Publieke rapportering door benefit corporations: belang, naleving, aanbevelingen en lessen voor de (V)SO?

Een blogpost door gastblogger Maxime Verheyden

In het debat over de zin en de onzin van het behoud van de ‘vennootschap met een sociaal oogmerk’ (VSO) wordt steevast verwezen naar de – althans schijnbaar – populaire (public) benefit corporation statutes die ondertussen in 33 Amerikaanse staten het doopvont zagen (zie bv. recent hier). Hoewel de VSO en de benefit corporations zich in bepaalde mate tot een gelijkaardige doelgroep richten, verschillen ze op een aantal fundamentele vlakken (met wellicht als meest opvallend verschil de afwezigheid van een dividendbeperking bij de benefit corporation). Dit noopt tot enige voorzichtigheid bij een rechtsvergelijkende analyse. Toch biedt het Amerikaanse debat over de benefit corporation, dat overigens tot een veel uitgebreider geheel aan doctrine geleid heeft, een interessante inspiratiebron voor het Belgische debat. Dit is met name het geval voor de bepalingen inzake (publieke) rapportering door benefit corporations, die ik heb geanalyseerd in mijn LL.M.-thesis aan Harvard Law School, die recent in de Hastings Business Law Journal werd gepubliceerd. Continue reading “Publieke rapportering door benefit corporations: belang, naleving, aanbevelingen en lessen voor de (V)SO?”

De nieuwe ‘wrongful trading’-bepaling vergeleken met oprichtersaansprakelijkheid

Een post door gastblogger Tim Van Landeghem

De aansprakelijkheid voor ‘wrongful trading’ werd middels de wet van 11 augustus 2017 wettelijk verankerd in art. XX.227 WER.  Voormeld artikel heeft uitsluitend betrekking op de collectieve vorm van ‘wrongful trading’ en penaliseert met name bestuurders die een kennelijk reddeloos verloren onderneming op onrechtmatige wijze hebben voortgezet. Zo blijft de aansprakelijkheid van een bestuurder wegens individuele fouten bij het aangaan van contractuele verbintenissen nog steeds onderworpen aan art. 1382 BW.

Prikkels tot wrongful trading

Bestuurders kunnen om verschillende redenen geneigd zijn om bewust de activiteiten van een onderneming verder te zetten, ondanks het besef dat de onderneming in feite al reddeloos verloren is. Continue reading “De nieuwe ‘wrongful trading’-bepaling vergeleken met oprichtersaansprakelijkheid”

Cassatie: de werkende vennoot in een VOF of CommV is ook een onderneming

In een arrest van 22 juni 2018 (C.17.0587.F) stelt het Hof van Cassatie dat de vennoot in een VOF of de werkende vennoot in een CommV een ‘onderneming’ is:

“Aux termes de l’article 202 du Code des sociétés, la société en commandite simple est celle que contractent un ou plusieurs associés responsables et solidaires, que l’on nomme les commandités, et un ou plusieurs associés simples bailleurs de fonds, que l’on nomme les commanditaires.

En vertu de l’article 205 du même code, la société est en nom collectif à l’égard des associés indéfiniment responsables et en commandite simple à l’égard des bailleurs de fonds.

Les personnes qui font commerce en nom collectif sont présumées être des entreprises. Elles acquièrent cette qualité par leur participation à la société.

Tous les associés d’une société en nom collectif sont qualifiés d’entreprises.

Partant, les commandités d’une société en commandite simple doivent aussi être qualifiés d’entreprises.”

Uit de electronisch publicatie van het cassatie-arrest kan niet worden afgeleid over welk ondernemingsbegrip uit welke wetsbepaling het gaat. Daarvoor moet het verzoekschrift worden meegelezen, dat echter niet is mee gepubliceerd. Uit de arresten a quo (waarover we wel beschikken), kan worden afgeleid dat het gaat om een stakingsvordering inzake marktpraktijken. Het relevante ondernemingsbegrip is dus het huidige art. I.1, 1° WER : elke natuurlijke of rechtspersoon die duurzaam een economische activiteit uitoefent.

