‘Aandeelhouders van een bepaalde soort kunnen zich ertoe verbinden om een soortwijziging steeds goed te keuren (en aldus te verzaken aan hun recht op bescherming inzake soortwijziging)’

Disputatio, Leuven, donderdag 1 juni 2023

Dat soortvorming en -wijziging in het WVV een ‘hot topic’ is, werd de afgelopen jaren reeds duidelijk. Verschillende auteurs lieten al hun licht schijnen op deze materie (M. Wyckaert & H. De Wulf, “Effecten bij BV, NV en CV: categorieën, soorten, overdracht, uitgifte en inkoop”, in Het WVV doorgelicht, Mortsel, Intersentia, 2021, P77; F. Hellemans & T. Vos, “Spelen met stemrechten in de BV & NV”, in Themis 117 – Vennootschapsrecht, Brugge, die Keure, 2021, P95; C. Clottens, “Soortvorming en soortwijziging bij aandelen (en winstbewijzen) in de BV, NV en CV in Lessen na twee jaar WVV, Roularta Media Group, Roeselare, 2022, 277-329). Vorig jaar leidde het dispuut tussen Marieke Wyckaert en Hans De Wulf over soortvorming al tot interessante inzichten en intellectuele opwinding.

In de rechtsleer wordt het ruime toepassingsgebied van de procedure inzake soortwijziging vaak als problematisch aangemerkt. Zo bepalen de artikelen 5:102 en 7:155 WVV dat onder meer de uitgifte van een nieuwe soort, de afschaffing van een bestaande soort en de onevenredige uitgifte van nieuwe aandelen binnen elke soort, soortwijzigingen uitmaken die binnen het toepassingsgebied van de procedure vallen. Die procedure vereist onder meer binnen elke soort een aanwezigheidsquorum van 50% (op de eerste buitengewone algemene vergadering) en een meerderheid van 75%. Dit betekent dat een minderheid van aandeelhouders binnen elke soort een soortwijziging kan tegenhouden. De procedure inzake soortwijziging creëert dus een risico op blokkering. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat Clottens de volgende woorden schreef: “Wie vooruitziend is tracht soortvorming te vermijden” (“Soorten van aandelen in de NV en BV – Nood aan reparatie en gerichte versoepeling”, TRV-RPS 2022, (3) 4).

Voor zij die soortvorming willen gebruiken, moet de praktijk dus op zoek naar oplossingen om het risico op blokkering te vermijden. Eén van de oplossingen die in de praktijk worden gehanteerd bestaat erin dat aandeelhouders van een bepaalde soort er zich via een stemovereenkomst op voorhand toe verbinden om toekomstige soortwijzigingen steeds goed te keuren (zie T. Vos, “Kapitaalverhoging en soorten van aandelen”. Tegelijkertijd rijst in de praktijk de vraag naar de toelaatbaarheid van een dergelijke afspraak, mede gelet op het dwingende karakter van de procedure inzake soortwijziging.

Op de disputatio op 1 juni e.k. zullen Nick Hallemeesch (ULB, White & Case) en Carl Clottens (KU Leuven, Eubelius) de degens kruisen over de volgende stelling:

Aandeelhouders van een bepaalde soort kunnen zich ertoe verbinden om een soortwijziging steeds goed te keuren (en aldus te verzaken aan hun recht op bescherming inzake soortwijziging).

Continue reading “‘Aandeelhouders van een bepaalde soort kunnen zich ertoe verbinden om een soortwijziging steeds goed te keuren (en aldus te verzaken aan hun recht op bescherming inzake soortwijziging)’”

Afschaffing immuniteit uitvoeringsagent zou leiden tot nodeloze complexiteit

Nieuw boek en binnenkort online seminar

Het vigerende systeem van de immuniteit van de uitvoeringsagent kan worden samengevat in drie eenvoudige regels:

1.     De hoofdschuldeiser kan de hoofdschuldenaar contractueel aanspreken, waarbij de hoofdschuldenaar ‘kwalitatief aansprakelijk’ is voor uitvoeringsagenten (rechtspraak, nu gecodificeerd in art. 5.229 BW, waar echter opnieuw de terminologie hulppersonen wordt gebruikt).

2.     De hoofdschuldenaar kan een uitvoeringsagent contractueel aanspreken als die zijn opdracht niet goed heeft uitgevoerd.

