Disputatio – donderdag 1 juni 2023

Men meldde ons problemen met de inschrijflink voor de ‘disputatio’ die gisteren werd aankondigd. Die zouden moeten zijn opgelost. Inschrijven kan hier.

Het programma:

14:00: Verwelkoming: Joeri Vananroye (KU Leuven) 

14:10: De afdwingbaarheid van stemovereenkomsten met het oog op soortwijziging 

– Respondens: Nick Hallemeesch (ULB, White & Case)
– Opponens: Carl Clottens (KU Leuven, Eubelius)
– Praeses: Joeri Vananroye (KU Leuven)

15:10: De sanctionering bij schending van de belangenconflictenregeling

– Respondens: Tom Vos (UAntwerpen, Linklaters)
– Opponens: Stijn De Dier (UAntwerpen, Quinz)
– Praeses: Arie Van Hoe (VBO)

16:10: koffiepauze

16:30: Determinatio magistralis: panelgesprek over komende ontwikkelingen in het ondernemingsrecht (met o.m. Koen Geens en Ingrid D’Haeyer)

17:10: Uitleiding: Arie Van Hoe (VBO)

17:15 Receptie

Inschrijven kan hier.

Schrijf nu in voor de ‘disputatio’ op donderdag 1 juni: soortwijziging, stemovereenkomsten, nietigheid bestuursbesluit, schending belangenconflictenregeling, …

Kan een aandeelhouder zich op afdwingbare wijze in een stemovereenkomst verbinden om bij een toekomstige soortwijziging vóór te stemmen? (Zie meer hier).

Als een bestuurder met een belangenconflict deelneemt aan de stemming over de verrichting waarvoor hij geconflicteerd is, leidt dit ipso facto tot nietigheid van de betrokken beslissing? (Zie meer hier).

Twee vragen die de praktijk zeker bezighouden en waarover op donderdag 1 juni e.k. telkens twee disputanten in de intellectuele arena treden. Nick Hallemeesch verdedigt een verregaande afdwingbaarheid van stemovereenkomsten (voor soortwijziging, maar ook daarbuiten). Carl Clottens verdedigt dat een aandeelhouder niet op een blanco manier zijn wettelijke bescherming van dwingende recht kan opgeven. Tom Vos pleit voor een strenge handhaving van de belangenconflictenregeling: wat blijft er anders over van deze regels? Stijn De Dier verdedigt dat nietigheid enkel kan bij belangenschade: waarom een verregande sanctie als er geen schade is?

De format is bekend: elke disputant houdt een pleidooi, repliceert en gaat in op de vragen van het publiek, dat mee een stem krijgt.

De twee debatten worden gevolgd door een determinatio magistralis, een panelgesprek waarin wordt ingegaan op komende ontwikkelingen in het ondernemingsrecht, zoals: wat zijn de gevolgen van ESG voor aansprakelijheid van vennootschap, groep en bestuurder of de corporate sustainability due diligeence verplichtingen (enkel voor grote ondernemingen?). Met Professor Koen Geens (KU Leuven, volksvertegenwoordiger), Ingrid D’Haeyer (Head Legal Banking Products KBC) en Steffie De Backer (Senior Attorney, Freshfields Bruckhaus Deringer).

Inschrijven kan hier. Deelname kan fysiek te Leuven (auditorium Zeger Van Hee) of via livestreams. Erkenningsaanvraag voor 3 punten (advocaten, notarissen, bedrijfsjuristen); erkend door IGO. Het programma:

Continue reading “Schrijf nu in voor de ‘disputatio’ op donderdag 1 juni: soortwijziging, stemovereenkomsten, nietigheid bestuursbesluit, schending belangenconflictenregeling, …”

CSR-beleid en contractuele aansprakelijkheid

Veel ondernemingen hebben tegenwoordig een CSR-beleid. Middels een goed uitgewerkt CSR-beleid kunnen ondernemingen zich als verantwoordelijke actoren presenteren, en dit naar diverse interne en externe stakeholders toe. Aan een CSR-beleid zijn echter ook bepaalde risico’s verbonden. Een recente Nederlandse zaak, die heeft geleid tot de veroordeling van het modemerk G-Star Raw, is daar een voorbeeld van.

