De finale tekst van de Wet Hervorming Ondernemingsrecht – nog een wetsontwerp tot aan de ondertekening door de Koning – is beschikbaar op de website van de Kamer. Besprekingen van deze wet las u hier en hier.
Category: *In Dutch
‘Het voorgestelde Belgische kwantitatieve aansprakelijkheids-maximum verdient geen navolging in Nederland’
P. Broere en O. Oost: “De mythe van bestuurdersaansprakelijkheid”, Ars Aequi 2018
In het redactioneel van het april-nummer van het Nederlandse tijdschrift Ars Aequi schrijven Pjotr Broere (Radboud Nijmegen) en Olivier Oost (Erasmus Rotterdam) over de in België voorgenomen ‘cap’ op bestuursaansprakelijkheid.
Ze zijn kritisch over de gevolgen (“Nu bestuurdersaansprakelijkheid vaak pas aan de orde is als de vennootschap geen verhaal biedt, betekent dit dat de gelaedeerde voor de schade opdraait“) en de motivering van de voorgenomen regel (“Het wetsvoorstel lijkt ervan uit te gaan dat het aansprakelijkheidsrisico van bestuurders lastig te verzekeren is. Daarvoor bestaat echter geen empirische onderbouwing“). Zij besluiten :
“Een kwantitatieve aansprakelijkheidsbeperking in combinatie met een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering zou er, tot slot, naar Belgisch recht toe leiden dat een bestuurder behoudens bedrieglijk opzet in het geheel niet persoonlijk geraakt wordt door een bestuurdersaansprakelijkheidsvordering, hoe terecht die vordering ook moge zijn. Dit lijkt ons wenselijk noch afschrikwekkend. Vergoedend is het evenmin, als het schadebedrag althans het maximumbedrag te boven gaat. Het voorgestelde Belgische kwantitatieve aansprakelijkheidsmaximum verdient geen navolging in Nederland. Onzes inziens volstaatde hoge kwalitatieve drempel die voor bestuurdersaansprakelijkheid geldt. Aansprakelijkheid van bestuurders – het moet geen mythe worden.”
APR-prijs voor beste juridische meesterproef aan KU Leuven naar Bram Van Baelen over beslag op aandelen
“Het uitvoerend beslag op aandelen in een BVBA”, Master KU Leuven
De APR-prijs 2016-2017 (Algemene Praktische Rechtsverzameling) voor beste meesterproef aan de KU Leuven is toegekend aan Bram Van Baelen voor zijn thesis “Het uitvoerend beslag op aandelen in een BVBA”. Promotor van de meesterproef was Prof. Dr. Joeri Vananroye.
De meesterproef gaat over de verschillende hindernissen die de persoonlijke schuldeisers van aandeelhouders kunnen ondervinden wanneer zij uitvoerend beslag willen leggen op aandelen in een BVBA. In eerdere blogposts hier over het belang van beslag op aandelen in “organizational law” en over het beslag op aandelen naar Belgisch recht kon u reeds de probleemstelling lezen.
Over de auteur
Bram Van Baelen behaalde met grote onderscheiding zijn Master in de Rechten aan de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de KU Leuven (bachelor 2013-2015; master 2015-2017, major: Economisch recht/ minor: Publiekrecht) en werkt sindsdien als assistent aan het Jan Ronse Instituut voor Vennootschaps- en Financieel Recht waar hij een proefschrift voorbereidt. Tijdens het schrijven van de meesterproef was hij voorzitter van LOKO, de Leuvense Overkoepelende Kringenorganisatie.
Over de meesterproef
Corporate/Bankruptcy governance: van parlementaire democratie tot dictatoriale autocratie
Economics trumps politics
Er wordt regelmatig gepleit voor meer aandeelhoudersinspraak (“shareholder democracy”) bij het bestuur van vennootschappen. Sommige auteurs baseren zich daarvoor op een interne rechtsvergelijking tussen de vennootschap en een parlementaire democratische staat. Anderen menen dat die vergelijking niet opgaat en dat de aangetroffen verschillen gerechtvaardigd kunnen worden. In een recente bijdrage, gepubliceerd in het Rechtskundig Weekblad, sluiten we ons aan bij die tweede strekking en verrijken we de bestaande doctrine door de vergelijking uit te breiden naar vennootschappen in financiële moeilijkheden, m.i.v. insolventieprocedures.
Voor de interne rechtsvergelijking tussen het bestuursmodel van een (middelgrote naamloze) vennootschap (al dan niet in financiële moeilijkheden) en een parlementaire democratische staat gebruiken we een viertal testcases die doorheen de bijdrage telkens terug komen: (i) de identiteit van de stemgerechtigden, (ii) het aantal stemmen per stemgerechtigde, (iii) de uiteindelijke beslissingsmacht en (iv) de bevoegdheid tot benoeming en ontslag van het bestuur. Uit die interne rechtsvergelijking leiden we af dat de parlementaire democratie als bestuursvorm geenszins consequent wordt toegepast tijdens de verschillende levensfases van de (middelgrote naamloze) vennootschap.
