‘Belangeloosleid’ in de private stichting: “haas ik doop u vis”

Art. 27 V&S-Wet als voorbeeld van hoe non-profits niet geregeld moet worden

In de VZW wordt het winstuitkeringsverbod negatief bepaald: de vereniging mag geen “stoffelijke voordelen aan haar leden […] verschaffen” (art. 1 en 27 V&S-Wet). Voor een stichting kon deze negatieve omschrijving niet worden gecalqueerd: in een stichting zijn er immers geen leden.

Huidig art. 27 V&S-Wet lostte dit probleem op door uitkeringen toe te laten voor zover die kaderen in de verwezenlijking van het belangeloos doel. Het stichtingsvermogen moet worden “aangewend ter verwezenlijking van een bepaald belangeloos doel” (art. 27 al. 1 V&S-Wet).

“Belangeloos” werd bij de omschrijving van het doel echter erg werd uitgerekt opdat elke stichting, ook één die werd opgericht in het belang van de stichter zelf of van een kleine kring, eronder zou vallen.  Continue reading “‘Belangeloosleid’ in de private stichting: “haas ik doop u vis””

De onverdeeldheid: een morsig geregelde organisatievorm

Een troebele poel gevoed door meerdere bronnen

Een vorige post ging over de onverdeelde nalatenschap als organisatievorm. De goederen van een onverdeelde nalatenschap vormen een boedel. De onverdeelde boedel (ook ‘boedelgemeenschap’) moet onderscheiden worden van de onverdeelde zaak (ook ‘zaaksgemeenschap’). Dit onderscheid verklaart een reeks belangrijke rechtsgevolgen. Onbelicht in de klassieke Frans/Belgische traditie, kreeg dit onderscheid in de Belgische doctrine slechts recent de aandacht die het verdient.[1] Continue reading “De onverdeeldheid: een morsig geregelde organisatievorm”

De onverdeelde nalatenschap is een afgescheiden vermogen

Een olifant in de kamer van het Belgisch privaatrecht

Vermogensafscheiding kreeg in mijn eigen Leuvense rechtenopleiding een centrale plaats doorheen het curriculum. In het licht van de recente aandacht van Anglo-Amerikaanse law & economics-auteurs (denk: Hansmann, Kraakman, Armour, …) voor entity shielding (vermogensafscheiding, dus) als een essentieel en onvervangbaar kenmerk van vennootschapsrecht, was dit een benadering die haar tijd vooruit was.

Ook familiaal vermogensrecht en erfrecht kregen een belangrijke plaatst in die opleiding. Toch heb ik nooit gehoord dat de onverdeelde nalatenschapschap een afgescheiden vermogen was. Gezien de gezonde obsessie voor afgescheiden vermogens liet dit stilzwijgen geloven dat de onverdeelde nalatenschap dan ook géén afgescheiden vermogen was.

Deze gevolgtrekking was fout:  de onverdeelde nalatenschap vormt wel degelijk een afgescheiden vermogen.[1] Continue reading “De onverdeelde nalatenschap is een afgescheiden vermogen”

Ook dwang moet dwingend zijn. De werkelijke zetel als schuldeisersbescherming.

In twee vorige posts belichtten we de bescheiden maar onderschatte verdiensten van een lompe inbrengverplichting als het minimumkapitaal. Deze of elke andere regel de de negatieve aspecten van beperkte aansprakelijkheid wil mitigeren is echter weinig zinvol als door rechtskeuze deze regel kan ontweken. Continue reading “Ook dwang moet dwingend zijn. De werkelijke zetel als schuldeisersbescherming.”

De stichtingen in België – rapport 2017

De stichting bezet een bijzondere plaats in het Belgische organisatierecht. Het is een rechtspersoon, met bijhorend vermogen, doch zonder leden of vennoten. De stichting mag geen stoffelijk voordeel verschaffen aan de stichters, de bestuurders, of enig ander persoon, behalve, in dit laatste geval, indien dit kadert in de verwezenlijking van het belangeloos doel. Een onderscheid wordt gemaakt tussen de (erkende) “stichting van openbaar nut” en de “private stichting”. Stichtingen kunnen dienen tot filantropische doeleinden (bv. bescherming van een kwetsbare persoon), maar evenzeer een economische rol vervullen (bv. certificatie van vennootschapseffecten).