Het geschil werd ingesteld door autobusexploitanten tegen taxichauffeurs i.v.m. het ‘assertief’ afwerven van klanten voor het vervoer tussen Brussel-Zuid en de luchthaven van Charleroi.  Continue reading “Cassatie: de werkende vennoot in een VOF of CommV is ook een onderneming”

Vraagpunten op de grens van insolventierecht, goederenrecht en verbintenissenrecht

Studiedag ter ere van emeritaat van Prof. Dr. Eric Dirix

dirixOp vrijdag 26 oktober 2018 organiseert de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de KU Leuven ter ere van het emeritaat van Prof. Dr. Eric Dirix een studiedag over vraagpunten op de grens van insolventierecht, goederenrecht en verbintenissenrecht. Aansluitend is een academische zitting met het afscheidscollege van professor Dirix over “Het insolventierecht permanent in de steigers”.

De presentaties op de studiedag zullen aan de hand van casussen een aantal rechtsvragen stellen, en vervolgens ook beantwoorden. Hierdoor worden
de bijdragen zeer praktisch opgebouwd aan de hand van zeer specifieke vraagpunten. De studiedag komt met een verslagboek met opstellen aangeboden aan professor Dirix.

De volgende onderwerpen komen aan bod: Continue reading “Vraagpunten op de grens van insolventierecht, goederenrecht en verbintenissenrecht”

Themis-recyclage insolventie- en beslagrecht te Leuven, Brussel, Hasselt of Kortrijk

In oktober wordt op vier locaties op een namiddag of avond een overzicht gegeven van de recente ontwikkelingen in het nationaal en grensoverschrijdend insolventierecht, het beslagrecht en het pandrecht. De onderwerpen op elk van de locaties zijn de volgende: Continue reading “Themis-recyclage insolventie- en beslagrecht te Leuven, Brussel, Hasselt of Kortrijk”

De kinderen van de toerekening

Uiteenlopende toerekeningsregels in Sw., ontwerp-WVV en ontwerp-BW

Een vorige post stelde het mooie toerekeningscriterium  van art. 5 Sw. in het licht. Een rechtspersoon of  maatschap is strafrechtelijk verantwoordelijk voor “misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, naar blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd”. De toerekening gebeurt hier aan de organisatie op autonome wijze, zonder dat een omweg langs een natuurlijke persoon is vereist. Daarin verschilt het van afgeleide toerekeningscriteria zoals de kwalitatieve aansprakelijkheid van art. 1384 BW of de zgn. orgaantheorie.

Dit aspect van art. 5 Sw bleef ongewijzigd bij de recente aanpassing van dit artikel.

Elders hebben we geargumenteerd dat dit autonoom criterium ook verklaart hoe onrechtmatige daden die geen misdrijf zijn, aan organisaties worden toegerekend. In Nederland heet dit de “verkeersopvattingen”.

Dit autonoom criterium heeft alvast het voordeel dat het verklaart wat er gebeurt in de hoven en rechtbanken. De aansprakelijkheid van een rechtspersoon of andere organisatie wordt zelden afgeleid van de aansprakelijkheid van een natuurlijke persoon. Integendeel, vaak is de aansprakelijkheid van de organisatie een gegeven en wordt eerder de vraag gesteld of de fout ook aan een natuurlijke persoon kan worden toegerekend. Externe bestuursaansprakelijkheid, heet dat.

Jammer genoeg maakt art. 5 Sw. op vlak van toerekening in de ontwerpen van WVV en aansprakelijkheidsrecht in het BW minder school dan op vlak van het toepassingsgebied (zie voornoemde post).  Continue reading “De kinderen van de toerekening”

Imperium delinquere potest

Artikel 5 Sw. gewijzigd

In het Staatsblad van 20 juli 2018 (eerste editie) verscheen de Wet van 11 juli 2018 tot wijziging van het Strafwetboek en de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering wat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen betreft (zie hier voor de parlementaire fiche). Na inwerkingtreding zal artikel 5 Sw. als volgt luiden:

“Een rechtspersoon is strafrechtelijk verantwoordelijk voor de misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, zoals blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd.