Het zogenaamd parlementair democratisch besluitvormingsproces van financieel gezonde vennootschappen lijkt in werkelijkheid meer op een aristocratisch besluitvormingsproces, waarbij de “rijke en wijze” aandeelhouders het voor het zeggen hebben. M.b.t. de testcase “het aantal stemmen per stemgerechtigde” merken we bij financieel gezonde vennootschappen bijvoorbeeld het volgende op: Continue reading “Corporate/Bankruptcy governance: van parlementaire democratie tot dictatoriale autocratie”
RPS-TRV Prijs naar Michiel D’herde voor masterproef over de toekomst van de vennootschap met sociaal oogmerk
“Apologie voor een miskende vennootschapsvorm” (master vennootschapsrecht, KU Leuven)
De TRV-RPS Prijs 2017 voor de beste meesterproef in het vennootschapsrecht aan een Belgische universiteit is toegekend aan meester Michiel D’herde voor zijn thesis “Apologie voor een miskende vennootschap”. Deze masterproef werd gemaakt in het kader van de aanvullende master vennootschapsrecht van de KU Leuven (campus Brussel). Promotor van de masterproef was Prof. Dr. Marleen Denef.
Zijn masterproef verdedigt de Belgische vennootschap met sociaal oogmerk (“VSO”) en benadert deze vanuit een rechtsvergelijkend perspectief, gecombineerd met een case study van drie ondernemingen. De volledige tekst van de masterproef is hier te lezen. Een geactualiseerde, herwerkte versie zal worden gepubliceerd in het TRV-RPS. U las eerder hier een blogpost van de bekroonde auteur over de VSO.
Over de gelauwerde auteur
Michiel D’herde heeft gestudeerd aan de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de KU Leuven (Bachelor 2011-2014; Master 2014-2016), waar hij afstudeerde magna cum laude (major: economisch recht; minor: sociaal recht). In 2017 behaalde hij een Master-na-Master in het Vennootschapsrecht aan de KU Leuven (magna cum laude). Sindsdien werkt hij als advocaat bij Quinz, binnen het departement Corporate, M&A en Life Sciences.
Over de masterproef
Hoe ver moet het monopolie van de curator reiken?
Nieuwe regeling van art. XX.225 wordt best uitgebreid
In het nieuwe insolventierecht wordt het vorderingsrecht voor collectieve schade verschillend geregeld bij enerzijds de aansprakelijkheid kennelijk grove fout (art. XX.225) en anderzijds alle andere aansprakelijkheidsgronden, zoals wrongful trading (art. XX.227), de actio mandati of de aansprakelijkheid voor niet-naleving van de alarmbelprocedure. Bij kennelijk grove fout hebben individuele schuldeisers een afgeleid vorderingsrecht, waardoor ze bij stilzitten van de curator deze vordering ten hoeve van de boedel kunnen benaarstigen. Bij de andere aansprakelijkheidsgronden hebben schuldeisers dit recht niet; ze hebben enkel een vorderingsrecht voor eigen rekening bij persoonlijke schade.
Is dit verschil in behandeling verantwoord? Continue reading “Hoe ver moet het monopolie van de curator reiken?”
Verzacht nieuw Brits insolventierecht de Brexit-pijn?
Bestuurdersaansprakelijkheid en pauliana geen afknapper voor ondernemingen, maar net een troef
De Britse regering is gestart met een consultatieronde over corporate governance bij insolvente vennootschappen. Het doel: het insolventierecht opfrissen en waar nodig verstrengen. Daartoe wil de Britse regering onder meer de volgende voorstellen aftoetsen bij het ruimere publiek: Continue reading “Verzacht nieuw Brits insolventierecht de Brexit-pijn?”
Verminderen van actief is niet hetzelfde als vermeerderen van passief. Schade bij het kennelijk onredelijk verderzetten van een verlieslatende activiteit
Een post door gastblogger Vincent Verlaeckt
Het nieuwe artikel XX.227 WER zal vanaf 1 mei 2018 de grondslag wezen voor de aansprakelijkheidsvordering wegens het kennelijk onredelijk verderzetten van een verlieslatende activiteit (zie eerdere posts over wrongful trading). Niet de aansprakelijkheid op zich, doch wel de wettelijk verankerde verdeling van de opbrengst volgend uit dergelijke aansprakelijkheidsvordering, is (ver)nieuw(end). Continue reading “Verminderen van actief is niet hetzelfde als vermeerderen van passief. Schade bij het kennelijk onredelijk verderzetten van een verlieslatende activiteit”
Hoe uitsluitend is de “uitsluitende bevoegdheid van de curator” in art. XX.227 §2 WER ?
