Elk advocatenkantoor heeft ondertussen via LinkedIn laten weten dat het beschikbaar blijft voor haar cliënten. Dit is het minste van wat – volgens de wetgever – een essentiële beroepsgroep verwacht mag worden. Huidige post is geen reclame maar strekt er gewoon toe de fundamentals van de procedure van gerechtelijke reorganisatie in herinnering te brengen, en dan in het bijzonder de openportaalbenadering. Continue reading “De openportaalbenadering (nu meer dan ooit)”
Experiments
Het intern reglement in het WVV: ingrijpende wijzigingen, maar niet voor de CV
Een post door gastbloggers Evariest Callens en Louis De Meulemeester (UGent)
Vennootschappen draaien in essentie om samenwerking. De spelregels van deze samenwerking tussen de verschillende aandeelhouders worden in principe in de statuten vastgelegd en kunnen slechts met bijzondere meerderheid worden gewijzigd. Toch zijn het niet enkel de statuten waarin afspraken worden gemaakt omtrent de rechten van aandeelhouders en de werking van de vennootschap. In de praktijk wordt voor dezelfde doeleinden bijvoorbeeld frequent gebruik gemaakt van een intern reglement (soms ook wel ‘huishoudelijk reglement’ of ‘reglement van inwendige orde’ genoemd). Met de introductie van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) heeft de wetgever het gebruik van het intern reglement aan een aantal beperkende voorwaarden onderworpen. Deze voorwaarden zijn opgenomen in boek 2 WVV en gelden dus in principe voor alle rechtspersonen geregeld in het WVV. Voor wat betreft de coöperatieve vennootschap voorziet het WVV evenwel in een, voor de praktijk niet onbelangrijke, afwijkende regeling. Continue reading “Het intern reglement in het WVV: ingrijpende wijzigingen, maar niet voor de CV”
Is er leven na de vereffening?
Cass 14 februari 2020 (C.19.0108.F/2)
In een arrest van 14 februari 2020 (C.19.0108.F/2) heeft het Hof van Cassatie zich gebogen over de gevolgen van “l’extinction de l’être moral”. Continue reading “Is er leven na de vereffening?”
Studiedag ‘Schuldeiser & Rechtspersoon’: inschrijven is nog mogelijk
update: uitgesteld naar nog te bepalen datum

Volgende week 19 maart 2020 gaan onder voorzitterschap van Prof. Dr. Eric Dirix enkele vooraanstaande experten in op de interactie tussen de nieuwe regels in het vennootschaps- en verenigingsrecht en bescherming uit het insolventierecht. Hieronder worden de verschillende presentaties kort samengevat. Rode draad doorheen deze presentaties is het proefschrift Schuldeiser & Rechtspersoon (Intersentia, 2020) van dr. Gillis Lindemans. Inschrijven voor de laatste plaatsen kan nog via deze link.
Deze studiedag werd erkend door OVB (4u), IGO (3,5u – boek inbegrepen), IBJ en de Nationale Kamer van Notarissen (4 u) worden aangevraagd. De inschrijvingsprijs van EUR 175 omvat het boek Schuldeiser & Rechtspersoon (met een winkelwaarde van EUR 165), dat op de studiemiddag zelf wordt overhandigd. De documentatie wordt digitaal ter beschikking gesteld.
Continue reading “Studiedag ‘Schuldeiser & Rechtspersoon’: inschrijven is nog mogelijk”
Vertegenwoordiging: ABC en WVV
Presentatie over basisprincipes van vertegenwoordiging
Ter gelegenheid van de alumnidag van de Leuvense rechtsfaculteit gaven we een presentatie over de basisprincipes van vertegenwoordiging, met bijzondere aandacht voor de bijzondere uitdaging van vertegenwoordiging van rechtspersonen en andere organisaties. Hier vindt u de slides en de presentatie zelf: Continue reading “Vertegenwoordiging: ABC en WVV”
Carve out voor chirografaire schuldeisers
In een recente empirische studie (“Faillissement: wat blijft er nog voor de schuldeisers?”) beschrijft prof. dr. Joke Baeck het trieste lot van de chirografaire schuldeiser. Zijn/haar faillissementsdividend is meestal aan de (erg) magere kant. Nadat de boedelschuldeisers en de zekergestelde schuldeisers gepasseerd zijn, is het spreekwoordelijke vet van de soep. Om de positie van chirografaire schuldeisers te verbeteren, kan gedacht worden aan een carve out-regeling, waarbij een deel van de opbrengt van goederen waarop een zekerheid rust, voorbehouden wordt voor chirografaire schuldeisers (die veelal de minst sterke schuldeisers zijn, en zelf niet in (contractuele) bescherming kunnen voorzien). Zoals professor Baeck in haar bijdrage opmerkt, kan de mosterd voor zo’n regeling over het Kanaal gehaald worden. Continue reading “Carve out voor chirografaire schuldeisers”
Voordelen van alle aard (ook) na faillissement
Kan de bestuurder van een vennootschap na het faillissement van de vennootschap nog voordelen van alle aard genieten, en daarop belast worden? Het Hof van Cassatie heeft deze vraag positief beantwoord in een arrest van 23 januari 2020 (F.18.0134.N/3). Continue reading “Voordelen van alle aard (ook) na faillissement”
Redeneringen ‘a contrario’ in het WVV
Editoriaal in TRV/RPS, 2020, p. 3 e.v.