Tijdens de coronacrisis annuleerde het modemerk bestellingen bij een Vietnamese producent. Enerzijds betrof het contractueel overeengekomen bestellingen (van winterjassen), anderzijds bestellingen die redelijkerwijze verwacht mochten worden (op basis van voorafgaande jaren). Gelet op de grote economische afhankelijkheid, waren de gevolgen van deze beslissing desastreus voor de Vietnamese partner (“you are aware of the fact you have not prepared us for this decision in timely manner will force us to let people go.“). De partijen wisselen correspondentie uit maar een commerciële oplossing wordt niet bereikt. Een rechterlijke tussenkomst dringt zich op.

De rechtbank te Amsterdam oordeelt dat G-Star Raw haar contractuele verbintenissen heeft geschonden. Ten eerste werd de exclusiviteit van de productie van winterjassen geschonden (deze productie was bovendien afgeleid naar een andere producent, wat het “corona-argument” ondermijnde). Ten tweede (wat de niet vaste bestellingen betreft) oordeelt de rechtbank dat de gerechtvaardigde verwachtingen van de Vietnamese partner werden geschonden. Hierbij mocht mede vertrouwd worden op het CSR-beleid van G-Star Raw.

De rechten en verplichtingen van partijen ten opzichte van elkaar worden niet alleen bepaald door wat zij uitdrukkelijk zijn overeengekomen, maar ook door de redelijkheid en billijkheid die hun rechtsverhouding beheerst. Dat brengt met zich dat partijen hun gedrag mede laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij. Het uitgangspunt is dan wel dat G-Star geen enkele verplichting heeft om bestellingen te doen, maar als G-Star de productiecapaciteit van Vert jarenlang vrijwel volledig opvult komt het ongemeen hard aan als zij plotseling (augustus 2020) laat weten in het volgende jaar vrijwel niets meer te zullen bestellen – óók niet de Whisterjassen waar zij nu juist wel een commitment voor is aangegaan. Door zo te handelen heeft G-Star op geen enkele wijze rekening gehouden met de belangen van Vert. Daarbij komt dat G-Star tijdens de bespreking op 1 september 2020 (zie hierboven onder 3.16) heeft aangegeven dat zij, uit oogpunt van CSR-beleid, op zoek wilde gaan naar mogelijkheden om te voorkomen dat er plotseling ontslagen zouden vallen in de fabriek. Daarop is G-Star echter nooit terug gekomen. Dat valt haar te verwijten. G-Star wist dat een groot deel van de werknemers van Vert geheel of gedeeltelijk op basis van stukloon werkten en dat dit vereist dat er een constant aanbod van werk was, omdat de werknemers anders te weinig zouden verdienen en naar ander werk zouden gaan omzien.

De rechtbank te Amsterdan oordeelt dat partijen hun gedrag mede moeten laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij (de Belgische lezer denkt hierbij spontaan aan Dieux – Le respect dû aux anticipations légitimes d’autrui (1995)). Bij de invulling van deze gerechtvaardigde belangen kan rekening worden gehouden met het CSR-beleid van de contractanten.

Uit dit vonnis kan een algemene les worden getrokken. Ondernemingen die zich middels een CSR-beleid profileren als good corporate citizens – wat wordt aangemoedigd – creëren hierdoor gerechtvaardigde belangen naar de buitenwereld (contractanten en derden) toe. De contractuele microcosmos (Demogue) wordt verrijkt met het CSR-beleid. Dit maakt dat de publicatie van een CSR-beleid geen neutraal gegeven is, maar een oefening die op uiterst zorgvuldige manier moet gebeuren.

Cassatie over verschuiving van peildatum bij geschillenregeling (31 maart 2023)

In een recent arrest gaat het Hof van Cassatie dieper in op de verschuiving van de peildatum bij een toepassing van de vennootschapsrechtelijke geschillenregelingsprocedure. De peildatum is de referentiedatum waarop de uitgesloten of uittredende aandeelhouder niet langer het risico van een verarming van de vennootschap draagt. Anderzijds deelt de uitgesloten of uittredende aandeelhouder op dat moment ook niet langer in de baten van de vennootschap.