Geen inperking van individuele vorderingen voor persoonlijk nadeel bij ‘wrongful trading’
Met art. XX.227 krijgt wrongful trading voor het eerst in het Belgisch recht een specifieke wetsbepaling (zie eerdere posts). De memorie van toelichting van de invoeringswet van Boek XX zegt over art. XX.227 WER: “Deze bepaling herneemt en bevestigt de geldende rechtspraak inzake de aansprakelijkheid van bestuurders en feitelijke bestuurders die een reddeloos verloren onderneming verder voeren.”
Art. XX.227 bevestigt onder meer dat de aangroei van het passief wegens een onrechtmatige verderzetting collectieve schade kan veroorzaken. Deze boedelschade is niet beperkt tot die gevallen waarin de gefailleerde vennootschap zelf zou kunnen vorderen. Hierin kan een codificatie van de Unac-rechtspraak van het Hof van Cassatie worden gezien. Continue reading “Hoe uitsluitend is de “uitsluitende bevoegdheid van de curator” in art. XX.227 §2 WER ?”
‘Blauwe reeks’ Vennootschaps- en Financieel recht beschikbaar op Jurisquare
De (bijna) volledige zgn. “blauwe reeks” van het Jan Ronse Instituut (KU Leuven) is sinds kort te consulteren op de digitale bibliotheek jurisquare.
De reeks omvat 27 proefschriften, verslagboeken en monografieën in het vennootschaps- en financieel recht. De reeks wordt uitgegeven bij Roularta (voorheen Biblo).
Recht is belangenafweging: Cassatie over de verhouding tussen boedelschuldeisers en zekerheidsschuldeisers
Recht is belangenafweging. Deze (evidente) waarheid is terug te vinden in zelfs de meest technische bepaling. Een mooi voorbeeld hiervan wordt geboden door de regeling voorzien in art. 37 WCO (binnenkort: art. XX.58 WER). Dit artikel bepaalt ten eerste het statuut van schuldvorderingen die beantwoorden aan prestaties uitgevoerd tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie in een navolgende vereffening of faillissement en ten tweede de verhouding tussen deze schuldvorderingen en de rechten van zekergestelde schuldeisers. Een recent cassatiearrest van 22 februari 2018 (C.17/0503.N/1) luidt een ommekeer in wat deze verhouding betreft. Continue reading “Recht is belangenafweging: Cassatie over de verhouding tussen boedelschuldeisers en zekerheidsschuldeisers”
Wetsontwerp Hervorming Ondernemingsrecht: update
Vandaag begint de Kamercommissie Handelsrecht de bespreking in tweede lezing van het Wetontwerp Hervorming Ondernemingsrecht. Het Verslag van de eerste lezing door rapporteurs de Lamotte en Van der Donckt kan u hier vinden. Een bespreking van het wetsontwerp las u eerder hier.
AANVULLING 13/3/2018 – 13u: tekst werd goedgekeurd door de kamercommissie en gaat naar plenaire vergadering
Waarom staat oprichtersaansprakelijkheid niet in Boek XX WER?
Omdat ‘wrongful trading’ (art. XX.227) beter is.
Met art. XX.227 WER is er voor het eerst een expliciete wetsbepaling rond ‘wrongful trading’. De invoering van deze aansprakelijkheidsgrond in het WER hangt samen met de verhuis van de bijzondere faillissementsaansprakelijkheid van het vennootschapsrecht naar het insolventierecht. De Wet van 11 augustus 2017 heft art. 265, 409 en 530 W.Venn op en vervangt het door art. XX.225-226 WER (dat geen identieke kopie is van de voorgangers in het W.Venn.).