Wikipedia, zoals bekend een autoriteit op vlak van juridisch redeneren, stelt over de redenering a contrario:
“Vooral onder juristen zijn a contrario redeneringen populair. Als er een wettelijke regel is “indien A, dan B” (implicatie), dan kan daar de conclusie uit worden getrokken: “indien niet A, dan niet B”. Maar een dergelijke gevolgtrekking in deze vorm is onjuist, hoewel de conclusie (dat niet B) wel juist kan zijn. Slechts als eerstgenoemde regel luidde:(1) “alléén indien A, dan B” (replicatie) , of (2) “Als en slechts als A, dan B” (equivalentie) is deze omkering toelaatbaar volgens de wetten van de logica. Bij een beroep op een argumentatie a contrario moet dus altijd een lampje gaan branden.”
Ook in het ondernemingsrecht zijn a contrario redeneringen verdacht (zie ook Koen Geens over “vermoeiende a contrarioconclusies” in zijn boekbespreking van Asser-Maeijer 5-V, TPR 1998, 1149).
De a contrario redenering leidt conclusies af uit het stilzwijgen van de wetgever: “als een rechtgevolg wordt vastgeknoopt aan A, en er niets gezegd wordt over B, dan zal de wetgever wel gewenst hebben hebben dat het rechtsgevolg niet geldt voor B.”
Dat miskent dat de wetgever meestal slechts een beperkte focus heeft bij het opstellen van een tekst. Als in de Wet betreffende Olifanten staat dat olifanten vier poten moeten hebben, dan kan daar niets over giraffen worden uit afgeleid. Dat was gewoon niet de focus van de wetgever op dat ogenblik.
De zaak wordt anders indien er een Wetboek betreffende Alle Dieren wordt geschreven. Indien het hoofdstuk voor de olifant bepaalt dat de olifant twee grote oren en korte dikke nek moet hebben, komt men wel in de verleiding gevolgen te trekken uit de afwezigheid van gelijkaardige regels in het hoofdstuk over de giraffen. De focus van een codificatie is net systematisch na te denken over wat gelijk moet zijn en verschillen tussen de verschillende behandelde figuren.
In een editoriaal in het laatste nummer van het TRV/RPS (“Wat zegt de wetgever als hij zwijgt?”) geef ik enkele voorbeelden van hoe ook in het WVV a contrario redeneringen niet altijd opgaan: Continue reading “Redeneringen ‘a contrario’ in het WVV”
Wat kan in een VZW: verlies naast de wettelijke specialiteit de actio pauliana niet uit het oog
Gillis Lindemans in VZW Actueel
Voor VZW Actueelschreef Gillis Lindemans een speciale bijdrage over
de schuldeisersbescherming in de VZW. Hij begint met de analyse hoe de “verenigingsrechtelijke” norm van de wettelijke specialiteit soms te kort schiet:
“Grens van het toelaatbare niet altijd even duidelijk
Een VZW kent uiteraard geen regels over dividenduitkering. Toch kunnen insiders zichzelf of anderen verrijken ten koste van het verenigingsvermogen, zij het dan op
een minder pasklare wijze. Zoals aangegeven, bestaat de grens van het toelaatbare daarbij in de wettelijke specialiteit van de VZW, zoals neergelegd in art. 1:2 WVV. Continue reading “Wat kan in een VZW: verlies naast de wettelijke specialiteit de actio pauliana niet uit het oog”
Latente schulden: zorgenkind voor wie zijn vennootschap ontbindt
Ontbinding en vereffening in één akte – bouwonderneming – tienjarige aansprakelijkheid
De doelstelling van de vereffeningsprocedure in het vennootschapsrecht is ervoor te zorgen dat volgend op de ontbinding alle activa worden gerealiseerd en bestemd voor de betaling van de schulden alvorens het liquidatiesaldo wordt verdeeld onder de vennoten.[1] Ter realisatie van deze doelstelling omkleedt de wetgever de vereffeningsprocedure met diverse waarborgen (waaronder rechterlijke controle, benoeming van een vereffenaar, …).
Wanneer de vereffeningsprocedure gebrekkig is ontstaat het risico dat aandeelhouders de ontbinding aanwenden om zich te verrijken ten koste van de schuldeisers: hun liquidatiesaldo neemt immers proportioneel toe met elke schuld die onbetaald achterblijft na sluiting van de vereffening.[2] Een gebrekkige vereffeningsprocedure kan zich m.a.w. vertalen in een opportunistische ontbindingsincentive in hoofde van de aandeelhouders.