Eerder heb ik reeds verdedigd dat de peildatum op datum van de overdracht van de aandelen zou moeten vallen aangezien op dat moment in principe ook het economisch risico overgaat. De rechter kan uitzonderlijk de peildatum verschuiven om een correctie door te voeren op de waardering van de aandelen. Door de peildatum en de datum van overdracht los te koppelen, zullen bepaalde rechtsfeiten en rechtshandelingen niet of net wel geïncludeerd worden in de waardering van de aandelen. (O. Roodhooft, De peildatum bij de vennootschapsrechtelijke geschillenregeling tussen waarderingsuitgangspunt en prijscorrectie, TRV/RPS 2022, 201-203 en verwijzingen aldaar). Ook het WVV bevestigt dit logische principe in artikel 2:67 en 2:69.

Continue reading “Cassatie over verschuiving van peildatum bij geschillenregeling (31 maart 2023)”

De groepsvennootschap als ‘contractueel betrokken derde’: aandachtspunten bij het opstellen van contracten

Het belang van de vennootschapsgroep in de contractuele praktijk

Vaak zal het in een groep voorkomen dat één vennootschap uit de groep in eigen naam goederen of diensten koopt die economisch alle leden van die groep ten goede komen. Een wanprestatie door de leverancier zal dan niet enkel de contracterende vennootschap treffen maar ook met haar verbonden vennootschappen. Hierdoor bestaat het risico op en kortsluiting tussen contractuele claim en economische benadeling.

Zeer concreet: één vennootschap uit de groep koopt IT-diensten aan, maar als het misloopt lijden alle groepsvennootschappen schade. Kan die schade worden verhaald en door wie? Hierbij een voorproefje van een KMO Campus webinar op 5 mei 2023, over enkele thema’s eigen aan contracteren met vennootschappen.

Continue reading “De groepsvennootschap als ‘contractueel betrokken derde’: aandachtspunten bij het opstellen van contracten”

AG Hoge Raad in Heiploeg over het belang van een wettelijk kader voor pre-packs

De Nederlandse Hoge Raad had op 17 april 2020 in een tussenuitspraak een aantal prejudiciële vragen gesteld aan het Europees Hof van Justitie, dewelke het Europees Hof van Justitie op 28 april 2022 in het bekende arrest Heiploeg heeft beantwoord (zie onze eerder blogpost daarover). Vervolgens werd de procedure bij de Hoge Raad hervat. Op 31 maart 2023 heeft advocaat-generaal Drijber zich in een advies uitgesproken over de gevolgen van het arrest Heiploeg op de procedure voor de Hoge Raad. De AG oordeelt dat, hoewel de pre-pack in Heiploeg zou kunnen voldoen aan de inhoudelijke voorwaarden om onder de uitzondering op de bescherming van werknemers te vallen, de pre-pack vandaag hoe dan ook niet kan vallen onder die uitzondering omdat de Nederlandse pre-pack niet formeel in een wettelijke regeling is verankerd. De AG adviseert dus om het cassatieberoep van FNV in te willigen. De uitspraak van de Hoge Raad is (voorlopig) bepaald op 17 november 2023. De insolventiefreaks onder ons noteren dit in hun agenda.

Continue reading “AG Hoge Raad in Heiploeg over het belang van een wettelijk kader voor pre-packs”

Goederen van derden als verhaalsobject

Op 31 maart 2023 heeft Kasper Krzemiński (advocaat/partner bij NautaDutilh) het bijzonder hoogleraarschap executie- en beslagrecht met bijzondere aandacht voor de positie van de gerechtsdeurwaarder (Universiteit van Amsterdam) aanvaard met het uitspreken van zijn oratie “Een ander verhaal: goederen van derden als verhaalsobject“. Over katvangers, stromannen, geldezels en ander fraai gezelschap. De rede, die interessant is voor een geïnteresseerd Belgisch publiek, kan hier worden herbekeken.

