Hoe vlak is het speelveld tussen vennootschappen en verenigingen?

Is er nood aan oprichtersaansprakelijkheid in een VZW?

De VZW was volgens art. 1 al. 3 VZW-Wet een vereniging “welke niet nijverheids- of handelszaken drijft”.  Art. 1 al. 3 VZW-Wet was eigenaardig descriptief geformuleerd. Dit moest ondanks die formulering als een verbod worden gelezen.

Het WVV herneemt deze beperking niet langer voor VZW’s. Deze post argumenteert dat dit een goede zaak is, maar stelt de vraag of het vennootschapsrecht, anders dan het ondernemingsrecht, de consequenties van deze keuze wel heeft doorgetrokken. Continue reading “Hoe vlak is het speelveld tussen vennootschappen en verenigingen?”

Over trans-vennootschappen en cis-verenigingen

Omnis definitio in jure civili periculosa est

In een vorige post haalden we reeds de definities van “vennootschap” en “vereniging” in het WVV aan. Deze definities bepalen wat een organisatie die voor een van deze vormen heeft gekozen kan en/of moet doen. Daarmee verschillen ze van de gebruikelijke functie van een juridische definitie die meestal een toepassingsgebied wil afbakenen.

Opvallend aan deze definities is de normatieve hooi die op de legistieke vork wordt genomen. De definities proberen in twee korte artikelen meerdere doelstellingen tegelijkertijd te bereiken:

(1) Er wordt één uitkeringscriterium opgelegd dat tegelijk zegt wat een vennootschap moet doen en oplegt wat een vereniging niet mag doen.

(2) Datzelfde uitkeringscriterium geldt zowel voor eigenlijke uitkeringen als voor onrechtstreekse vermogensvoordelen.

(3) Met één criterium (belangeloos doel) wordt opgelegd wat de doelstelling van een VZW zelf moet zijn en de norm waaraan eventuele uitkeringen door een VZW moeten aan voldoen.

In deze post willen we aantonen dat deze legistieke spaarzaamheid nut onwenselijke gevolgen heeft . Continue reading “Over trans-vennootschappen en cis-verenigingen”

Definities in het WVV: enkele afgegrensde beschouwingen

Omnis definitio in jure civili periculosa est

1.

Een definitie in het recht heeft meestal als functie het toepassingsgebied van een regel af te grenzen. Indien een bepaalde feitenconstellatie onder de definitie valt, wordt er een kwalificatie opgeplakt met bepaalde rechtsgevolgen als consequentie. Roekeloos rijgedrag, wordt gekwalificeerd als een onrechtmatige daad met als gevolg een schadevergoedingsplicht voor schade veroorzaakt door dat gedrag. Wie als natuurlijke persoon zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent, wordt gekwalificeerd als onderneming met een inschrijvingsplicht in het KBO of een boekhoudplicht als gevolg. 

2.

De definities van een vennootschap of vereniging in het WVV hebben deze gebruikelijke functie niét: Continue reading “Definities in het WVV: enkele afgegrensde beschouwingen”

Ongemene reflecties over gemene bepalingen

Boek 2 WVV

Een wetgever die alle vennootschappen, stichtingen en verenigingen in één wetboek wil regelen zou vele “gemene” regels kunnen bedenken: gemeen aan alle vormen, gemeen aan alle rechtspersonen, gemeen aan alle vennootschappen, gemeen aan alle non-profits (verenigingen en stichtingen), gemeen aan alle verenigingen (met en zonder rechtspersoonlijkheid), gemeen aan alle vormen zonder rechtspersoonlijkheid (maatschap en feitelijke vereniging), gemeen aan alle vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (met bv. een gemene liquiditeitstest), gemeen aan alle entiteiten met beperkte aansprakelijkheid (met bv. gemene bepalingen rond startvermogen), gemeen aan alle vennootschapsvormen met/zonder vrije overdraagbaarheid van aandelen, … Het WVV zet vooral in op regels gemeen aan alle rechtspersonen (Boek 2). Deze post gaat in op de voorgeschiedenis hiervan, de praktische inzet en de wenselijkheid van deze keuze.

*     *
*

Continue reading “Ongemene reflecties over gemene bepalingen”

Zal het insolventierecht de wereld redden?

“Over de schutting” | Oratie gehouden op 1 april 2019 te Leiden ter gelegenheid van de TPR Wisselleerstoel (8)

Eerdere posts schonken aandacht aan enkele technologieën om de scherpe kantjes van afgescheiden vermogen en beperkte aansprakelijkheid af te vijlen: publiciteit, en uitkeringsverplichtingen, uitkeringsbeperkingentoerekeningsregels voor vennootschapsschuldenbestuursaansprakelijkheid.

