Save the date: studieavond ‘grondige studie insolventierecht’ UA op 19 december 2018

Naar jaarlijkse traditie organiseren de studenten van de grondige studie insolventierecht aan de Universiteit Antwerpen opnieuw een studieavond, onder begeleiding van prof. dr. Stijn De Dier en prof. dr. Melissa Vanmeenen. Op de elfde editie van deze studieavond worden specifieke thema’s belicht binnen de wetgevende wijzigingen die het insolventierecht in 2018 heeft gekend.

De studieavond gaat door op woensdag 19 december 2018 om 19 u in aula R002 Stadscampus UA, Rodestraat 14, Antwerpen, gebouw R. Deelname is gratis en iedereen is welkom.

Een uitgebreider programma volgt na de selectie van studenten die hun essay mogen presenteren.

Het failliet van de vzw?

Een eerste empirisch onderzoek naar de invloed van Boek XX op VZW’s

Sinds 1 mei 2018 kunnen vzw’s, ivzw’s en stichtingen failliet gaan. Een kort empirisch onderzoek toont aan dat tussen 1 mei 2018 en 1 november 2018 72 vzw’s failliet werden verklaard.  Continue reading “Het failliet van de vzw?”

Immuniteit van de uitvoeringsagent, collectieve schade, afgeleide schade: meer insolventierecht dan verbintenissenrecht

De allocatieve functie van enkele verbintenisrechtelijke regels

De insolventiehypothese, samenloop of collectieve insolventieprocedures zijn in de Code civil opvallend nagenoeg afwezig. Insolventierecht is nochtans in het Belgische privaatrecht een onzichtbare kracht waarrond vele regels van vermogensrecht graviteren.  Het insolventierecht  legt de ware aard bloot van verbintenisrechtelijke figuren” zoals de immuniteit van de uitvoeringsagent of het onderscheid tussen afgeleide en persoonlijke schade. Deze regels vinden we in het verbintenissenrecht, maar ze hebben een belangrijke allocatieve functie bij de insolventie van een partij. Deze regels wijzen schulden en schuldvorderingen toe aan het vermogen van één rechtssubject, om te verhinderen dat de regels inzake de rangorde bij samenloop worden omzeild. Continue reading “Immuniteit van de uitvoeringsagent, collectieve schade, afgeleide schade: meer insolventierecht dan verbintenissenrecht”

Ontwerp-WVV goedgekeurd in Kamercommissie

De Kamercommissie Handelsrecht keurde vanmiddag, in tweede lezing, het ontwerp-WVV goed. Het ontwerp wordt nu dus voorgelegd aan de plenaire vergadering.

Intussen werden ook twee flankerende fiscale wetsontwerpen voorgelegd aan de Kamer (hier en hier).

De tijd zal het leren? Over de temporele werking van het nieuwe ondernemingsbewijs

Worden gevallen vóór 1 november 2018 beheerst door het burgerlijk bewijsrecht, vanaf 1 november 2018 beheerst door het ondernemingsbewijs?

Zoals intussen genoegzaam bekend, trad op 1 november 2018 de wet van 15 april 2018 tot hervorming van het ondernemingsrecht in werking, met alle gevolgen van dien. Het klassieke handelaarsbegrip verdween daarmee uit de Belgische rechtsorde en daarmee ook de rechtstak die bekend stond als het ‘handelsrecht’. De laatste overblijfselen van het Wetboek van Koophandel werden ten grave gedragen en het Wetboek van bepaalde voorrechten op zeeschepen en diverse bepalingen herrees uit de assen daarvan.

In een eerdere blogpost werd reeds ingegaan op één van de belangrijkste hervormingen die door de wet van 15 april 2018 werd aangebracht: de introductie van een nieuw ‘ondernemingsbewijsrecht’ in lieu van het voormalige bewijs in handelszaken.

Het is niet de bedoeling van deze blogpost om de materiële inhoud van het ondernemingsbewijsrecht (opnieuw) te bespreken, maar wel om in te gaan op een vraag waarmee heel wat praktizijnen ongetwijfeld zullen worden geconfronteerd, nl. naar de temporele werking van het nieuwe ondernemingsbewijs. Immers, naast een beperkt aantal inhoudelijke verschillen ten opzichte van het voormalige bewijs in handelszaken, wordt het ondernemingsbewijs vooral gekenmerkt door een breder toepassingsgebied dan haar ‘rechtsvoorganger’.