Continue reading “De stichtingen in België – rapport 2017”

Are “common rules for all corporate forms” desirable or feasible?

Book II of the Belgian Company Code and the dangers of recycling antique legislative material

1.

Art. 1832 – 1873  of the Code civil (Title IX of Book III) dealt with the “contract of partnership” (du contrat de société). The articles outlined the rules for the unincorporated partnership.

In Belgium this type of partnership is currently known as “société de droit common” or “maatschap”. Continue reading “Are “common rules for all corporate forms” desirable or feasible?”

Morele wezens en wetsontduikende monniken

Een longread in kerstsfeer over de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid

Wetsontduikende witheren

2 mei 1845. In Averbode wisselt de Norbertijn Jan-Zacharie Carleer, provisor van de Abdij, het tijdelijke voor het eeuwige. Zoals dat hoort bij een overleden geestelijke zijn er geen kinderen of  langstlevende echtgenoot noch andere reservataire erfgenamen. Bij testament had Carleer een andere Norbertijn van dezelfde abdij als algemeen erfgenaam aangesteld.

Er duikt echter een minder piëteitsvolle neef op, Jean-François Mertens, die de geldigheid van het legaat aanvecht en de erfenis opeist. Continue reading “Morele wezens en wetsontduikende monniken”

Organisational contracts: rethinking the European paradigm

Contract law is out of touch, scholars argue – but why? A post by guest blogger Joeri De Smet

1.

Arguably, contracts are quintessential in the operation of the modern economy. Scholarly attention across many disciplines accordingly is abundant. In law as well, contracts are amply studied. Most of the work on contracts, however, remains doctrinal, discovering developments and trends within the current system of current law. In Belgium, this system has not fundamentally changed for the last two hundred years, but even on the European level, contract law seldom undergoes radical changes. Over the course of time, parties in a contract build up a common interest, a “going concern value”. In European contract law, there are insufficient safeguards to protect this value. Concerning the performance of obligations, parties are only required to do just that, not to cooperate, and there is no general system to adapt existing provisions to previously unknown circumstances. Concerning termination, there is no way for a party to leave the contractual framework without destroying it (through resolution or unilateral notice), along with its going concern value Some scholars are trying to move beyond this frame of reference and argue that current contract law is not adapted to real-life economic needs. They propose a new outlook on contract law, under the umbrella of organisational contracts. In this contribution, I briefly define and set out the key elements of what is understood as an organisational contract. Continue reading “Organisational contracts: rethinking the European paradigm”

Do ‘Centros’ and ‘Inspire Art’ apply to trusts?

Trusts and the freedom of establishment: a bad marriage?

In a previous post we tackled the question whether the common law trust may be regarded as a ‘legal entity’. We concluded that this was rather doubtful.

Nevertheless, in the Olsen-case (7 July 2014), to which we referred in our earlier blogpost, the EFTA-Court ruled that a trust, as an entity, may fall within the scope of Articles 31 and 40 of the Agreement on the European Economic Area (‘EEA-Agreement’). The practical consequence of this ruling was that trusts may come under the scope of the so-called freedom of establishment and the free movement of capital in the EEA (and therefore also in the EU).   Continue reading “Do ‘Centros’ and ‘Inspire Art’ apply to trusts?”

Cass. 21 oktober 2016: een beding van aanwas is geen verboden beding over een toekomstige nalatenschap

Regels rond conventionele (familiale) onverdeeldheid volgen steeds meer die van maatschap

1.