3.     De hoofdschuldeiser heeft in beginsel geen contractuele noch een buitencontractuele vordering op de uitvoeringsagent.

Het wetsvoorstel hervorming van het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht (het “Wetsvoorstel”) wil zoals bekend deze immuniteit afschaffen. Het is de derde stap waar het Wetsvoorstel van wil afwijken door de hoofdschuldeiser toch een buitencontractuele vordering te geven. Zie eerder hier. Deze wijziging zou leiden tot nodeloze complicaties.

Complicatie 1: de uitvoeringsagent krijgt twee schuldeisers zonder voorrangsregel. In het systeem van het Wetsvoorstel kan de uitvoeringsagent voortaan door twee schuldeisers worden aangesproken: contractueel door zijn opdrachtgever, de hoofdschuldenaar, en buitencontractueel door de hoofdschuldeiser.

Continue reading “Afschaffing immuniteit uitvoeringsagent zou leiden tot nodeloze complexiteit”

De (on)zin van commerciële vs. particuliere schuldkwijtschelding

Over de aanmoediging van ondernemerschap als leitmotiv voor tweedekansbeleid – een post door gastblogger Gauthier Vandenbossche (UGent)

Niet alle EU-lidstaten behandelen ondernemers en consumenten op dezelfde manier wanneer het op tweedekansbeleid en schuldkwijtschelding aankomt. Zo maakt het Belgische insolventierecht, net zoals het Franse insolventierecht, een onderscheid tussen natuurlijke personen op basis van hun beroeps- of economische activiteit. Maar moet er op dat vlak wel een onderscheid gemaakt worden tussen natuurlijke personen? En kan een dergelijk onderscheid verantwoord worden op basis van de doelstelling van tweedekansbeleid en schuldkwijtschelding?

“Er kunnen vraagtekens worden gezet bij het verschil tussen de ‘risico-nemende’ ondernemer, voor wie een soepel tweedekansbeleid zou bestaan, en andere natuurlijke personen.”

Gauthier Vandenbossche

Continue reading “De (on)zin van commerciële vs. particuliere schuldkwijtschelding”

New FDI rules in the Benelux: a brief analysis from a Law and Economics perspective

A post by guest blogger Thomas Van Gerven (student, KU Leuven)

On November 30 2022, the Belgian federal government and the governments of the federated entities adopted the cooperation agreement on the Belgian foreign direct investment screening mechanism. The draft text has now been submitted to the various parliaments for approval and should enter into force on June 1, 2023. This adds Belgium to the list of EU Member States that have recently tightened their rules on foreign direct investment (FDI). Similarly, in mid-2022, the Dutch Chamber of Representatives adopted the Wet Vifo, establishing the new Dutch general (F)DI screening mechanism. Its entry into force is scheduled for early summer 2023.

As many have pointed out, the practical implications of these new FDI rules for mergers and acquisitions (M&A) in the Benelux can hardly be overstated. For one thing, FDI screening will affect the timetable of transactions. As with merger control, the deal will not be able to close prior to the green light from the respective screening authorities (i.e. the Interfederal Screening Committee for Belgium and the Investment Screening Office for the Netherlands). As important as these practical implications are, the tightening of FDI rules also raises more theoretical questions, that is, from a Law and Economics perspective.

Continue reading “New FDI rules in the Benelux: a brief analysis from a Law and Economics perspective”

Soortsplitsing: één jaar later

Symmetrische en asymmetrische soortsplitsing

Trouwe lezers van deze blog kennen het soortsplitsingsdebat: welke meerderheidsvereiste is van toepassing op de creatie van een nieuwe soort van aandelen in een BV of NV, wanneer dat gebeurt door aan sommige bestaande aandelen andere rechten toe te kennen dan voorheen, waardoor de bestaande aandelen in feite worden “gesplitst” in verschillende soorten. Met betrekking tot deze vraag kruisten Hans De Wulf en Marieke Wyckaert op 1 juni 2022 de degens op de Disputatio georganiseerd ter gelegenheid van het lustrum van deze blog. De problematiek was ook al eerder aangekaart in de rechtsleer,[1] en gaf ook nadien nog aanleiding tot blogposts van Jeroen Delvoie en van de disputanten zelf.[2]

Wie vandaag, nadat de geesten een jaartje hebben kunnen rijpen, de slides van de Disputatio en de inleidende tekst van moderator Tom Vos herleest, moet vaststellen dat de disputanten feitelijk in de val waren gelokt door hen te verzoeken om een erg verraderlijke stelling te bekampen. Die luidde: “een splitsing van een soort aandelen vereist altijd unanimiteit”. Wyckaert pleitte pro; De Wulf contra.