Zo kan de vraag rijzen naar de bewijsregeling die moet worden toegepast wanneer de rechter wordt geconfronteerd met een artsenbvba (wel onderneming, geen handelaar) die een factuur heeft ontvangen van een leverancier van kantoormateriaal (wel onderneming, wel handelaar), maar deze heeft niet heeft betaald en evenmin uitdrukkelijk geprotesteerd vóór 1 november 2018, maar waarvan de inning door de rechtbank wordt behandeld vanaf 1 november 2018. Kan bv. uit de afwezigheid van uitdrukkelijk protest vanwege de artsenbvba nu ook de stilzwijgende aanvaarding worden afgeleid, zoals voor handelaars voorheen ook het geval was? Continue reading “De tijd zal het leren? Over de temporele werking van het nieuwe ondernemingsbewijs”

Het Wetsontwerp Goederenrecht: samenloopbestendigheid van zakelijke rechten, het vermogen, kwaliteitsrekeningen, en de fiducie

Een post door gastblogger Sander Baeyens

Op 31 oktober 2018 heeft de regering het Wetsontwerp Goederenrecht (hierna: het Wetsontwerp) ingediend in de Kamer. De hervorming van het Goederenrecht maakt deel uit van de hercodificatie van het Burgerlijk Wetboek onder leiding van minister van Justitie Koen Geens en gecoördineerd door professoren Eric Dirix en Patrick Wéry. Specifiek voor het Goederenrecht werden professoren Vincent Sagaert en Pascale Lecocq aangesteld om de hervormingspen vast te houden.

In het kader van deze blog is het interessant om kort stil te staan bij enkele artikelen van het Wetsontwerp die betrekking hebben op het vermogen van de schuldenaar als verhaalsobject voor de schuldeisers enerzijds en de zakelijke werking van afspraken die de verhaalsrechten van de schuldeisers beperken anderzijds. Continue reading “Het Wetsontwerp Goederenrecht: samenloopbestendigheid van zakelijke rechten, het vermogen, kwaliteitsrekeningen, en de fiducie”

Het geslacht der engelen: over de toepassing van art. 518bis W.Venn. op het Directiecomité en/of de Regentenraad van de NBB

Een post door gastblogger Tina Coen (aspirant FWO, VUB)

  1. Het verkeerde geslacht van de heer Steven Vanackere

Het beroert ondertussen al meer dan een week de maatschappelijke en politieke gemoederen, maar heeft sinds het interview van prof. I. De Poorter op Radio 1 een juridisch staartje gekregen:

Miskent de benoeming van oud-Minister van Financiën Steven Vanackere als lid van het Directiecomité de verplichte aanwezigheid van beide geslachten in de raad van bestuur van effectengenoteerde naamloze vennootschappen (artikel 518bis W.Venn.)?

Voorliggend probleem overstijgt evenwel deze ene benoeming. Op dit ogenblik telt het Directiecomité van de NBB 7 leden, wat na de aanstaande pensionering van de gouverneur tot 6 wordt herleid. artikel 518bis W.Venn. eist echter dat minstens één derde (af te ronden naar het dichtstbijzijnde absolute cijfer) van dit bestuursorgaan uit vrouwen moet bestaan.

Vindt artikel 518bis W.Venn. effectief toepassing op de Nationale Bank van België (“NBB”), dan moet het Directiecomité niet één maar twee vrouwelijke leden moet tellen en was met de vervrouwelijking van (het mandaat dat afgelopen donderdag aan) de heer Vanackere (werd toegekend) het probleem slechts gedeeltelijk opgelost.

Voorts heeft de media enkel aandacht voor het Directiecomité, terwijl de samenstelling van de Regentenraad evengoed aan artikel 518bis W.Venn. moet worden getoetst. Onder zijn 18 leden (de gouverneur, 7 directeurs en 10 regenten), is slechts één vrouw. Vindt artikel 518bis W.Venn. toepassing, dan zijn ook nog eens vijf regenten van het “verkeerde” geslacht.

Tijd om even de juridische puntjes op de i te zetten, maar dat blijkt niet zo eenvoudig. Continue reading “Het geslacht der engelen: over de toepassing van art. 518bis W.Venn. op het Directiecomité en/of de Regentenraad van de NBB”

Tekst ontwerp-WVV zoals goedgekeurd in eerste lezing door Kamercommissie Handelsrecht

Op de webpagina van de Kamer verscheen de tekst van de artikelen zoals goedgekeurd in eerste lezing door de kamercommissie. Zie een eerdere post over de verdere  parlementaire procedure.