In België kan in dit verband worden verwezen naar het cassatiearrest van 4 september 2020 (zie hierover, R. Lindemans, “De beslagrechter als volwaardige executierechter ten aanzien van geschillen m.b.t. op gesimuleerde of pauliaanse wijze overgedragen goederen”, TBH 2021, 751-757).

Een recente concrete toepassing van veinzing in het kader van een bewarend derdenbeslag is terug te vinden in Hof van Beroep Brussel 29 juni 2021, p. 21 e.v.

Functionaliteit als tweesnijdend zwaard in de gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord

Volgens het Hof van Cassatie moet de gedifferentieerde behandeling van schuldeisers functioneel zijn, d.w.z. afgestemd zijn op het behoud van de onderneming als economische entiteit, en niet disproportioneel zijn, wat door de rechter marginaal kan worden getoetst (Cass. 13 maart 2014, RW 2014-15, 226, m.n. A. Van Hoe; T.B.H., 2014, 696, m.n. R. Fransis). Dat een reorganisatieplan kan ingrijpen op de rechten van in de minderheid gestelde schuldeisers wordt finaal verantwoord door de met het reorganisatieplan nagestreefde doelstelling, m.n. de continuïteit van de onderneming. Andere motieven hebben geen plaats in dit kader, en begrenzen de bevoegdheid van de schuldenaar.

Maar wat met de schuldeisers? Is hun stemrecht gebonden aan vergelijkbare grenzen of kan dit stemrecht volledig naar eigen inzichten worden ingevuld? Een recent vonnis van de Ondernemingsrechtbank Henegouwen (afdeling Charleroi) is een primeur in dit verband (30 maart 2023, Q/21/00072).

Aan de orde was een reorganisatieplan dat voorzag in een volledige terugbetaling van de schuldeisers (m.u.v. interesten), over een periode van 5 jaar. Een eerder uitzonderlijk reorganisatieplan dus.

Een meerderheid van de schuldeisers stemde echter tegen het plan. Waarom? Omdat zij, zo stelt het vonnis, betere commerciële voorwaarden beoogden te bekomen in het kader van een onderliggende vastgoedrelatie met de schuldenaar. De negatieve stem over het reorganisatieplan werd gebruikt als hefboom in een commerciële discussie.

Continue reading “Functionaliteit als tweesnijdend zwaard in de gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord”

Cassatie over sterfhuisconstructies (28 maart 2023)

Voor een aandeelhouder en/of bestuurder van een op het faillissement afstevenende vennootschap kan het interessant zijn tijdig het schip te verlaten. Omdat ook een zinkend schip een kapitein behoeft, moet dan een al dan niet bereidwillige vervanger worden gezocht. Deze nieuwe kapitein stelt zich bewust of onbewust bloot aan burger-en strafrechtelijke risico’s waar een voorzichtig en redelijk persoon redelijkerwijze voor zou passen.

Het cassatiearrest van 28 maart 2023 kan in die context gesitueerd worden. Aangezien alleen het arrest werd gepubliceerd, is het niet mogelijk een volledig zicht te hebben op de onderliggende feiten, de motieven van het bestreden arrest en de cassatiemiddelen. Dit gezegd zijnde, bevat het arrest duidelijke taal, die best in het achterhoofd wordt gehouden wanneer de ijsberg opdoemt.

Uit het cassatiearrest kan worden afgeleid dat B aandelen heeft overgenomen van A en werd benoemd als bestuurder, terwijl A ontslag nam als bestuurder. Het bestreden arrest verklaarde A en B schuldig aan valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken omwille van waarheidsvermomming m.b.t. het ontslag van A en de benoeming van B en m.b.t. de overdrachten van de aandelen van deze vennootschappen.

B werd (bijkomend) schuldig bevonden aan een aantal misdrijven die, zo werd geargumenteerd, een reële bestuursfunctie veronderstellen. Kan dit of was het bestreden arrest op dat vlak behept met een inherente tegenstrijdigheid? De vragen en de antwoorden worden hierna één voor één overlopen.

