Aanstelling voorlopig bewindvoerder: een onderbenutte maatregel tegen frauduleus faillissement

Recent kwamen de gevolgen en werkwijze van frauduleuze faillissementen opnieuw in de publieke belangstelling.  In het recentste nummer van de Juristenkrant betoogt meester Vincent Verlaeckt dat er effectief middel bestaat tegen frauduleuze faillissementen en de gekende lege dozen: de (ambtshalve) aanstelling van een voorlopig bewindvoerder (artikel XX.32 WER).

Verlaeckt argumenteert dat door een tijdige ambtshalve interventie van de Voorzitter van de rechtbank van koophandel, enerzijds activa kunnen bewaard blijven die anders dreigen te verdwijnen op een bedrieglijke (of toch rangverstorende) manier en anderzijds insolvabele elementen sneller uit het handelsverkeer kunnen genomen worden, door een faillietverklaring op dagvaarding van de bewindvoerder.

Verlaeckt schrijft hierover over onder meer: Continue reading “Aanstelling voorlopig bewindvoerder: een onderbenutte maatregel tegen frauduleus faillissement”

Schuldeisers tegen uitkeringen en bevoordeling bij rechtspersonen

Lab rat Gillis Lindemans verdedigt op 29 oktober aan de KU Leuven zijn proefschrift: “Actio pauliana: remedie met toekomst voor schuldeisers van rechtspersonen”. Meer info vindt u hier. In deze post krijgt u alvast een voorsmaakje.

Als een schuldenaar zijn schuld niet betaalt, dan kan de schuldeiser beslag leggen op zijn goederen. Holt de schuldenaar zijn vermogen uit, dan dus ook het onderpand van zijn schuldeiser. De schuldeiser heeft daartegen een krachtige remedie: de actio pauliana. De schuldeiser kan daarmee rechtshandelingen aanvechten waarmee zijn schuldenaar hem bewust of bedrieglijk benadeelt.

Het lijkt daarbij van geen belang of de schuldenaar een natuurlijke persoon of een rechtspersoon is. Nochtans scheppen rechtspersonen een bijzonder risico.

Continue reading “Schuldeisers tegen uitkeringen en bevoordeling bij rechtspersonen”

Oplichting van aandeelhouders en schuldeisers: hebben zij individueel een vorderingsrecht?

R. Verheyden en J. Vananroye, “Ook een aandeelhouder mag oplichting persoonlijk nemen”, noot bij Cass. 25 januari 2017, RW 2018-19, 261-266

In het recentste nummer van het RW bespreken Roel Verheyden en Joeri Vananroye het arrest van het Hof van Cassatie van 25 januari 2017 over oplichting van aandeelhouders. Dit arrest werd begin februari 2017 reeds hier besproken.

Het betrokken arrest stelt dat oplichting door middel van listige kunstgrepen veronderstelt dat deze kunstgrepen bepalend moeten zijn voor de afgite of de levering van de zaak en dat zij in de regel eraan  voorafgaan. Feiten die zich voordoen na de afgifte of levering van de zaak, kunnen evenwel in aanmerking worden genomen als zij de bedrieglijke aard onthullen van de handelingen die gesteld werden vóór die afgifte of levering.

Verheyden en Vananroye schrijven hierover onder meer:  Continue reading “Oplichting van aandeelhouders en schuldeisers: hebben zij individueel een vorderingsrecht?”

Het hervormde ondernemingsbewijsrecht

Da capo

De Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht (de “Wet Hervorming Ondernemingsrecht”) doet precies wat er op het etiket staat, ze hervormt het ondernemingsrecht. Enkele uitzonderingen niet te na gesproken doet ze dit met ingang van 1 november 2018. Het onderdeel van de hervorming dat het voorwerp uitmaakt van deze korte blog post is het ondernemingsbewijsrecht. Het bewijsrecht wordt soms een beetje onderschat in tempore non suspectu, maar kan de beslissende horde vormen tussen gelijk hebben en gelijk krijgen.