Bestuurdersaansprakelijkheid, ernstig verwijt en de Belgische cap (vanuit Nederlands perspectief)

Een post door gastblogger O. Oost (Erasmus Universiteit Rotterdam)

1.

Een van de meest interessante wijzigingen in de huidige herziening van het Belgische vennootschapsrecht is de invoering van een wettelijke cap op de bestuurdersaansprakelijkheid. Afhankelijk van de grootte van de bestuurde vennootschap kunnen bestuurders slechts voor een bepaald bedrag aansprakelijk worden gesteld, welk maximumbedrag oploopt van 250.000 euro bij ‘kleine’ vennootschappen tot 12 miljoen euro bij grote en belangrijke vennootschappen. Zie voor meer hierover de verschillende eerdere posts op het Corporate Finance Lab.

2.

Over het algemeen wordt wel aanvaard dat het handelen van vennootschapsbestuurders beperkt moet worden getoetst, omdat de rechter niet op de stoel van de bestuurder moet plaatsnemen. Anders gezegd: een bestuurder moet niet te snel aansprakelijk kunnen worden gesteld voor schade die de vennootschap aanricht. Vaak wordt daartoe voorzien in een beperkte (marginale) toetsing van bestuurlijk gedrag, of een verhoogde drempel voor aansprakelijkheid. Redenen daarvoor zijn de bestuursautonomie, de gevaren van hindsight bias en het voorkomen van te zeer risicomijdend gedrag van bestuurders. De bestuurder moet te goeder trouw kunnen ondernemen zonder angst voor aansprakelijkheid. De Rotterdamse hoogleraar Kroeze ging in zijn oratie getiteld Bange bestuurders (2005) uitgebreid op deze en andere argumenten voor een beperking van de bestuurdersaansprakelijkheid in. Een van de dragende argumenten voor de Belgische cap was de constatering dat het bestuurdersaansprakelijkheidsrecht in België ‘strenger’ is voor bestuurders dan in de omliggende landen, omdat bijvoorbeeld kennelijk geen business judgment rule geldt en geen ernstigverwijtmaatstaf, zoals in Nederland (waarop ik terugkom vanaf nr. 5). In die zin is de cap als een alternatief te beschouwen voor een marginale toets van bestuurshandelen of een hogere drempel voor aansprakelijkheid. Continue reading “Bestuurdersaansprakelijkheid, ernstig verwijt en de Belgische cap (vanuit Nederlands perspectief)”

Boekhoudplicht in het nieuwe ondernemingsrecht: KB van 21 oktober 2018 tot uitvoering van art. III.82 t.e.m. III.95 WER

In het Belgisch Staatsblad van 29 oktober j.l. verscheen het Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen III.82 tot en met III.95 van het wetboek van Economisch recht.  De strekking van dit KB wordt toegelicht in het Verslag aan de KoningContinue reading “Boekhoudplicht in het nieuwe ondernemingsrecht: KB van 21 oktober 2018 tot uitvoering van art. III.82 t.e.m. III.95 WER”

Hof van Cassatie: quasi-immuniteit bestuurder niet van toepassing bij bijzondere faillissements-aansprakelijkheid wegens kennelijk grove fout

Cass. 12 oktober 2018, C.17.0614.N/1

In een arrest van 12 oktober 2018 oordeelt het Hof van Cassatie dat een bestuurder van een gefailleerde vennootschap geen beroep kan doen op de regel van de quasi-immuniteit indien hij een kennelijk grove fout beging die heeft bijgedragen tot het faillissement. Daarmee bevestigt het Hof van Cassatie het oordeel van de appelrechters (Antwerpen 15 juni 2017, TRV-RPS 2018, 541, noot R. VERHEYDEN), zij het in andere bewoordingen. Continue reading “Hof van Cassatie: quasi-immuniteit bestuurder niet van toepassing bij bijzondere faillissements-aansprakelijkheid wegens kennelijk grove fout”

Faillissementsfraude: civiel recht brengt enig soelaas

In het meest recente nummer van De Juristenkrant stippen Frederik De Leo en Roel Verheyden de burgerrechtelijke middelen aan waarover de curator en individuele schuldeisers beschikken wanneer zij geconfronteerd worden met faillissementsfraude. De aanleiding daartoe is een recente Panoreportage, waarin de zogenaamde phoenixing-praktijk aan de kaak werd gesteld. De auteurs schrijven daarover het volgende: Continue reading “Faillissementsfraude: civiel recht brengt enig soelaas”