Deze technologieën staan onder druk. Het internationaalrechtelijk aanknopingspunt voor deze regels wordt immers in belangrijke mate bepaald door het het toepasselijke vennootschapsrecht: de lex societatis. In België gold dat je het toepasselijk vennootschapsrecht niet vrij kan kiezen: je moet het recht kiezen van het economische zwaartepunt van de vennootschap, de werkelijke zetel. Vanuit het idee dat de rechtspersoon in belangrijke mate een figuur met derdenwerking is, vind ik het geen gek idee dat de insiders niet totaal vrij kunnen kiezen. Bij een contract ligt vrije keuze voor de hand; bij figuren met derdenwerking dringt een objectieve aanknopingsfacor zich op. In het goederenrecht is dit de lex rei sitae, de plaats waar een zaak zich werkelijk bevindt, in het vennootschapsrecht is dat de werkelijke zetel. De keuze om vrij het toepasselijk recht te kiezen voor figuren die tegenwerpelijk zijn aan derden wordt in The Code of Capital van Pistor terecht als zeer problematisch beschreven. Continue reading “Zal het insolventierecht de wereld redden?”

Onbekwaamheid van een maat en de wetgever: het bizarre gewijzigde art. 2003 BW over het einde van de lastgeving

De burgerlijke maatschap opnieuw ingevoerd in art. 2003 BW?

Misschien bekruipt u soms het gevoel dat u niet meer kan volgen met de snelle wetgevende evoluties? Als het een troost kan wezen: de wetgever zelf volgt ook niet altijd.

Sinds de Wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen betreffende justitie verwijst art. 2003 BW – bepaling over het einde van de lastgeving – naar de “burgerlijke maatschap”. Diezelfde burgerlijke maatschap was door diezelfde wetgever acht maanden eerder afgeschaft door de Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht, in werking getreden op 1 november 2018. En dit is dan nog niet eens het ergste dat er mis is met deze nieuwe bepaling. Continue reading “Onbekwaamheid van een maat en de wetgever: het bizarre gewijzigde art. 2003 BW over het einde van de lastgeving”

Wie onderneemt onder het mom van een spookvennootschap is persoonlijk aansprakelijk

Cassatie 28 september 2018 (C.18.0044.N)

Een arrest van het Hof van Cassatie van 28 september 2018 (C.18.0044.N) stelt in het licht dat wie handel drijft in naam van een vennootschap die niet (meer) bestaat, uiteraard zelf aansprakelijk is voor de verbintenissen van die vennootschap.

Misschien niet helemaal toevallig ging het om een Centros-bijkantoor, een Engelse Limited met een Belgisch bijkantoor en louter een brievenbus in het Verenigd Koninkrijk. Naar Engels recht was deze vennootschap na ontbinding opgehouden te bestaan.  Deze beslissing, ook gepubliceerd in nr. 5 van de lopende jaargang van het RW, luidt als volgt: Continue reading “Wie onderneemt onder het mom van een spookvennootschap is persoonlijk aansprakelijk”

Over de nettoactief- en liquiditeitstest

Technische nota’s IBR inzake de nettoactief- en de liquiditeitstest

Het DNA van een vennootschap met volkomen rechtspersoonlijkheid bestaat uit afgescheiden vermogen en beperkte aansprakelijkheid. Door afgescheiden vermogen krijgen vennootschapsschuldeisers een exclusieve aanspraak op de activa van de vennootschap. Door beperkte aansprakelijkheid hebben die vennootschapsschuldeisers geen aanspraak op de persoonlijke activa van de aandeelhouders.

Een uitkering aan de aandeelhouders maakt van een vennootschapsactief een persoonlijk actief van de schuldeisers. Door een uitkering kruipen de aandeelhouders vóór de vennootschapsschuldeisers en ontkomen ze aan hun achtergestelde positie. Dit verrast des te meer omdat de beslissing tot uitkering toekomt aan die aandeelhouders zelf (dan wel in sommige gevallen aan het bestuur aangesteld door die aandeelhouders). 

In het privaatrecht is er een gezonde regel Nemo liberalis nisi liberatus. Vertaald: je kan maar geschenken beginnen uit te delen als je schuldeisers zijn voldaan. Continue reading “Over de nettoactief- en liquiditeitstest”

‘Sometimes you need to talk to a three year old so you can understand life again’

Third anniversary of Corporate Finance Lab

Corporate Finance Lab celebrates today its third anniversary with a legacy of more than 500 posts.  For what it is worth, the most-read posts of all-time are:

In English:

In Dutch: 
Continue reading “‘Sometimes you need to talk to a three year old so you can understand life again’”

The Code of Capital: How the Law Creates Wealth and Inequality 

KU Leuven Campus Brussels | Monday 4 November 2019

9780691178974Professor Katharina Pistor (Columbia Law School) presents on Monday 4 November 2019 in Brussels her book The Code of Capital on how the law shapes the distribution of wealth.