De Wet Hervorming Ondernemingsrecht licht het ondernemingsbewijsrecht uit het Wetboek van koophandel. Titel III (Koopmansboeken) en Titel IV (Bewijs van handelsverbintenissen) van het Wetboek van Koophandel worden opgeheven. In ruil daarvoor krijgt het Burgerlijk Wetboek een nieuw artikel 1348bis. Dit artikel herneemt voor een groot deel bestaande principes en bepalingen, maar brengt ook interessante verduidelijkingen en afwijkingen aan. We bespreken hier een beperkte selectie van enkele in het oog springende wijzigingen. Voor een uitgebreide bespreking van alle wijzigingen verwelkomen we u graag op de studiedag over het nieuwe ondernemingsrecht waarnaar wordt verwezen onderaan deze blog post. Continue reading “Het hervormde ondernemingsbewijsrecht”

Impact van de afschaffing van het begrip handelaar op de onverenigbaarheden van vrije beroepers

Communicatie van het IBR

Op 1 november worden de noties ‘handelaar’, ‘koopman’ of ‘handelsvennootschap’ opgeheven. Art. 254 al. 1 van de Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht bevat in dit verband een legistieke “zoek-en-vervang”-bepaling: vanaf 1 november dienen in alle wetten in principe de begrippen ‘handelaar’ of ‘koopman’ in de zin van artikel 1 van het W.Kh. te worden gelezen als ‘onderneming’ in de zin van het gewijzigde art. I.1 WER.

Hierop voorziet het tweede lid van art. 254 een uitzondering: de Wet van 15 april 2018 laat de toepassing onverlet van wettelijke, reglementaire of deontologische bepalingen die met verwijzing naar ‘handelaar’, ‘koopman’ of afgeleide begrippen beperkingen opleggen aan de toegelaten activiteiten van gereglementeerde beroepen. Continue reading “Impact van de afschaffing van het begrip handelaar op de onverenigbaarheden van vrije beroepers”

De voorgestelde ‘cap’ op bestuursaansprakelijkheid: enkele in het oog springende discriminaties

Een ‘cap’ zou niet minder dan de preventieve en reparatieve functie van het ganse aansprakelijkheidsrecht ondergraven en zou daarom elke jurist moeten bezig houden.

De meest in het oog springende wijziging voorgesteld in het ontwerp-WVV is de invoering van een maximumbedrag voor bestuursaansprakelijkheid voor een feit of complex van feiten (de “cap“). Deze cap zou gelden voor elke interne en externe aansprakelijkheid (bv. art. 1382 BW), voor faillissementsaansprakelijkheid (ook bij kennelijk grove fout) en voor de burgerrechtelijke gevolgen van een misdrijf.  Ontwerp-artikel 2:56 VVV voorziet vier verschillende plafonds in functie van o.m. omzet en balanstotaal: 250.000 euro, 1 miljoen euro, 3 miljoen euro en 12 miljoen euro. Het laagste plafond uit het voorontwerp, 125.000 eur, werd geschrapt in het uiteindelijk wetsontwerp.

Deze bedragen gelden gezamenlijk voor alle leden van het bestuursorgaan, het orgaan van dagelijks bestuur en zelfs feitelijke bestuurders. Hierna spreken we eenvoudigheidshalve van ‘bestuurders’.

De cap is niet onomstreden (zie de eerdere bijdragen op deze blog hier). In deze post  bespreken we enkele verschillen in behandeling die bij goedkeuring van het wetsontwerp in het leven zouden worden geroepen. We gaan daarbij van eerder technisch naar meer fundamenteel: Continue reading “De voorgestelde ‘cap’ op bestuursaansprakelijkheid: enkele in het oog springende discriminaties”

Geschillen over transacties in aandelen of lidmaatschapsrechten nu ook voor ondernemingsrechtbank (art. 574, 1° Ger.W.)

De Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht, die op 1 november in werking zal treden, wil het economisch recht moderniseren. Dat gebeurt vooral door het aanknopingspunt voor dat economisch recht, met name het ondernemingsbegrip, uit te breiden. Een belangrijk spoor van die modernisering is de transitie van rechtbank van koophandel naar een echte ondernemingsrechtbank. Artikel 573, 1° Gerechtelijk Wetboek zal in de zeer nabije toekomst ook het formele ondernemingsbegrip hanteren, zoals dat nu reeds bestaat voor Boek XX WER. De Wet van 15 april 2018 neemt zo de draad op waar de Wet Natuurlijke Rechter (van 26 maart 2014) die had achtergelaten.