Dat deze aansprakelijkheden onderdak kregen in het insolventierecht is ingegeven door IPR-overwegingen. De insolventiewetgever reageert hiermee op de vrije keuze van het toepasselijk vennootschapsrecht dat de Europese rechtspraak promoot en anticipeert op de aangekondigde invoering daarvan in een nieuwe Belgisch wetboek van vennootschappen en verenigingen. Vrije keuze in het vennootschapsrecht kan gepaard gaan met adequate schuldeisersbescherming, mits die bescherming zit in een regel met een objectieve aanknopingsfactor, zoals het insolventierecht.[1] Het toepasselijke insolventierecht is dat van de plaats waar de insolvente schuldenaar het centrum van zijn voornaamste belangen (centre of main interests, COMI) heeft.[2] Dit is een aanknopingspunt dat niet louter afhangt van de wilsautonomie van de schuldenaar.Door dat deze bestuursaansprakelijkheden nu in het insolventierecht zitten, volstaat een loutere keuze voor buitenlands vennootschapsrecht niet om er automatisch aan te ontsnappen.[3] Ook in het Verenigd Koninkrijk bevinden regels inzake faillissementsaansprakelijkheid zich traditioneel in het insolventierecht. Duitsland heeft regels rond bestuursaansprakelijkheid, waaronder de Insolvenzverschleppungshaftung voor voortzetting van een reddeloze onderneming, verscheept naar het insolventierecht.[4] Het arrest-Kornhaas leert dat dit verzoenbaar is met de Europese regels inzake vrijheid van vestiging.[5]
Het kan dan misschien verrassen dat oprichtersaansprakelijkheid niet mee is verhuisd van het W.Venn. naar Boek XX. Immers, ook oprichtersaansprakelijkheid heeft tot doel vennootschapsschuldeisers te beschermen. Waarom wordt ook oprichtersaansprakelijkheid dan niet door een verhuis naar het insolventierecht vastgeknoopt aan de ‘COMI’ als objectieve aanknopingsfactor?
Deze vraag is relevant omdat zoals bekend het aangekondigde nieuwe vennootschapsrecht zwaar zal inzetten op de oprichtingsaansprakelijkheid wegens een kennelijk ontoereikend aanvangsvermogen. Continue reading “Waarom staat oprichtersaansprakelijkheid niet in Boek XX WER?”
Aansprakelijkheid voor ‘wrongful trading’ en ‘kennelijk grove fout’ in het WER: een ruimer toepassingsgebied én ruimere vrijstellingen
Schuilt het geluk in een kleine onderneming?
De Wet van 11 augustus 2017 houdende invoeging van het Boek XX WER codificeert met art. XX.227 WER de boedelvordering wegens het kennelijk onredelijk verderzetten van een verlieslatende activiteit. De standaard van aansprakelijkheid in deze bepaling is duidelijke geïnspireerd op de wrongful trading-bepaling van Section 214 van de Insolvency Act in het Verenigd Koninkrijk (overigens zonder er een kopie van te zijn).
Toch is deze aansprakelijkheid in geen geval een novum in de Belgisch rechtsorde. Wellicht kent België wrongful trading al langer dan het VK. Het “Overzicht van rechtspraak” van professor Ronse & C° uit 1978 spreekt reeds van “de mogelijkheid om de beheerders persoonlijk aansprakelijk te stellen uit onrechtmatige daad, wanneer zij in naam en voor rekening van hun vennootschap verbintenissen hebben aangegaan, terwijl zij wisten of behoorden te weten dat de vennootschap nooit in staat zou zijn die te kunnen nakomen” (TPR 1978, 823, nr. 202). Ze verwijzen daarbij naar het vonnis in het Unac-faillissement dat later aanleiding zou geven tot wellicht hét Belgische cassatie-arrest inzake collectieve schade.
De invoering van een wrongful trading-aansprakelijkheidsgrond à la belge in het WER hangt samen met de verhuis van de bijzondere faillissementsaansprakelijkheid van het vennootschapsrecht naar het insolventierecht. De Wet van 11 augustus 2017 heft art. 265, 409 en 530 W.Venn op en vervangt deze bepalingen door art. XX.225-226 WER (dat opnieuw zeker geen identieke kopie is van de voorgangers in het W.Venn.).
Nog te weinig werd opgemerkt dat met de verhuis ook het toepassingsgebied ratione societatis ingrijpend werd gewijzigd. Continue reading “Aansprakelijkheid voor ‘wrongful trading’ en ‘kennelijk grove fout’ in het WER: een ruimer toepassingsgebied én ruimere vrijstellingen”
Het Hof van Cassatie over ‘doorbraak’ van beperkte aansprakelijkheid naar ‘le véritable maître de l’affaire’
Cass. 2 februari 2018 over aansprakelijkheid in de Comm.V
Op 2 februari 2018 velde het Hof van Cassatie een merkwaardig arrest (“New Super Marché de la Remorque”) over aandeelhoudersaansprakelijkheid.
Het arrest verwerpt het cassatie-beroep tegen een beroepsarrest dat twee categorieën personen aansprakelijk stelt die normaal niet onbeperkt aansprakelijk zijn in de Comm.V.: de zaakvoerder die geen werkende vennoot is en de vennoten van de stille vennoot (waarbij die stille vennoot zelf een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is).
De feiten die aan het geschil ten grondslag liggen zijn zeer specifiek en het cassatie-arrest schuwt algemene uitspraken te doen. Toch rijst de vraag wat de consequenties zijn van dit arrest voor andere Comm.V’s en zelfs andere vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid. Continue reading “Het Hof van Cassatie over ‘doorbraak’ van beperkte aansprakelijkheid naar ‘le véritable maître de l’affaire’”