Het pharmakon-gehalte van het economisch recht

Meer en meer wordt het huidige, op kapitalistische leest geschoeide, economische systeem – waarin economische groei en winstbejag de voornaamste drijfveren van het economisch gebeuren blijven uitmaken – in vraag gesteld. Ideologen, sociologen, historici, psychologen en zelfs economen wijzen erop dat, zo we op een duurzame en vredige wijze verder willen samenleven op onze planeet, het dringend anders moet en ook kan. Zo maken o.a. de pollutie van de leefomgeving, de uitputting van de natuurlijke grondstoffen, de toenemende inkomens- en vermogensongelijkheid fundamentele problemen uit die dringend aangepakt moeten worden, willen we ons en onze nakomelingen een leefbare toekomst kunnen bieden.

Opvallend is dat in dit hele debat de juristen afwezig blijven. Nochtans vertaalt regelgeving de economische waarden die onze maatschappij schragen en bepaalt zij het kader waarbinnen de economische activiteit te voeren is. Juridische basisconcepten, zoals de fundamentele mensenrechten of de notie openbare orde, laten toe om dit kader verder in te vullen in functie van de gehanteerde waarden. Diverse juridische concepten en constructies, zoals de vrije mededinging en de vrijheid van ondernemen, overeenkomsten, rechtspersoonlijkheid, intellectuele rechten, zijn instrumenten die een centrale rol spelen in de organisatie van de economische activiteit.

Met een lezingenreeks wil de Vakgroep Privaat en Economisch Recht van de VUB deze juridische stilte doorbreken. Na een aantal interdisciplinaire uiteenzettingen die de maatschappelijke context kaderen, zullen vooraanstaande juristen een reeks bestaande rechtsfiguren onder de loep nemen. De bedoeling daarbij is na te gaan of en hoe deze rechtsfiguren, in hun huidige vorm, de gewijzigde ingesteldheid die noodzakelijk is voor een duurzame samenleving, kunnen schragen dan wel of zij hiertoe aan verandering toe zijn, omdat zij katalysatoren zijn voor excessen die de bovenvermelde fundamentele problemen kunnen verergeren. Daarbij zal worden aangegeven of en hoe deze rechtsfiguren in de praktijk al kunnen worden aangewend om duurzame economische activiteiten te garanderen.

Huil niet om het handelsrecht

Elegie voor een levende

Rond het ogenblik waarop deze blogpost verschijnt sluiten de griffies van de Belgische rechtbanken van koophandel voor altijd hun deuren.  Na Allerheiligen zullen de ondernemingsrechtbanken open gaan. Vannacht om middernacht verdwijnt het begrip ‘koopman’ uit het Belgisch recht en daarmee ook het handelsrecht.

Vergis u niet. Dit is de ultieme triomf van het handelsrecht. Het handelsrecht is niet overbodig geworden. Integendeel, het handelsrecht heeft gezegevierd en het burgerlijk recht overgenomen. Daarmee is het als aparte discipline niet meer nodig.  Continue reading “Huil niet om het handelsrecht”

Ook paulianeuze onrechtmatige daadsvordering ingesteld tijdens faillissement valt onder Brussel I-verordening

Conclusie van AG Bobek in de zaak C‑535/17

Op 18 oktober 2018 concludeerde de advocaat-generaal van het Hof van Justitie dat de Nederlandse Peeters/Gatzen-vordering, ingesteld in een geschil met een Belgische verweerder onder het toepassingsgebied van de Brussel I-verordening valt en dus niet onder de Insolventieverordening. Dit zou impliceren dat de rechterlijke bevoegdheid inzake de onrechtmatige daadsvordering ingesteld tijdens een faillissementsprocedure beheerst wordt door de regels van de Brussel I-verordening, die als centraal uitgangspunt de bevoegdheid van de lidstaat van de verweerder hanteert,  en dus niet door het recht van de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend.

De Peeters/Gatzen-vordering komt grosso modo overeen met de Belgisch vordering tot vergoeding van collectieve schade.

Continue reading “Ook paulianeuze onrechtmatige daadsvordering ingesteld tijdens faillissement valt onder Brussel I-verordening”