This book develops i.a. the topics which Professor Pistor touched upon in her Heremans Lectures as Global Law Professor at the KU Leuven in 2016.

“This is a fascinating book that demonstrates how the rights of capital have been entrenched in the international legal system. The Code of Capital opens the way for a thoughtful discussion about the treaties on capital flows and privileges that need to be rewritten. A must-read.”

Thomas Piketty

Programme

16.30: Welcome by Professor Dirk Heremans (emeritus KU Leuven)

16.40: Lecture by Professor Katharina Pistor (Columbia Law School)

17.40: Belgian responses by

  • Professor Koen Geens (KU Leuven and Minister of Justice of Belgium)
  • Professor Ludo Cornelis (emeritus VUB)
  • Professor Joeri Vananroye (KU Leuven)

18.10: Q&A

18.30: End

Venue Continue reading “The Code of Capital: How the Law Creates Wealth and Inequality “

Worden niet-urgente vragen om een vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek dringend?

Het vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek onder het WVV

Het vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek van art. 168 W.Venn. is geschreven als een procedure ten gronde.

Het vennootschapsrechtelijk onderzoek in het WVV verwijst daarentegen expliciet naar de procedure in kort geding. Zie bv. voor de BV art. 5:106.

“Op verzoek van één of meer aandeelhouders die aandelen bezitten die ten minste 10 % vertegenwoordigen van het aantal uitgegeven aandelen kan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank, in kort geding één of meer deskundigen aanstellen []”.

 Deze wijziging beslecht drie twistpunten maar roept er één nieuw op. Continue reading “Worden niet-urgente vragen om een vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek dringend?”

`Corporate social responsibility´ voorbij de mooie woorden

“Over de schutting” | Oratie gehouden op 1 april 2019 te Leiden ter gelegenheid van de TPR Wisselleerstoel (7)

In eerdere posts bespraken we enkele technieken die beperkte aansprakelijkheid en vermogensafscheiding voor de rechtsorde verteerbaar maken. De vierde techniek is misschien wel de meest miskende: bestuursaansprakelijkheid.

Aansprakelijkheid van bestuurders wordt meestal gezien als een remedie in het belangenconflict tussen aandeelhouders en bestuurders. Toch heeft bestuursaansprakelijkheid ook en vooral een derdenbeschermende functie. Dit is krachtige remedie: in het goederenrecht is het onbekend dat een zakelijk recht zich keert tegen de rechthebbende. Hier wordt zeer duidelijk wat het voordeel is om het afgescheiden vermogen te personifiëren: het krijgt een eigen belang en eigen ius standi, waardoor het zich tegen de eigenaars kan keren.

Dat is duidelijk bij de externe bestuursaansprakelijkheid van bestuurders jegens individuele slachtoffers van een onrechtmatige daad. De omstandigheid dat de aansprakelijkheid ook wordt toegerekend aan een rechtspersoon ontheft de bestuurder niet van eigen aansprakelijkheid. Dit is een belangrijke rem op moral hazard en het opportunistisch spelen met vermogenssplitsing.

Ook interne bestuursaansprakelijkheid, de aansprakelijkheid jegens de rechtspersoon zelf, beschermt externen. Als ik dit poneer slaan collega’s wel eens zuchtend de ogen ten hemel, verwonderd om zoveel onbegrip. Continue reading “`Corporate social responsibility´ voorbij de mooie woorden”

‘Schuldeiser & Rechtspersoon’: de onderschatte rol van de pauliana in het vennootschapsrecht

G. Lindemans, Schuldeiser & Rechtspersoon: actio pauliana en aansprakelijkheid wegens ongeoorloofde benadeling van schuldeisers van vennootschappen en verenigingen, Intersentia, 2019, xx + 596 blz.

Schuldeiser & Rechtspersoon van dr. Gillis Lindemans zal voor de komende decennia het standaardwerk in België over de actio pauliana vormen. In het vennootschapsrecht en daarbuiten. Maar voor vele andere thema’s zal de praktijk en de doctrine hier niet omheen kunnen: toerekening van kennis, hindsight bias, corporate opportunities, groepsfinanciering, feniksvennootschappen, wrongful trading, kredietaansprakelijkheid, aandeelhoudersfinanciering,et j’en passe.

Indien een handeling de verhaalsmogelijkheden van de schuldeisers benadeelt, kan die handeling worden aangevochten door middel van de pauliaanse vordering (art. 1167 BW en art. XX.114 WER). Indien een actio pauliana gegrond wordt verklaard, bestaat de sanctie in de niet-tegenwerpelijkheid van de aangevochten rechtshandeling aan de benadeelde schuldeiser. De optredende schuldeiser moet geen rekening houden met de aangevochten rechtshandeling; hij kan uitvoeren op het vermogen van de schuldenaar, alsof het goed dat het voorwerp vormde van de benadelende rechtshandeling nooit het vermogen van de schuldenaar heeft verlaten. De actio pauliana stelt door middel van een ex post remedie een grens aan de vrije beschikkingsbevoegdheid van de eigenaar. Vanuit een ex ante perspectief geeft de pauliaanse vordering gestalte aan de zorgplichten die een eigenaar in acht dient te nemen ten aanzien van zijn schuldeisers.