Schijnbaar minder aandacht gaat naar artikel 574,1° Gerechtelijk Wetboek, dat ook wordt gewijzigd. Die bepaling is nochtans lange tijd bepalend geweest voor de poging om de rechtbank van koophandel (soon to be: ondernemingsrechtbank) de natuurlijke rechter te maken voor het vennootschapscontentieux. Continue reading “Geschillen over transacties in aandelen of lidmaatschapsrechten nu ook voor ondernemingsrechtbank (art. 574, 1° Ger.W.)”

Corporate Finance Lab start derde jaar

580b585b2edbce24c47b27c1Corporate Finance Lab viert vandaag haar tweede verjaardag. Of ook: 380 posts door meer dan 30 auteurs, meer dan 200.000 views en bijna 75.000 bezoekers.

Tot de meeste gelezen posts van de afgelopen twee jaar behoren, in willekeurige volgorde:  Continue reading “Corporate Finance Lab start derde jaar”

Tweede advies Raad van State over ontwerp-WVV beschikbaar

Op de website van de Kamer verscheen het advies van de Raad van State van 13 september 2018 over het Wetsontwerp tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen. De bespreking van dit wetsontwerp staat op de agenda van de Kamercommissie Handelsrecht van 1 oktober 2018.

Dagvaardingen en groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid: let op uw woorden!

Een post door gastblogger Sven Sobrie

Een groepering zonder rechtspersoonlijkheid is als zodanig geen rechtssubject. Zij kan – behoudens wettelijke uitzonderingen – geen drager zijn van rechten en verplichtingen. Dat betekent evenwel niet dat een dergelijke groepering niet kan deelnemen aan het rechtsverkeer. Wél is daarvoor wat intellectuele gymnastiek vereist. In groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid is het niet de groepering als zodanig, maar zijn het de gezamenlijke leden, die titularis zijn van de rechten en verplichtingen van de groepering. Deelname aan het rechtsverkeer is dus perfect mogelijk, maar dan via het gezamenlijk optreden van de leden. Zo kan een werknemer geldig verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst met een feitelijke vereniging, begrepen als het geheel van haar leden.

Een dergelijk ‘collectief optreden’ neemt in de praktijk doorgaans de vorm aan van één lid (de voorzitter, de secretaris, de penningmeester, …) die rechtshandelingen stelt als vertegenwoordiger van de individuele leden. Op die manier hoeft niet elke muzikant zijn krabbel te zetten wanneer de lokale fanfare beslist om een nieuwe trommel te kopen. Een mandaat kan voorzien zijn in de statuten of kan ad hoc worden toegekend, uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend. Er kan zelfs sprake zijn van een schijnmandaat, indien aan alle voorwaarden daarvan is voldaan.

Procesrechtelijk gelden dezelfde principes. Een groepering zonder rechtspersoonlijkheid kan als eiser of verweerder een procedure voeren, al is het dan niet de groepering als zodanig, maar wel de individuele leden, die procespartij zijn. Opnieuw krijgt dat doorgaans praktische uitwerking via een of andere vorm van vertegenwoordiging. De rechtspraak toont zich daarbij – terecht – veeleer soepel: wie in het algemeen belast is met bestuur en vertegenwoordiging van de groepering wordt doorgaans ook bevoegd geacht om namens de leden qualitate qua een geding te voeren. Een uitdrukkelijke procesvolmacht is dus niet vereist.

Wel dient men op te letten bij de formulering van de gedinginleidende akte. Continue reading “Dagvaardingen en groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid: let op uw woorden!”

Over de gedeeltelijke kwijtschelding bij faillissement

Onderscheid tussen collectieve en individuele schade ook relevant bij kwijtschelding na faillissement

Kwijtschelding impliceert dat de gefailleerde natuurlijke persoon ten aanzien van de schuldeisers in beginsel wordt bevrijd van alle restschulden die bestaan bij de sluiting van het faillissement.  De kwijtschelding geldt niet voor (i) onderhoudsschulden van de gefailleerde en (ii) schulden voortvloeiend uit de verplichting tot herstel van de schade verbonden aan het overlijden of aan de aantasting van de lichamelijke integriteit van een persoon waaraan de gefailleerde schuld heeft (art. XX.173, §1 al. 2 WER).