Met rechtspersonen worden gelijkgesteld:
1° tijdelijke handelsvennootschappen en stille handelsvennootschappen;
2° vennootschappen bedoeld in artikel 2, § 4, tweede lid, van het Wetboek van Vennootschappen, alsook handelsvennootschappen in oprichting;
3° burgerlijke vennootschappen die niet de vorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen.

De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersonen sluit die van de natuurlijke personen, die daders zijn van dezelfde feiten of eraan hebben deelgenomen, niet uit.”

Vergeleken met de huidige tekst houdt dit twee belangrijke wijzigingen in. Continue reading “Imperium delinquere potest”

Personenvennootschappen in het ontwerp-WVV: welke regels vallen op door hun afwezigheid of behoud?

Met een gastrol voor ‘gold-plating’

Een wetgevend project kenmerkt zich evenzeer door wat het niet wijzigt, als door wat het wel wijzigt. Dat op vlak van bestuursaansprakelijkheid de bestaande minderheidsvordering, ondanks evidente gebreken, niet werd opgelapt in het ontwerp-WVV zegt even veel over de maatschappelijke keuzes van het ontwerp als de invoering van een ‘cap’ op bestuursaansprakelijkheid.

Vorige posts behandelden enkele opvallende nieuwigheden voor maatschap, VOF en CommV. Het ontwerp behoudt ook veel; vele bepalingen zijn nog altijd een on- of nauwelijks gewijzigde kopie van de bepalingen uit art. 1832 e.v. van de Code civil  van 1804 (maatschap) of de Vennootschapswet van 1873 (VOF en CommV).

Deze post behandelt kort enkele regels die opvallen door dat ze bleven of ongeregeld werden gelaten. En soms is dit ook relevant voor de meer courante vennootschapsvormen. Continue reading “Personenvennootschappen in het ontwerp-WVV: welke regels vallen op door hun afwezigheid of behoud?”

Verplicht bod en meervoudig stemrecht

Hoe het WVV de Overnamerichtlijn schendt en het verplicht bod uitholt

Inleiding

Ondertussen is het algemeen bekend onder vennootschapsjuristen en lezers van Corporate Finance Lab dat het WVV het loyauteitsstemrecht zal toelaten voor genoteerde vennootschappen (zie eerder op deze blog hier). Minder algemeen bekend is misschien dat ook winstbewijzen met meervoudig stemrecht mogelijk worden, zelfs in de genoteerde NV en zonder loyauteitsvoorwarde. Los van de fundamentele wenselijkheidsvragen die dergelijke afwijkingen van het “one share, one vote” beginsel oproepen, rijst er ook een juridisch-technische vraag: hoe verhoudt dit meervoudig stemrecht zich tegen drempels die geformuleerd worden als een bepaald percentage van “de effecten met stemrecht” of “de stemrechten”, en meer bepaald met de drempel voor het verplicht openbaar bod?

In deze blogpost bespreek ik de nieuwe bepaling in het WVV die stelt dat de 30% grens voor het verplicht openbaar bod moet berekend worden als “30% van de effecten met stemrecht”, en dus niet als 30% van de stemrechten. In de woorden van de memorie van toelichting wordt het (eventueel) dubbel stemrecht voor loyale aandeelhouders en het (eventueel) meervoudig stemrecht voor winstbewijshouders “geneutraliseerd” voor doeleinden van het verplicht bod. Als een aandeelhouder bijvoorbeeld 25% van de aandelen in zijn bezit heeft, maar door het dubbel loyauteitsstemrecht of door het houden van één enkel winstbewijs met meervoudig stemrecht, meer dan 30% van de stemrechten bezit, dan moet hij volgens het WVV geen verplicht bod uitbrengen.