Continue reading “Cassatie over sterfhuisconstructies (28 maart 2023)”

KB tot verlenging van artikelen 2, 4 tot 12 van de wet van 21 maart 2021 tot wijziging van boek XX WER en het WIB 1992

In afwachting van de nieuwe maatregelen (n.a.v. de omzetting van de Herstructureringsrichtlijn) werd vandaag het Koninklijk Besluit gepubliceerd tot verlenging van artikelen 2, 4 tot 12 van de wet van 21 maart 2021 tot wijziging van boek XX WER en het WIB 1992, dit om lacunes te voorkomen. De maatregelen worden verlengd tot 30 september 2023, wat meteen de laatste verlenging zou moeten zijn.

Inkoop van eigen aandelen: een onverwachte (en onbedoelde?) dubbele uitkeringstest in de NV?

Tal van ondernemingen worden in een vroege fase van hun bestaan gekenmerkt door jaren van operationele verliezen die worden veroorzaakt door allerlei kosten: onderzoek en ontwikkeling, geografische uitbreiding, uitbouwing, opschaling van productiecapaciteit, en ga zo maar door. Om die (vaak langer dan initieel vooropgestelde) opstart- en doorgroeifase te bekostigen, kan een onderneming extern kapitaal ophalen, veelal bij professionele investeerders of zelfs op de beurs. Zulke ondernemingen zetten in op langetermijngroei: winsten worden pas later gerealiseerd na commercialisatie van producten in de pijplijn, of wanneer de productie voldoende is opgeschaald.

Externe fondsen kunnen op verschillende manieren worden aangetrokken, zoals via een instap in het kapitaal. In een naamloze vennootschap wordt zulke externe inbreng nog steeds geregeld (deels) geboekt als uitgiftepremie.

Een onderneming kan tal van redenen hebben om eigen aandelen te verwerven. Zo kan het nuttig zijn dat een onderneming een aandeelhouder zelf kan uitkopen, of een personeelsparticipatieplan kan opzetten. Voor beursgenoteerde bedrijven kan het opportuun zijn om de beurskoers te ondersteunen of om aandelen in te kopen om als currency te gebruiken in M&A transacties.

We nemen de – zeer realistische – hypothese van een jonge, groeiende onderneming die verlieslatend is, maar die een stevige financiële buffer heeft omwille van externe inbrengen, welke voor een klein deel geboekt zijn als kapitaal, maar grotendeels als beschikbare uitgiftepremie. Dankzij deze financiële buffer beschikt de onderneming over voldoende uitkeerbare ruimte voor een inkoop van eigen aandelen. De uiterkingstest vervat in artt. 7:212 juncto. 7:215 is dus geslaagd.

We gaan er eenvoudigheidshalve van uit dat de inkoop van aandelen door onze hypothetische onderneming ook voor het overige voldoet aan de overige voorwaarden van art. 7:215 e.v. WVV.

Zolang de ingekochte aandelen zijn opgenomen in de activa van de balans van de onderneming, moet de onderneming een onbeschikbare reserve aanleggen, gelijk aan de waarde waarvoor de aandelen die zij zelf verkreeg in haar inventaris zijn ingeschreven (art. 7:217, §2 WVV).

Op het eerste zicht lijkt dat geen probleem te vormen. De onbeschikbare reserve voor eigen aandelen vormt de tegenhanger van de beschikbare uitkeerbare ruimte, en onze hypothetische onderneming beschikt over voldoende uitkeerbare ruimte dankzij haar beschikbare uitgiftepremies. Het WVV of het uitvoeringsbesluit sluiten overigens niet uit dat de uitgiftepremies zouden worden aangewend om een onbeschikbare reserve aan te leggen.

Wat deze werkwijze wel uitsluit, is een advies van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen (CBN). In haar advies 2021/01 stelt de CBN immers dat de uitgiftepremie neerkomt op een externe inbreng van de aandeelhouders en dat ze zich daarin onderscheidt van reserves die voortvloeien uit winsten. Volgens de CBN volgt daaruit dat een uitgiftepremie niet kan worden overgeboekt naar een onbeschikbare reserverekening.