Dit artikel vermeldt, anders dan bij de regels inzake vermindering of kwijtschelding bij een collectief akkoord (art. XX.73 WER) strafrechtelijke boetes niet. Art. 464/1 Sv bepaalt echter dat de kwijtschelding of vermindering van de straffen in het raam van een collectieve insolventieprocedure of burgerlijke beslagprocedure enkel kan worden toegestaan met toepassing van het koninklijk genaderecht.

Boedelschulden worden door de wetgever evenmin vermeld. Het Hof van Cassatie oordeelde onder het stelsel van de Faillissementswet dat de verschoonbaarheid niet van toepassing is op de boedelschulden (Cass. 5 oktober 2007, RW 2010-11, 381). Deze uitzondering geldt ook onder het stelsel van de kwijtschelding.

Na verzet door een belanghebbende kan kwijtschelding worden geweigerd, hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk. Dit laatste is nieuw. De mogelijkheid van gedeeltelijke kwijtschelding bij verzet van een derde-belanghebbende geeft de rechtbank de mogelijkheid om in grijstinten te schilderen i.p.v. het oude zwart/wit- regime van de verschoonbaarheid. Continue reading “Over de gedeeltelijke kwijtschelding bij faillissement”

De Smallsteps-zaak: meer dan een jaar later

Samenvattende bijdrage “Het stil faillissement na de Smallsteps-zaak: uit het oog, maar niet uit het hart” in TBH-RDC

Indien we via dit forum een wedstrijd zouden organiseren waarin we het meest spraakmakende insolventierechtelijke arrest van de voorbije twee jaar zouden verkiezen, dan zou het Smallsteps-arrest wellicht bijzonder hoog scoren. Het Smallsteps-arrest had immers tot gevolg dat het Belgische stil faillissement nooit verder is geraakt dan de parlementaire voorbereidingen (de geschrapte art. XX.33-34 WER). In de wandelgangen was dit arrest dan ook met enige regelmaat het geliefkoosde insolventie- én arbeidsrechtelijke onderwerp.

Opmerkelijk is evenwel dat die informele gesprekken de Belgische auteurs niet in beweging hebben gezet, althans niet in dezelfde mate als bij onze Noorderburen, waar volledige tijdschriftafleveringen en conferenties besteed werden/worden aan enkel en alleen (de gevolgen van) dit arrest (zie bv. het pre-packxit symposium te Groningen). In de Belgische doctrine beperken de sporen van dit “fossiel”, behoudens de enkele zeer lezenswaardige bijdragen van Roman Aydogdu (ULg, ULB)[1], zich voornamelijk tot kanttekeningen in bepaalde verslagboeken en een verkeerde nummering in een aantal concordantietabellen. De trouwe lezer van het Corporate Finance Lab werd daarnaast ten tijde van het verschijnen van dit arrest even bestookt met onze berichtgevingen (zie o.a. hier, hier, hier, hier en hier).

Mogelijk valt dit gebrek aan doctrinaire aandacht te verklaren doordat Continue reading “De Smallsteps-zaak: meer dan een jaar later”

In wiens belang moet het bestuur van een vennootschap/boedel handelen?

Frederik De Leo (KU Leuven, UHasselt) in het Tijdschrift voor Privaatrecht

In de meest recente aflevering van het Tijdschrift voor Privaatrecht gaat Frederik De Leo (KU Leuven, UHasselt) in op de aloude vraag in wiens belang het bestuur van een vennootschap moet handelen. Interessant is dat dit onderwerp in één adem behandeld wordt met het “boedelbelang”, momenteel nog een onderbelicht concept in de Belgische doctrine.

Na de vaststelling dat de huidige juridische doctrine in binnen- en buitenland niet in staat is om een éénduidig antwoord te geven op de centrale onderzoeksvraag, wordt ten rade gegaan bij verschillende rechtseconomische theorieën over vennootschappen én insolventieprocedures. Achtereenvolgens passeren de revue: de transactiekostentheorie, de contracttheorie, de eigendomstheorie, de agent-principaaltheorie, de law & finance literatuur, de teamproductietheorie, de creditors’ bargain theorie, de ruime contracttheorie, de complexe wanorde theorie, de teamproductietheorie en de expliciete waarden theorie.