Ik zal argumenteren dat dit (1) in strijd is met de tekst van de Overnamerichtlijn, en (2) in strijd is met de ratio van het verplicht bod. Ten slotte zal ik ook enkele opties bespreken voor hoe de verhouding tussen meervoudig stemrecht en verplicht bod anders kan worden opgelost, met verwijzingen naar Frankrijk en Italië.

Continue reading “Verplicht bod en meervoudig stemrecht”

‘De hernieuwde remuneratieregeling van curatoren creëert geen oplossing voor de lege boedelproblematiek’

Frederik De Leo, Roel Verheyden en Dennis Cardinaels in De Juristenkrant

In het recentste nummer van De Juristenkrant verscheen een bijdrage over de hernieuwde remuneratieregeling van curatoren, geschreven door Frederik De Leo (KU Leuven/UHasselt), Roel Verheyden (KU Leuven) en Dennis Cardinaels (University of Leeds, UK). Een eerste commentaar bij het KB van 26 april 2018 houdende vaststelling van de regels en barema’s tot bepaling van de kosten en het ereloon van de insolventiefunctionarissen kon u reeds hier lezen.

In deze bijdrage betreuren de auteurs dat het KB geen oplossing formuleert voor de zogenaamde lege boedelproblematiek. Zo schrijven zij het volgende: Continue reading “‘De hernieuwde remuneratieregeling van curatoren creëert geen oplossing voor de lege boedelproblematiek’”

De vrije beroeper kan van twee insolventiewalletjes eten; nog vier maanden

Tot 1 november 2018 overlap tussen Boek XX en collectieve schuldenregeling

Zoals bekend zijn de insolventieprocedures van Boek XX WER (faillissement en gerechtelijke reorganisatie) sinds 1 mei van toepassing op (i) elke natuurlijke persoon die een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent, (ii) elke privaatrechtelijke rechtspersoon en (iii) elke vennootschap.

Voor natuurlijke personen is er ook een insolventieprocedure in het Gerechtelijke Wetboek: de collectieve schuldenregeling (art. 1675/2 e.v. Ger.W.).  Deze procedure is van toepassing op “elke natuurlijke persoon, die geen koopman is in de zin van artikel 1 van het Wetboek van Koophandel” (art. 1675/2 al. 1 Ger.W). Continue reading “De vrije beroeper kan van twee insolventiewalletjes eten; nog vier maanden”

6 interuniversitaire studiedagen over het nieuwe vennootschapsrecht

Op 4 juni 2018 werd het wetsontwerp voor een nieuw Wetboek van vennootschappen en verenigingen voor een nieuw Wetboek van vennootschappen en verenigingen ingediend in de Kamer. Als alles verloopt zoals gepland, treedt de nieuwe regeling in werking vanaf 1 januari 2019.

De rechtsfaculteiten van 7 Belgische universiteiten bieden vanaf september op 6 locaties een volledig overzicht van alle belangrijke wijzigingen: van de afschaffing van het kapitaal in de BV(BA) tot de wijziging van de vereffeningsprocedure, van de spelregels bij aandeelhoudersruzies tot de regels over aandelenoverdrachten, van de kapitaalverhoging in de NV tot de toegelaten activiteiten door VZW’s.

Bekijk hier de folder. Meer info en inschrijven kan hier.

 

De vereffening van de maatschap in W.Venn en ontwerp-WVV: over de gevaren van recyclage

Lees maar, er staat niet wat er staat (Nijhoff)

UPDATE: art. 4:421 WVV  werd geamendeerd in de zin van het voorstel in deze post.

De vereffening van de maatschap wordt door het W.Venn. laconiek geregeld in art. 55:

“De regels betreffende de verdeling van de nalatenschappen, de vorm van die verdeling en de verplichtingen die daaruit tussen de mede-erfgenamen ontstaan, zijn toepasselijk op de vereffening tussen vennoten van vennootschappen bedoeld in dit boek.”