Kwetsbare schuldeisers
In het bijzonder schulden uit onrechtmatige daad die slechts latent aanwezig zijn op het moment van ontbinding, vermits eventuele schade zich slechts op termijn zal manifesteren zijn hier kwetsbaar voor en dreigen met lege handen achter te blijven.[3] Continue reading “Latente schulden: zorgenkind voor wie zijn vennootschap ontbindt”
“Lopende overeenkomsten bij faillissement: niet-uitvoeren is niet hetzelfde als beëindigen”
’t Amendement in TRV-RPS 2020/1
Art. XX.139, § 1 WER verschaft de curator drie mogelijkheden met betrekking tot lopende overeenkomsten, waarbij lopende overeenkomsten worden gedefinieerd als overeenkomsten die zijn gesloten vóór de datum van het vonnis van faillietverklaring en waaraan door dat vonnis geen einde werd gemaakt. De curator kan beslissen om de overeenkomst (i) verder uit te voeren, (ii) niet verder uit te voeren of (iii) eenzijdig te beëindigen
De eerste optie spreekt voor zich, namelijk de verder uitvoering (nakoming/voortzetting) door de curator van de overeenkomst. De medecontractant heeft ten laste van de boedel recht op de uitvoering van de verbintenis in zoverre zij betrekking heeft op prestaties geleverd na het faillissement. Als boedelschuldeiser kan de medecontractant dus een contante betaling van zijn schuldvordering vorderen voor prestaties geleverd na faillissement. Continue reading ““Lopende overeenkomsten bij faillissement: niet-uitvoeren is niet hetzelfde als beëindigen””
Anciënniteit in het kader van vennootschapsgroepen
Arbeidshof Brussel, 5 november 2019
In het kader van (internationale) vennootschapsgroepen komt het frequent voor dat een werknemer eerst een tijdje werkt voor groepsvennootschap A, om vervolgens geruisloos door te schuiven naar groepsvennootschap B. Wanneer de arbeidsovereenkomst met groepsvennootschap B eindigt, rijst de vraag naar de anciënniteit van de werknemer. Wordt deze anciënniteit bepaald op het niveau van de groep (voordelig voor de werknemer/nadelig voor de werkgever) of op het niveau van de (laatste) groepsvennootschap (nadelig voor de werknemer/nadelig voor de werkgever). In een arrest van 5 november 2019 brengt het Arbeidshof te Brussel enkele principes ter zake in herinnering. Continue reading “Anciënniteit in het kader van vennootschapsgroepen”
Wat zijn (buiten)gewone schuldvorderingen in de opschorting? Een buitengewoon actueel vraagstuk
Bijdrage in TBH 2019/10
In het recentste nummer van het Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht (TBH 2019/10) ga ik in op de definitie van (buiten)gewone schuldvorderingen in de opschorting, dewelke relevant is in het kader van gerechtelijke reorganisatieprocedures door collectief akkoord. Hoewel de nieuwe definitie van buitengewone schuldvorderingen in de opschorting, zoals vervat in artikel I.22,14° van het Wetboek van Economisch Recht (WER), aanzienlijk langer is dan de oude definitie in artikel 2(d) van de Wet op de Continuïteit van de Onderneming (WCO), heeft zij niet alle onzekerheid kunnen wegnemen. In tegendeel, recente rechtspraak en doctrine wijst erop dat de nieuwe definitie onduidelijk is (een drietal vonnissen daarover zijn tezamen met mijn bijdrage gepubliceerd in het TBH 2019/10). Continue reading “Wat zijn (buiten)gewone schuldvorderingen in de opschorting? Een buitengewoon actueel vraagstuk”
Cassatie over de waardering van aandelen bij de vordering tot uitsluiting
De waardering van aandelen in de context van de geschillenregeling is een evergreen van het vennootschapsrecht. In een voor de rechtspraktijk belangrijk arrest van 16 januari 2020 (C.19.0096.N/3) zet het Hof van Cassatie enkele duidelijke principes uiteen, in de context van een vordering tot uitsluiting. Het arrest is geveld met toepassing van het Wetboek van Vennootschappen, maar de principes behouden hun gelding onder het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Continue reading “Cassatie over de waardering van aandelen bij de vordering tot uitsluiting”
Pauliana heeft meer slagkracht dan de BV-uitkeringstest
In een eerste post over dit thema signaleerden we dat de recent ingevoerde BV-uitkeringstest sterke gelijkenis vertoont met de (veel oudere) actio pauliana. In een tweede post lichtten we die analogie nader toe. In het laatste deel van dit drieluik gaan we nog een stapje verder. De pauliana blijkt immers de BV-uitkeringstest op belangrijke punten te overtroeven.
Pauliana biedt soms sterkere bescherming dan BV-uitkeringstest
Ondanks haar inhoudelijke verwantschap met de BV-uitkeringstest, is de pauliana geen overbodige remedie tegen uitkeringen. Zo spreekt het voor zich dat de pauliana ook kan worden toegepast op uitkeringen in andere vennootschappen dan de BV. Nog los daarvan echter, biedt de pauliana een aantal belangrijke inhoudelijke troeven: Continue reading “Pauliana heeft meer slagkracht dan de BV-uitkeringstest”