In een noot die recent verscheen in TBH,[3] verdedigde ik dat niet elke soortsplitsing unanimiteit vereist, maar sommige (allicht de meest voorkomende) wel. Er moet met name een onderscheid worden gemaakt naargelang de soortsplitsing louter de creatie van een nieuwe soort tot gevolg heeft, maar daarbij de geldende verhoudingen tussen de aandeelhouders ongemoeid laat, dan wel daarenboven die proportionaliteit wijzigt.

Continue reading “Soortsplitsing: één jaar later”

Uittredingsrechten bij implementatie Mobiliteitsrichtlijn: enkele aandachtspunten

Eén van de meest belangwekkende voorgestelde wijzigingen in het wetsvoorstel tot implementatie van de Mobiliteitsrichtlijn (zie voor een eerste analyse reeds de eerdere blogpost van Jasper Van Eetvelde) zijn de uittredingsrechten voor minderheidsaandeelhouders die niet instemmen met de grensoverschrijdende fusie, splitsing of omzetting. In een eerdere post besprak ik reeds enkele fundamentele bedenkingen bij uittredingsrechten voor minderheidsaandeelhouders. Deze post gaat op zijn beurt dieper in op de krachtlijnen van de voorgestelde uittredingsrechten in het wetsontwerp alsook op enkele procedurele aandachtspunten voor de minderheidsaandeelhouder (en diens adviseur) die er na implementatie gebruik van wenst te maken. Het is namelijk vooral de minderheidsaandeelhouder voor wie de vraag “should I stay or should I go” echt relevant is.

Continue reading “Uittredingsrechten bij implementatie Mobiliteitsrichtlijn: enkele aandachtspunten”

Over het rechtspersoonlijk publiciteitssysteem

Bekendmaking: een bijkomende voorwaarde voor tegenwerpelijkheid; geen voorwaarde voor bijkomende tegenwerpelijkheid

Het uitgangspunt in het gemeen vermogensrecht is dat een rechtshandeling in de regel tegenwerpelijk is aan derden louter door haar bestaan. De draagwijdte daarvan moet niet worden overschat. Derden moeten rekening houden met de goederenrechtelijke vermogenstoestand van hun tegenpartij zoals die volgt uit de betrokken rechtshandeling. Derden zijn uiteraard niet gehouden tot de verbintenissen volgend uit de rechtshandeling.

Naast de overdracht of vestiging van zakelijke rechten is tegenwerpelijkheid belangrijk voor twee andere vraagstukken: de bevoegdheid van vertegenwoordigers en de inhoud van onlichamelijke rechter zoals een aandeel. Grenzen aan de bevoegdheid van een vertegenwoordiger zijn in principe tegenwerpelijk aan derde. De inhoud van onlichamelijke rechten (bv. een schuldvordering op naam, een aandeel in een maatschap) heeft in beginsel ook zakelijke werking, wat betekent dat het tegenwerpelijk is aan derden.

Tegenwerpelijkheidsregels leggen een onderzoekslast op

In de praktijk betekent dit dat derden die zekerheid willen, de last dragen om een legitimatie te vragen van of te verifiëren bij de opdrachtgever (bij vertegenwoordiging), de schuldenaar (bij een schuldvordering op naam) of de emittent (bij aandelen). Een regel van tegenwerpelijkheid is daarmee een gedragsregel: het legt een last op om een bepaalde controle te doen. 

Continue reading “Over het rechtspersoonlijk publiciteitssysteem”

Cassatie over de bestuurder als onderneming: ‘je persiste et signe’

Cass. 9 februari 2023

Eerder besteedden we hier aandacht aan Cass. 18 maart 2022 dat stelde dat een bestuurder van een vennootschap slechts een onderneming in formele zin indien die bestuurder een ‘organisatie’ vormt. Die rechtspraak – hoewel sterk bekritiseerd door een meerderheid van de doctrine – wordt bevestigd door een (Franstalig) arrest van 9 februari 2023. Voor zover me bekend is er nog geen Nederlandstalige cassatie-rechtspraak hieromtrent.

