“Grensoverschijdende omzetting van rechtspersonen” (J. van den Broek en G. Rensen, eds.)

Serie Onderneming en Recht, nr. 103, Kluwer, Deventer, 2018

Afbeeldingsresultaat voor Grensoverschrijdende omzetting van rechtspersonen.In de Serie Onderneming en Recht verscheen de bundel Grensoverschrijdende omzetting van rechtspersonen. Civiel en fiscaal recht, samengesteld door J. van den Broek en G. Rensen van de Radboud Universiteit te Nijmegen.

Een grensoverschrijdende omzetting (ook wel: wijziging van toepasselijk vennootschapsrecht; ook wel: internationale verplaatsing van statutaire zetel) is in Nederland niet wettelijk geregeld. Ook in België is dit nauwelijks geregeld (op een zeer abstracte bepaling in het Wetboek IPR na). In België bestaat er al een gevestigde praktijk van inbound en outbound grensoverschrijdende omzettingen. In Nederland kwam die praktijk vooral de laatste jaren op gang. In België is de mogelijkheid van een wijziging van toepasselijk vennootschapsrecht principieel aanvaard sinds het bekende Lamot-arrest van het Hof van Cassatie uit 1965. De Nederlandse praktijk – die anders dan in België wel op principiële bezwaren stuit vanuit de doctrine – kwam er vooral onder invloed (druk?) van de arresten Cartesio en Vale van het Hof van Justitie. De bundel besteedt uitvoerig aandacht aan de invloed van het recente arrest Polbud.

In België wordt de “internationale zetelverplaatsing” geregeld in het ontwerp van WVV. In Nederland is er sinds 2014 een voorontwerp van wet betreffende grensoverschrijdende omzetting van vennootschappen. Dit voorontwerp lijkt in de koelkast te liggen in afwachting van de recent door de Commissie voorgestelde ontwerp-Richtlijn omtrent grensoverschrijdende omzettingen. Naar goede Nederlandse gewoonte is een internetconsultatie bezig over de ontwerp-Richtlijn om het Nederlandse standpunt beter te informeren.

De Nijmeegse bundel legt de nadruk op de grensoverschrijdende omzetting van rechtspersonen (niet enkel vennootschappen – zo is de bespreking van de stichting erg boeiend) vanuit Nederlands standpunt. De bundel bevat daarnaast een hoofdstuk exotica met daarin o.a. de bespreking van keuze en wijziging van toepasselijk vennootschapsrecht vanuit Belgisch standpunt. Dit deel werd geschreven door Vananroye en Lindemans (KU Leuven):  Continue reading ““Grensoverschijdende omzetting van rechtspersonen” (J. van den Broek en G. Rensen, eds.)”

Zorgt het ontwerp van nieuw BW voor een spectaculaire verzwaring van de externe bestuursaansprakelijkheid?

Voorgestelde afschaffing van immuniteit van uitvoeringsagent heeft onvoorziene gevolgen voor handelsverkeer

Het in een vorige post besproken cassatie-arrest van  4 mei 2018 bevestigt nogmaals dat ook de bestuurder van een vennootschap kan genieten van de immuniteit van de uitvoeringsagent indien hij wordt aangesproken door een contractuele schuldeiser van de vennootschap voor de niet-uitvoering van de contractuele verbintenis van die vennootschap:

“Lorsqu’une personne morale agit par un organe pour l’exécution de son obligation contractuelle, celui-ci ne peut être déclaré responsable sur le plan extracontractuel que si le manquement qui lui est reproché a causé un dommage autre que celui résultant de la mauvaise exécution du contrat.

Le moyen, qui, en cette branche, repose sur le soutènement qu’il suffit, pour engager sa responsabilité, que l’organe ait manqué à l’obligation générale de prudence, manque en droit.”

Ik zelf werd, zoals zovelen, ingeleid in de regel van de immuniteit van de uitvoeringsagent door een bespreking van het zgn. “Stuwadoorsarrest” van 7 december 1973. Ik had, zoals zovelen, geen idee wat een stuwadoor of stevedore is. Het bleek “iets in de haven” te zijn. Als student stopte ik dit in het het mentale vakje van kennis die ik wellicht nooit nodig zou hebben. Misschien komt het door mijn koudwatervrees, maar havenwerk sprak me niet aan.

Het onderschatten van de immuniteit van de uitvoeringsagent was een zware vergissing. Continue reading “Zorgt het ontwerp van nieuw BW voor een spectaculaire verzwaring van de externe bestuursaansprakelijkheid?”