Een dame  had met haar toenmalige partner  in 2000 een woning aankocht te Mortsel. Beiden kochten dit pand aan in “onderverdeeldheid met een beding van aanwas voor het vruchtgebruik op de onverdeelde helft van de overledene, op voorwaarde van blijvend samenwonen tot aan het vooroverlijden”. De partner overleed in 2009. De dame dagvaardt in 2011 de dochter van haar overleden partner (en diens enige reservataire erfgenaam) ten einde te horen zeggen voor recht dat zij het volledige vruchtgebruik heeft op het onroerend goed. De dochter vorderde de nietigheid of niet-tegenwerpelijkheid van het beding van aanwas en vorderde verder de verdeling van de onverdeeldheden. Continue reading “Cass. 21 oktober 2016: een beding van aanwas is geen verboden beding over een toekomstige nalatenschap”

Rechtspersoonlijkheid voor robots?

robot

Volgens sommige voorspellingen zullen 1/3 van de bestaande jobs in 2025 uitgeoefend worden door robots. Deze voorspelling voor de nabije toekomst stelt het recht voor uitdagingen die niet langer als science fiction afgedaan kunnen worden. Een belangrijke vraag in dit verband betreft het juridische statuut van robots. Continue reading “Rechtspersoonlijkheid voor robots?”

An ‘entity’ or not an ‘entity’, that is the question.

Is the common law trust an ‘entity’ on the same footing as a legal person?

In a seminal case regarding trust matters, the Court of Justice of the European Free Trade Association (‘EFTA Court’) has ruled in Olsen (7 July 2014) that a trust, as a form of establishment, may fall within the scope of articles 31 and 40 of the Agreement on the European Economic Area (‘EEA Agreement’). Continue reading “An ‘entity’ or not an ‘entity’, that is the question.”

De stichting: het ideale middel om goederen te ‘beschermen’ tegen schuldeisers?

Hoge Raad brengt in herinnering hoe een stichting gebruikt kan worden om schuldeisers te benadelen.  

Een stichting laat toe om een goed in een afgescheiden vermogen onder te brengen. Dat impliceert dat de schuldeisers van de begunstigden van de stichting de stichtingsgoederen niet kunnen uitwinnen. Evenmin hebben ze makkelijke opties om het stichtingsvermogen open te breken door een ontbindingsvordering. Continue reading “De stichting: het ideale middel om goederen te ‘beschermen’ tegen schuldeisers?”

De promotor van een vennootschap in oprichting: een trustachtige figuur?

Cassatie: beslag door persoonlijke schuldeiser van de promotor vervalt bij overname van het beslagen goed door de opgerichte vennootschap

Een vennootschap met rechtspersoonlijkheid die nog niet is opgericht, kan toch vertegenwoordigd worden door een promotor. De verbintenissen én de rechten volgend uit deze rechtshandelingen zijn passiva en activa van de promotor tot en indien de vennootschap overneemt. Indien binnen de wettelijke termijnen de vennootschap rechtspersoonlijkheid verwerft en die verbintenis overneemt wordt, in de woorden van art. 60 W.Venn., “de verbintenis geacht van het begin af door de vennootschap te zijn aangegaan”.

Art. 60 W.Venn. spreekt enkel over de passiefzijde (“de verbintenissen”). De overname met retroactief effect (“van het begin af”) geldt echter ook voor de actiefzijde van de handelingen die door de promotor q.q. werden gesteld, bv. een goed namens de vennootschap in oprichting gekocht.

Wat nu als ná de aankoop maar vóór de overname een persoonlijke schuldeiser van de promotor beslag legt op dit goed? Continue reading “De promotor van een vennootschap in oprichting: een trustachtige figuur?”

Moeder Overste en het Ménage à Trois

Rede plechtige openingsconferentie Balie te Leuven (7 okt. 2016)

“Let’s make love”, een filmkomedie uit 1960 met Marilyn Monroe en Yves Montand, werd in België op de markt gebracht onder de titel “De Miljardair”. Aan het begin van deze film wordt de rijkdom van het hoofdpersonage als volgt verklaard:

“he was the kind of man who could form a syndicate in an empty room.”

Een syndicaat in een lege kamer. Het illustreert hoe bijzonder het is om de vennootschap, een samenwerkingsvorm, te gebruiken met maar één vennoot.

Traditioneel is het vennootschapsrecht polygaam: Continue reading “Moeder Overste en het Ménage à Trois”