In zijn weldra bij Intersentia verkrijgbare Schuldeisers & Rechtspersoon: actio pauliana en aansprakelijkheid wegens ongeoorloofde benadeling van schuldeisers van vennootschappen en verenigingen illustreert Dr. Gillis Lindemans (KU Leuven, advocaat Quinz) overtuigend dat die zorgplichten groter zijn bij het beheer van het vermogen van een rechtspersoon dan bij dat van een natuurlijke persoon. Continue reading “‘Schuldeiser & Rechtspersoon’: de onderschatte rol van de pauliana in het vennootschapsrecht”

Het lijden van de scheidende vennoot

Het scheidingsaandeel in CV en BV onder het WVV: ook aanvullend recht is bindend

In het editoriaal van het recentste nummer (2019/3, p. 343 e.v.) van het Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht bespreek ik de positie van de persoonlijke schuldeisers van een aandeelhouder als ondergeschoven kind van het vennootschapsrecht.

Het schoolvoorbeeld van een vennootschap is de beursgenoteerde vennootschap met één handelsfonds en ettelijke aandeelhouders. In zo’n voorbeeld is het evident dat de belangen van een persoonlijke schuldeiser van een vennoot weinig gewicht krijgen vergeleken met de voordelen van vermogensafscheiding en bescherming tegen vereffening. Bovendien worden de belangen van die schuldeiser gediend door de mogelijkheid van beslag op aandelen, waarbij er een reële markt bestaat. In de echte wereld wordt de vennootschapsvorm in veel andere contexten gebruikt, waar de positie van de persoonlijke schuldeiser problematischer wordt. Ze zijn de dan de schuldeisers van de holdingmaatschappij bekeken vanuit de dochtervennootschap waar de inkomsten binnenkomen; de schuldeisers van de familie die haar vermogen in een patrimoniumvennootschap heeft gestopt; of de schuldeisers van de ondernemer die haar ganse professionele activiteit via een eenpersoonsvennootschap uitoefent. Hun positie werd terecht bestempeld als de meest miskende uitdaging voor het organisatierecht (H. Hansmann, R. Kraakman en R. Squire, “Law and the rise of the firm”, Harvard Law Review 2006, 1403).

Eén van de in het editoriaal besproken regels is de berekening van het scheidingsaandeel  bij een uittreding uit een CV. Die mogelijkheid kan ook statutair worden voorzien in een BV. Hier verrast de nieuwe regel van aanvullend recht. Continue reading “Het lijden van de scheidende vennoot”

Wanneer zijn maten verplicht zich in te schrijven in de KBO?

Kort antwoord: nooit voor de activiteit van de maatschap

Eén van de nieuwigheden van de Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht, was dat ook maatschappen inschrijvingsplichtig werden. Maatschappen zijn immers een “organisatie zonder rechtspersoonlijk” in de zin van art. I.1, 1° eerste lid (c)  WER en vallen wegens hun uitkeringsoogmerk niet onder de uitsluiting van (c) van het tweede lid (a).

Zulke organisaties zijn op grond van art. III.49 § 1 WER inschrijvingsplichting indien ze zijn opricht naar Belgisch recht (1°) of in België beschikken over een zetel, een bijkantoor of een vestigingseenheid (2°).

Let op : de trigger voor de inschrijvingsplicht is niet de kwalificatie als maatschap, laat staan de door de vennoten zelf gekozen benaming van hun samenwerking. Het volstaat dus uiteraard niet om het samenwerkingsverband een andere kwalificatie te geven om aan inschrijvingsplicht te ontsnappen. Zelfs al zou een rechter die alternatieve kwalificatie volgen, dan sluit dit niet uit dat er sprake kan zijn van een “organisatie zonder rechtspersoonlijkheid.”

Er bestaat wat onduidelijkheid over de draagwijdte van de inschrijvingsplicht. Geldt de inschrijvingsplicht vanof oprichting, naar analogie voor wat geldt bij rechtspersonen? Of: geldt de inschrijvingsplicht enkel voorafgaand aan het aanvatten van activiteiten, naar analogie voor wat geldt bij natuurlijke personen? Dit kwam eerder hier aan bod, maar is niet het onderwerp van deze post. Deze post behandelt de vraag: gegeven dat een maatschap inschrijvingsplichtig is, zijn ook de maten zelf inschrijvingsplichtig? Continue reading “Wanneer zijn maten verplicht zich in te schrijven in de KBO?”