Het Hof van Cassatie over het startpunt van de verjaringstermijn bij het niet-naleven van de alarmbelprocedure

Cass. 2 mei 2018: verjaringstermijn start bij verstrijken termijn van 2 maanden voor bijeenkomen AV

In een arrest van 4 mei 2018 oordeelde het Hof van Cassatie over het startpunt van de vijfjarige verjaringstermijn van bestuursaansprakelijkheid bij de niet-naleving van de alarmbelprocedure. Deze procedure bepaalt dat, wanneer ten gevolge van geleden verlies het netto-actief gedaald is tot minder dan de helft van het maatschappelijk kapitaal,  het bestuursorgaan er voor zorgt dat de algemene vergadering bijeenkomt binnen een termijn van ten hoogste twee maanden nadat het verlies is vastgesteld of krachtens wettelijke of statutaire bepalingen had moeten worden vastgesteld (art. 332 W.Venn. voor de NV). Het Hof oordeelt dat de verjaringstermijn begint te lopen op het einde van de termijn van 2 maanden binnen de welke de AV had moeten zijn bijeengekomen: Continue reading “Het Hof van Cassatie over het startpunt van de verjaringstermijn bij het niet-naleven van de alarmbelprocedure”

Breaking news: Wetboek Vennootschappen en Verenigingen goedgekeurd door ministerraad

De Ministerraad heeft zopas het ontwerp van Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen goedgekeurd. Het gaat om wellicht de meest verregaande hervorming van het recht inzake vennootschappen, verenigingen en stichtingen die ons land ooit heeft gekend.

Continue reading “Breaking news: Wetboek Vennootschappen en Verenigingen goedgekeurd door ministerraad”

De ondernemingsrechtbank: slipgevaar?

Een post door gastblogger Christoph Malliet (faculteitsbibliothecaris van de Bibliotheek Rechtsgeleerdheid, KU Leuven)

Koen Geens richt dus een ondernemingsrechtbank op, een kleine moeite, maar voor de V&A Commissie begint dan pas het echte werk: een gepaste afkorting zoeken om het oude “Kh.” te vervangen. Er zijn misschien geen honderd mogelijkheden, maar toch… De V&A commissie hanteert echter principes bij het kiezen van afkortingen. Dat zijn er wel wat en ze zijn vaak niet met elkaar verzoenbaar, er is dus een afweging nodig (dat soort discours herkent u wel als jurist…). Het voordeel van deze principes is echter dat ze de hoeveelheid kanshebbers sterk reduceert.

Continue reading “De ondernemingsrechtbank: slipgevaar?”

Art. XX.227 WER sluit individuele vordering van een schuldeiser niet uit bij het kennelijk onredelijk verderzetten van een verlieslatende activiteit

J. Vananroye, “Aansprakelijkheidsvorderingen bij wrongful trading : de ‘uitsluitende bevoegdheid van de curator’ betekent niet ‘alleen de curator'”, TRV/RPS 2018, 274-252

In de rubriek “Amendement” van het laatste nummer van TRV/RPS schrijft Vananroye over  de vorderingsgerechtigden bij ‘wrongful trading’ (art. XX.227 WER). Hoewel deze rubriek gaat over voorgestelde wetswijzigingen, kan deze bijdrage ook gelezen worden als een standpunt omtrent de interpretatie van de vigerende regels:

“Voor individuele schade heeft een schuldeiser wel een eigen vorderingsrecht. Met de arresten Unac en Sefi heeft het Hof van Cassatie duidelijk gemaakt dat de curator níét de schadevergoedingsaanspraken van individuele schuldeisers bundelt.

Het typevoorbeeld van individuele schade ligt net in de sfeer van wrongful trading: de vordering die een schuldeiser heeft tegen een bestuurder omdat hij met de vennootschap contracteerde op basis van verkeerde financiële informatie of omdat zijn schuldvordering is ontstaan nadat de vennootschap reeds failliet verklaard had moeten worden. […]

Het komt ons voor dat ook op dit punt de wetgever niet heeft willen innoveren: art. XX.227 WER doet geen afbreuk aan individuele vorderingsrechten van schuldeisers voor hun persoonlijke schade. De “uitsluitende bevoegdheid” van de curator verwijst enkel naar de boedelvordering, niet naar de individuele vorderingen van schuldeisers.”