Continue reading “Cassatie over de bestuurder als onderneming: ‘je persiste et signe’”

Hoofdelijkheid bij groepsvennootschappen: zo de lusten, zo de lasten

Een volkomen rechtspersoon wordt er niet minder volkomen op louter doordat hij in een groepsstructuur zit. Een groepsvennootschap met volkomen rechtspersoonlijkheid is dan ook in de regel niet aansprakelijk voor de schulden van andere groepsvennootschappen. Kredietgevers beperken daarom typisch het insolventierisico door meerdere groepsvennootschappen samen te doen instaan voor de terugbetaling ervan. Dat kan bijvoorbeeld door die vennootschappen zich hoofdelijk te doen verbinden.

Dat was ook het geval in een zaak waarover de Nederlandse Hoge Raad zich recent heeft gebogen. Een Nederlandse B.V. verbindt zich hoofdelijk voor kredieten van haar zustervennootschap. Daarop gaat de B.V. failliet. De curator betaalt het krediet voor een groot stuk terug aan de bank. De rest van het krediet lost de (niet-failliete) zustervennootschap zelf af. De curator van de B.V. neemt vervolgens regres op de zustervennootschap. De boedel heeft immers, zo verdedigt de curator, meer aan de bank betaald dan de B.V. diende bij te dragen in de interne verhouding met haar zustervennootschap.

De vraag is dan: wat is die interne verhouding?

Continue reading “Hoofdelijkheid bij groepsvennootschappen: zo de lusten, zo de lasten”

Kapitaalverhoging en soorten van aandelen

Problemen voor private equity en venture capital

Het is welbekend dat flexibilisering één van de krachtlijnen van het WVV was. Sinds het WVV bestaat er een bijna onbegrensde vrijheid in de BV en niet-genoteerde NV om af te wijken van de basisregels met betrekking tot de allocatie van stemrechten en vermogensrechten aan aandelen. Het is ook al opgemerkt dat dergelijk “spelen met stemrechten en vermogensrechten” aanleiding kan geven tot problemen door de strenge en breed toepasselijke procedure voor de wijziging van soortrechten (artikel 5:102 en 7:155 WVV).[1] Deze blogpost bekijkt deze problemen in wat meer detail voor kapitaalverhogingen in de private equity en venture capital context, en geeft ook een aantal mogelijke oplossingen onder het huidige Belgisch recht.

Continue reading “Kapitaalverhoging en soorten van aandelen”

Webinar-reeks ‘WVV Vraagstukken’

In deze webinar-reeks van KMO Campus stellen 7 academici en experts scherp op 5 actuele vraagstukken uit het vennootschapsrecht die de praktijk bezig houden, en brengen zij een analyse van de praktijkervaringen en adders onder het gras.

In de jaargang 2023 komen de volgende nieuwe onderwerpen aan bod:

Zie hier voor meer info en om in te schrijven.

The unfair terms prohibition in Article 5.52 of the new Civil Code and financial services in a B2B context: balancing fairness with legal certainty

A post by guest blogger Els Janssens (Linklaters)

The new Civil Code now contains a general prohibition on unfair terms in contracts. Before that, the B2B and B2C legislation had already introduced a similar prohibition, but financial services had been (partially) exempted. Such exemption for financial services, however, does not appear in the new Civil Code. This leaves the question as to what extent contracts on financial services (international corporate lending in particular) are now caught by the general prohibition on unfair terms in the new Civil Code.

This contribution looks into the arguments and attempts to create some clarity in a blurry picture.

Continue reading “The unfair terms prohibition in Article 5.52 of the new Civil Code and financial services in a B2B context: balancing fairness with legal certainty”

Tertium datur: ‘andere organisaties zonder rechtspersoonlijkheid’ in het Ontwerp Buitencontractueel Aansprakelijkheidsrecht

Het meest recente nummer van het TPR omvat een lijvig verslag van het rondetafelgesprek over de hervorming van het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht gehouden op 25 februari 2022 te Leuven. De levendige parlando-stijl van het verslag maakt het zeker de moeite waard om er in te grasduinen.