Tijdens een kritische bespreking van voornoemde theorieën worden telkens de aanwezige bouwstenen geïdentificeerd die nodig zouden zijn om een uniforme theorie  over het vennootschaps- en boedelbelang vorm te geven. Vervolgens neemt de auteur de normatieve stelling in dat het bestuur van een vennootschap/boedel in het belang van de residuele economische eigenaars (residual owners) moet handelen. Dit rechtseconomisch begrip wordt in de bijdrage verder geconcretiseerd aan de hand van een glijdende schaal: Continue reading “In wiens belang moet het bestuur van een vennootschap/boedel handelen?”

9de Grote Prijs Jean Bastin 2019: de schulden en de solvabiliteit van Staten

Jean BastinHet Fonds Scientifique Jean Bastin ivzw zal de Prijs toekennen van een bedrag van 20.000 euro aan de auteur van het beste werk, uitgegeven na 1 januari 2016 of nog uit te geven, dat één van de volgende thema’s behandelt :

De schulden en de solvabiliteit van Staten:

  • De Staat in arbitrage: internationale handels- en investeringsarbitrage. Problematiek van de tenuitvoerlegging van veroordelingen ten laste van een Staat. Reikwijdte en beperking van de uitvoeringsimmuniteit. Remedies. Het vraagstuk over de tenuitvoerlegging en de post-arbitrale bemiddeling over het kwantum van de veroordeling.
  • De Staat-schuldenaar: de problematiek van aasgierfondsen, beschermende wetgeving. Schuldenmarkt. Forum shopping. Uitvoering van buitenlandse arbitrale beslissingen of vonnissen.
  • De failliete Staat: problematiek van de overheidsschulden. Plaatsing onder het toezicht van het IMF.

Continue reading “9de Grote Prijs Jean Bastin 2019: de schulden en de solvabiliteit van Staten”

Bestuursaansprakelijkheid bij het beheer van het vermogen van de onderneming-natuurlijke persoon

De weigering van kwijtschelding in het faillissementsrecht

Traditioneel wordt verondersteld dat burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor fouten in het beheer van het vermogen niets toevoegt bij een natuurlijke persoon. De natuurlijke persoon is immers sowieso onbeperkt aansprakelijk (art. 7 Hyp.W.). Bij een schuldenaar-natuurlijke persoon heeft het weinig zin om onrechtmatigheden die hebben bijgedragen tot de insolventie recht te zetten door middel van een aansprakelijkheidsvordering. Dat is als een hond die in zijn eigen staart wil bijten: de remedie wordt door de onrechtmatigheid zelf nutteloos gemaakt en verergert er zelfs de gevolgen van. Net daarom worden de organisatie van het bedrieglijk onvermogen (art. 490bis Sw.) en gelijkaardige faillissementsmisdrijven strafrechtelijk gesanctioneerd; het civielrechtelijke apparaat schrikt de natuurlijke persoon niet voldoende af. En daarom is de actio pauliana in de eerste plaats ontwikkeld als een zakenrechtelijke remedie: we maken het een probleem van een derde, waardoor het ex ante ook de schuldenaar intoomt.

Een verbintenisrechtelijke remedie wordt traditioneel dus echter niet nuttig geacht bij een natuurlijk persoon die onrechtmatig zijn schuldeisers heeft benadeeld. (Zie recent nog art. XX.224 WER dat natuurlijke personen uitsluit van de faillissementsaansprakelijkheden).

Met het systeem van de verschoonbaarheid/kwijtschelding, nog verstevigd door de uitbreiding van de goederen die van de boedel worden uitgesloten, gaat die veronderstelling evenwel niet langer op.

Deze figuren maken immers dat de natuurlijke persoon niet langer instaat met alle huidige en toekomstige goederen. Kwijtschelding en uitsluiting van goederen zorgen voor een beschot in zijn vermogen. Dit beschot maakt ‘aansprakelijkheid’ als sanctie tegelijk nodig en nuttig. Weigering van kwijtschelding doorbreekt dit beschot, net zoals bestuursaansprakelijkheid het beschot tussen eigen vermogen en vennootschapsvermogen doorbreekt. De gehele of gedeeltelijke weigering van kwijtschelding is daarmee voor een natuurlijke persoon wat bestuursaansprakelijkheid is voor een vennootschapsbestuurder.  Continue reading “Bestuursaansprakelijkheid bij het beheer van het vermogen van de onderneming-natuurlijke persoon”