Zie voor posts over wrongful trading hier en over collectieve schade hier

 

Crypto-effecten: van badmeester tot bouwmeester

Een post door gastblogger Marc Van de Looverbosch

Het handelsrecht heeft zich vele eeuwen lang laten gelden als een betrouwbare handelspartner. Rechtszekerheid als ruggensteun. De wetgever die minzaam de gulzige rups overzet van blad naar blad: “fret mo, bichke“.[1]

Met de toenemende complexiteit van de financiële markten, en na de tussenkomst van enkele economische en financiële crisissen, besteedt het handelsrecht in de ruime zin thans het gros van zijn aandacht aan het vermijden en bestrijden van excessen die zich van tijd tot tijd manifesteren in de markt. De wetgever heeft zich de rol van badmeester eigen gemaakt. De kinderen mogen zich vermaken, zolang er maar niet wordt gelopen in het zwembad. MiFID II is nog niet verteerd, of de GDPR wordt reeds geserveerd. Continue reading “Crypto-effecten: van badmeester tot bouwmeester”

De pauliana: de éne verjaringstermijn is de andere niet

Luik 22 december 2016

In de jongste editie van het TRV-RPS kan u een annotatie terugvinden bij een arrest van het hof van beroep te Luik van 22 december 2016. In deze blogpost vat ik enkele van mijn bevindingen over de verjaringstermijnen van de verschillende pauliaanse vorderingen samen.

Achtergrond

Dexia Bank (thans Belfius) had op 6 september 2000 aan NV F. in oprichting een kredietlijn toegekend. In ruil daarvoor verkreeg Dexia een aantal zekerheidsrechten waaronder een solidaire en ondeelbare borg van de gedelegeerde bestuurder van NV F.

Op 31 december 2002 heeft NV F. via een omzendbrief aan verschillende klanten en leveranciers laten weten dat het ten gevolge van een gebrek aan winstgevendheid haar handelsactiviteiten stopzet en vrijwillig in vereffening gaat.

Bijna een jaar later (oktober 2003) verzoekt Dexia aan NV F. om het negatief saldo op de centrale rekening aan te zuiveren, bij ontstentenis waarvan de rekening geblokkeerd zal worden. Ter zuivering van de hypothecaire schuld van Dexia verkoopt NV F. op 24 augustus 2004 zijn vaste activa. Die verkoop brengt een btw-schuld t.b.v. 113.190 EUR met zich mee. Twee dagen later betaalt NV F. een gelijkaardig bedrag van 112.096,12 EUR terug aan Dexia. De fiscus blijft onbetaald achter. Continue reading “De pauliana: de éne verjaringstermijn is de andere niet”

De aansprakelijkheid als bedrijfsrevisor en commissaris van een failliet verklaarde vennootschap

Hof van beroep Antwerpen 3 mei 2018 over schade veroorzaakt door miskenning controleopdracht bedrijfsrevisor en waarschuwingsplicht van de commissaris in geval van éénhoofdigheid

In een recent arrest van 3 mei 2018 oordeelde het hof van beroep te Antwerpen inzake het faillissement van Waegener Group NV (2017/AR/89) over een vordering van de curatoren die de bedrijfsrevisor verweten fouten te hebben begaan, zowel in de uitoefening van zijn taken als bedrijfsrevisor en als commissaris, waardoor de failliete boedel schade heeft geleden. Dit arrest stelt interessante vragen over collectieve schade aan de orde. Continue reading “De aansprakelijkheid als bedrijfsrevisor en commissaris van een failliet verklaarde vennootschap”

De feitelijke vereniging in rechte na 1 november 2018

Wijzigingen door de Wet Hervorming Ondernemingsrecht aan het optreden in rechte door organisaties zonder rechtspersoonlijkheid

Opmerkelijk —  maar nog grotendeels onopgemerkt — is dat de Wet Hervorming Ondernemingsrecht een tweede § toevoegt aan art. 703 Ger.W.:

“§ 2. Indien een groepering zonder rechtspersoonlijkheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen is ingeschreven, volstaat de vermelding van haar benaming en zetel die bij haar gegevens in de Kruispuntbank zijn opgenomen om, in gedingen met betrekking tot de gezamenlijke rechten en verplichtingen van de leden van de groepering, te doen blijken van de identiteit van haar gezamenlijke deelgenoten.
   Indien de inschrijving in de Kruispuntbank tevens de identificatiegegevens omvat van een algemeen lasthebber, kan de groepering in dezelfde gedingen in rechte optreden, als eiser of als verweerder, en tevens in persoon verschijnen door tussenkomst van die lasthebber, onverminderd de toepassing, wat betreft vennootschappen, van artikel 36, 1°, van het Wetboek van vennootschappen, doch uitsluitend om in rechte op te treden als verweerder.”

Daarmee regelt de Belgische wetgeving voor het eerst op algemene wijze het optreden in rechte van organisaties zonder rechtspersoonlijkheid. We analyseren de draagwijdte hiervan en onderzoeken of dit zo spectaculair is als het lijkt. Continue reading “De feitelijke vereniging in rechte na 1 november 2018”

Verenigd Koninkrijk plant deflexibilisering van ‘limited partnerships’

Zijn commanditaire vennootschapsvormen zwakste schakel in het organisatierecht?

