handelsvennootschappen in oprichting;
3° burgerlijke vennootschappen die niet de vorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen.

De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersonen sluit die van de natuurlijke personen, die daders zijn van dezelfde feiten of eraan hebben deelgenomen, niet uit.”

Vergeleken met de huidige tekst houdt dit twee belangrijke wijzigingen in. Continue reading “Imperium delinquere potest”

Revised €1,3 billion settlement in the Fortis case approved by Dutch court

On 13 July 2018, the Court of Amsterdam approveda revised €1.308,5 million class action settlement between Ageas (Fortis’ legal successor) and four claimant organizations ((VEB, Deminor, SICAF and Stichting FortisEffect) concerning allegedly false or misleading statements by Fortis during the financial crisis in 2007 and 2008. In an earlier decision of 16 June 2017, the court had declined to approve the settlement (discussed on this blog here). According to the court, the main reasons for this where the unjustified differences in compensation awarded to “active claimants” (those who filed a legal procedure or registered with any of the claimant organizations) and “non-active claimants” (those who didn’t), as well as the exorbitant fees for the claimant organizations.

After the court’s first decision, the parties reached a new settlement agreementon 12 December 2017, which took into account the court’s criticism and included a €100 million increase in the settlement amount. This time, ConsumentenClaim, one of the most important opponents during the first trial, also supported the agreement. Although the court remained critical for one of the claimant organizations (VEB), the court now approved the settlement and declared it binding on all shareholders that do not opt out within five months. This way, more than ten years after the facts, the shareholders of Fortis will get compensation and Ageas can leave this legacy behind.

Continue reading “Revised €1,3 billion settlement in the Fortis case approved by Dutch court”