Een thema dat werd besproken is de rechtspersoon in het privaatrecht en het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht in het bijzonder. Het is zonder twijfel een grote verdienste van het ontwerp om ook de rechtspersoon expliciet in het buitencontracuteel aansprakelijkheidsrecht te betrekken. Ik zelf brak een lans om dit niet te beperken tot rechtspersonen (TPR 2022, p. 1162).

Commissielid Prof. Dr. Jeroen Delvoie erkende dat ook bij organisaties zonder rechtspersoonlijkheid aan rechtspersonen gelijkaardige toerekenings- en andere vragen stellen, maar dat dit ook via een interpretatie per analogie kan, zoals nu overigens gebeurt (TPR 2022, p. 1164-1165). Kamerlid Prof. Dr. Koen Geens sprak zijn voorkeur uit voor een expliciete verwijzing naar maatschappen en gelijkaardige organisaties (TPR 2022, p. 1166).

Hieronder licht ik toe waarom dit verkieslijk is en hoe dat – naar mijn mening met een zeer lichte penseelstreek – kan gebeuren.

Continue reading “Tertium datur: ‘andere organisaties zonder rechtspersoonlijkheid’ in het Ontwerp Buitencontractueel Aansprakelijkheidsrecht”

Het Grondwettelijk Hof en de bijzondere aansprakelijkheid wegens kennelijk grove fout bij faillissement

Grondwettelijk Hof: arrest nr. 152/2022 van 17 november 2022

De aansprakelijkheidsgrond voor de kennelijke grove fout die heeft bijgedragen tot het faillissement bevond zich vroeger in het vennootschapsrecht voor de BVBA, CVBA en NV (art. 265, 409 en 530 W.Venn.) en thans in het insolventierecht voor alle rechtspersonen en vennootschappen (art. XX.225 WER – zie hier over de IPR-motivatie voor deze verplaatsing – zie hier een cassatie-arrest over de bewijslast bij de uitzondering).

Onder het WER geldt er een uitzondering op deze aansprakelijkheidsgrond voor alle ‘kleine ondernemingen’ (zoals gedefinieerd in art. XX.225 § 2 WER). Dit is een herneming van de uitzondering die gold in art. 265 en 409 W.Venn. voor de BVBA en de CVBA. Voor de NV was onder het regime van het W.Venn., anders dan vandaag, géén carve-out voor ‘kleine NV’s’. Het oude recht blijft relevant voor de beoordeling van gedragingen die gebeurden vóór Boek XX WER op 1 mei 2018 van toepassing werd.

In een arrest van vorige week 17 november 2022 diende het Grondwettelijk Hof zich uit te spreken over de vraag of oud art. 530 W.Venn. het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel schendt in zoverre het niet voorziet in een uitsluiting van aansprakelijkheid voor de bestuurders van gefailleerde ‘kleine’ NV’s, terwijl die uitsluiting wel ten goede komt aan de zaakvoerders of bestuurders van gefailleerde kleine BVBA’s en CVBA’s.

Continue reading “Het Grondwettelijk Hof en de bijzondere aansprakelijkheid wegens kennelijk grove fout bij faillissement”

Boedelschulden – Grondwettelijk Hof over de behandeling van fiscale schulden ontstaan tijdens een gerechtelijke reorganisatieprocedure in een navolgende vereffening of faillissement

Het Grondwettelijk Hof heeft zich op 10 november 2022 uitgesproken over de vraag naar de bestaanbaarheid van artikel XX.58, tweede lid WER met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het dezelfde behandeling voorbehoudt aan, enerzijds, de schuldeiser wiens schuldvordering contractueel van aard is en beantwoordt aan prestaties die ten aanzien van de onderneming zijn verricht, en anderzijds aan de Belgische Staat, die houder is van een vordering inzake btw of bedrijfsvoorheffing. Volgens het Hof is de keuze van de Belgische wetgever om de fiscale schulden ontstaan tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie overeenkomstig artikel XX.58, tweede lid WER als boedelschulden te beschouwen in een navolgende procedure van vereffening, faillissement of verdeling bij overdracht onder gerechtelijk gezag, niet onverenigbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Continue readingBoedelschulden – Grondwettelijk Hof over de behandeling van fiscale schulden ontstaan tijdens een gerechtelijke reorganisatieprocedure in een navolgende vereffening of faillissement