In het VK publiceerde het Department for Business, Energy and Industrial Strategy deze week een open consultatie over voorgenomen wijzigingen in het recht rond limited partnerships. Een limited partnership lijkt op de Belgische commanditaire vennootschap, waar het  general partners heeft die onbeperkt aansprakelijk is en één of meerdere limited partners wiens aansprakelijkheid beperkt is tot hun inbreng.

Opvallend is dat de voorgenomen hervorming zeer sterk de richting uitgaat van een verstrenging.  Eén van de wijzigingen die wordt overwogen is dat de “principal place of business” van een limited partnership zich in het VK zou moeten bevinden; voor een jurisdictie die het uithangbord is van de zgn. statutaire zetel-leer is dat opmerkelijk. De reden voor de verstrenging is het sterk toegenomen misbruik dat gemaakt wordt van de limited partnership. Continue reading “Verenigd Koninkrijk plant deflexibilisering van ‘limited partnerships’”

Koninklijk Besluit inzake insolventie van vrije beroepers

Verloop van de insolventieprocedure bij vrije beroepers

Op vrijdag 27 april 2018 is het Koninklijk Besluit dat de nadere toepassingsregels van boek XX WER voor de vrije beroepen regelt in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Dit besluit trad gisteren (1 mei 2018) in werking, net als het eerder besproken besluit inzake de vergoeding van insolventiefunctionarissen.

Algemeen

Door de uitbreiding van het toepassingsgebied van het insolventierecht tot ondernemingen (zie art. XX, §1, alinea 1 WER), zijn ook alle rechtspersonen en natuurlijke personen met een activiteit als vrij beroeper thans onderworpen aan het faillissement en de gerechtelijke organisatie. Vanuit het bet besef van de verregaande implicaties voor vrije beroepers heeft men extra aandacht willen besteden aan de eigenheid van deze beroepscategorie. Het besproken KB inzake de insolventie van vrije beroepers beantwoordt aan de noodzaak voor corrigerende maatregelen die zich aldus opdrong. Continue reading “Koninklijk Besluit inzake insolventie van vrije beroepers”

Koninklijk Besluit inzake vergoeding insolventiefunctionarissen: het eerste commentaar

Nieuwe regeling inzake ereloon en kosten

Op 27 april 2018 verscheen het KB houdende vaststelling van de regels en barema’s tot bepaling van de kosten en het ereloon van insolventiefunctionarissen in het Belgisch Staatsblad. Het KB bevat de uitvoeringsmaatregelen voorzien in art. XX.20, §§3-5 van het Wetboek Economisch Recht (WER). Naar dit KB werd met bijzondere aandacht uitgekeken: niet alleen door insolventiefunctionarissen, maar ook door rechtbanken en andere stakeholders (in het bijzonder schuldeisers). Continue reading “Koninklijk Besluit inzake vergoeding insolventiefunctionarissen: het eerste commentaar”

Uitvoerings-KB’s voor Boek XX in Staatsblad gepubliceerd

kosten en ereloon van insolventiefunctionaris & insolventie vrije beroepen

In de tweede editie van het Belgisch Staatsblad verschenen vandaag de volgende KB’s ter uitvoering van Boek XX dat op 1 mei 2018 in werking treedt :

  • het KB van 26 april 2018 houdende vaststelling van de regels en barema’s tot bepaling van de kosten en het ereloon van de insolventiefunctionarissen; en
  • het KB van 26 april 2018 houdende uitvoering van artikel XX.1, § 1, laatste lid, van het Wetboek van economisch recht wat betreft de toepassing van boek XX van het Wetboek van economisch recht op de beoefenaars van een vrij beroep

 

Geldt ‘marginale toetsing’ ook voor de curator van een faillissement?

‘It’s complicated’

Er bestaat een consensus dat de rechter zich bij de toetsing van het gedrag van vennootschapsbestuurders terughoudend moet opstellen ten aanzien van gewone bestuursfouten. Vaak wordt gesteld dat de rechter de handelingen van de bestuurder slechts marginaal kan toetsen. Een marginale toetsing heeft tot gevolg dat alleen de gedragingen die kennelijk buiten de grenzen van een normaal handelen liggen als fout worden aangemerkt, in plaats dat de lichtste fout in aanmerking wordt genomen.  Het voorgenomen nieuwe wetboek van vennootschappen en verenigingen zal deze standaard codificeren voor bestuurders.

Marginale toetsing erkent de beleidsvrijheid van de bestuurder en wil voorkomen dat bestuurders uit vrees voor aansprakelijkheid bij elk mislukt project enkel risicoloze beslissingen nemen waardoor waardevolle projecten niet zouden worden gerealiseerd.

De vraag rijst of ook het gedrag van een curator “marginaal” moet worden getoetst. [1] Continue reading “Geldt ‘marginale toetsing’ ook voor de curator van een faillissement?”