Dit een herneming van oud art. 1871 van het Burgelijk Wetboek van 1804.

Dit is een verwijzing die problematischer is dan het lijkt. Bij de onverdeelde nalatenschap is er geen vereffening zoals de vennootschapsjurist die kent, waarbij eerst de gemeenschappelijke schuldeisers worden voldaan alvorens het actief “netto” wordt overgedragen. De vereffening van de nalatenschap gebeurt in het belang van de erfgenamen en de positie van de nalatenschapsschuldeiser is soms erg onbeschermd. Je hebt in de nalatenschap drie verschillende soorten nalatenschapsschuldeisers:

  • Boedelschuldeisers met een uitvoerbare titel kunnen de boedelgoederen uitwinnen en genieten daarbij een preferentie.
  • Boedelschuldeisers zonder uitvoerbare titel kunnen de nalatenschapsgoederen niet uitwinnen en dienen een bruto-verdeling te ondergaan. Ze verliezen daarbij hun voorrang.
  • Boedelschuldeisers die toevoelig ook erfgenaam zijn, genieten door de figuur van de “inbreng van schulden” altijd van een vereffening in hun voordeel, ongeacht of ze een uitvoerbare titel hebben.

Voor een vennootschapsjurist zou dit verschil in behandeling, met een voortrekken van de insiders, choquerend moeten zijn. Dit is net de reden waarom in de loop van de 19de eeuw het concept van concursus werd uitgevonden voor vereffeningen. Continue reading “De vereffening van de maatschap in W.Venn en ontwerp-WVV: over de gevaren van recyclage”

De maatschap: de reeds goedgekeurde wijzigingen

Inschrijvingsplicht, boekhoudplicht, hoofdelijkheid, bestuursaansprakelijkheid en procesbevoegdheid

Een vorige post raakte kort de wijzigingen aan in het ontwerp-WVV voor de maatschap. Belangrijk; maar dit mag niet doen vergeten dat er al een hele reeks wijzigingen voor de maatschap werden goedgekeurd bij de invoering van boek XX (inwerkingtreding 1 mei 2018) en de Wet Hervorming Ondernemingsrecht (inwerkingtreding 1 november 2018).

Boek XX maakt het insolventierecht van toepassing op de maatschap en onderwerpt ook de zaakvoerders van maatschappen aan bepaalde bestuursaansprakelijkheden. De Wet Hervorming Ondernemingsrecht voert een inschrijvingsplicht in het KBO in, een boekhoudplicht, breidt de hoofdelijkheid uit tot alle maatschappen en regelt de procesbevoegdheid van de maatschap. Deze post gaat kort in op deze aspecten, met uitzondering van de insolventie van de maatschap die eerder aan bod kwam. Op het einde behandelen we wanneer welke regel in werking treedt.

We maken onderweg twee kleine uitstapjes naar het ontwerp van WVV: de ‘cap’ (in een stuk over de maatschap? ja) en het ruime toerekeningscriterium voor schulden. Continue reading “De maatschap: de reeds goedgekeurde wijzigingen”

Ontwerp-WVV: hoe gemeen is het personenvennootschapsrecht?

Kloof tussen maatschap en onverdeeldheid wordt groter

Het ontwerp van WVV brengt personenvennootschappen (maatschap, stille vennootschap, VOF en  CommV) samen in boek 4. Dit boek herneemt heel wat van de bestaande inhoud van de volgende boeken van het W.Venn:

  • boek II (“Bepalingen gemeenschappelijk aan alle vennootschappen”);
  • boek III (“maatschap, TV en SV”); en
  • boek V (“VOF en CommV”).

De wijziging van structuur en de verplaatsing van bepalingen heeft juridische gevolgen, zelfs als die bepalingen niet inhoudelijk wijzigingen. Opmerkelijk is dat de belangrijkste gevolgen van deze Umschung gelden voor de andere vennootschappen, zoals een NV, BV of CV. Continue reading “Ontwerp-WVV: hoe gemeen is het personenvennootschapsrecht?”