Continue reading “Inkoop van eigen aandelen: een onverwachte (en onbedoelde?) dubbele uitkeringstest in de NV?”

The Proposal for a Corporate Sustainability Due Diligence Directive – bijzonder (gratis) nummer Ondernemingsrecht

Het voorstel voor een richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2019/1937 bevindt zich op de Europese onderhandelingstafel(s) en maakt het voorwerp uit van hevige politieke debatten.

Voor ondernemingen (en bestuurders) is dit voorstel geen business as usual. De geïnteresseerde lezer wordt verwezen naar het gratis themanummer van het Nederlandse tijdschrift Ondernemingsrecht, gewijd aan de diverse onderdelen van het voorstel.

Wetsontwerp betreffende het Centraal register van bestuursverboden

Opdat bestuursverboden effectief kunnen zijn, is publiciteit vereist. Een oud zeer in België is dat deze publiciteit eerder archaïsch georganiseerd is. Onder impuls van de Europese wetgever zal hier binnenkort verandering in komen (wat aansluit op de nakende hervorming van het insolventierecht). Recent werd het wetsontwerp betreffende het Centraal register van bestuursverboden gepubliceerd.

Continue reading “Wetsontwerp betreffende het Centraal register van bestuursverboden”

Voorstellen tot verdere digitalisering van het vennootschapsrecht

De Europese Commissie lanceert sneller wetgevende voorstellen dan Lucky Luke met scherp kan schieten. Vandaag werd een voorstel gelanceerd dat moet leiden tot “more transparency and less red tape for companies to improve business environment in the EU“.

De voorgestelde maatregelen worden als volgt samengevat:

  • Application of the “once-only principle” so that companies do not need to re-submit information when setting up a branch or a company in another Member State. The relevant information can be exchanged through the Business Registers Interconnection System (BRIS);
  • An EU Company Certificate, containing a basic set of information about companies, which will be available free of charge in all EU languages;
  • A multilingual standard model for a digital EU power of attorney which will authorise a person to represent the company in another Member State;
  • Removing formalities such as the need for an apostille or certified translations for company documents.

In dit verband kan nog nuttig worden verwezen naar volgende verslagen:

Soortsplitsing: één jaar later

Symmetrische en asymmetrische soortsplitsing

Trouwe lezers van deze blog kennen het soortsplitsingsdebat: welke meerderheidsvereiste is van toepassing op de creatie van een nieuwe soort van aandelen in een BV of NV, wanneer dat gebeurt door aan sommige bestaande aandelen andere rechten toe te kennen dan voorheen, waardoor de bestaande aandelen in feite worden “gesplitst” in verschillende soorten. Met betrekking tot deze vraag kruisten Hans De Wulf en Marieke Wyckaert op 1 juni 2022 de degens op de Disputatio georganiseerd ter gelegenheid van het lustrum van deze blog. De problematiek was ook al eerder aangekaart in de rechtsleer,[1] en gaf ook nadien nog aanleiding tot blogposts van Jeroen Delvoie en van de disputanten zelf.[2]

Wie vandaag, nadat de geesten een jaartje hebben kunnen rijpen, de slides van de Disputatio en de inleidende tekst van moderator Tom Vos herleest, moet vaststellen dat de disputanten feitelijk in de val waren gelokt door hen te verzoeken om een erg verraderlijke stelling te bekampen. Die luidde: “een splitsing van een soort aandelen vereist altijd unanimiteit”. Wyckaert pleitte pro; De Wulf contra.

In een noot die recent verscheen in TBH,[3] verdedigde ik dat niet elke soortsplitsing unanimiteit vereist, maar sommige (allicht de meest voorkomende) wel. Er moet met name een onderscheid worden gemaakt naargelang de soortsplitsing louter de creatie van een nieuwe soort tot gevolg heeft, maar daarbij de geldende verhoudingen tussen de aandeelhouders ongemoeid laat, dan wel daarenboven die proportionaliteit wijzigt.

Continue reading “Soortsplitsing: één jaar later”