Reparatie WVV en omzetting Aandeelhoudersrichtlijn

Op de website van de Kamer verscheen een Wetsvoorstel met omzetting van de Aandeelhoudersrichtlijn en met  verbeteringen aan het WVV en aanverwante wetten.

Over de nettoactief- en liquiditeitstest

Technische nota’s IBR inzake de nettoactief- en de liquiditeitstest

Het DNA van een vennootschap met volkomen rechtspersoonlijkheid bestaat uit afgescheiden vermogen en beperkte aansprakelijkheid. Door afgescheiden vermogen krijgen vennootschapsschuldeisers een exclusieve aanspraak op de activa van de vennootschap. Door beperkte aansprakelijkheid hebben die vennootschapsschuldeisers geen aanspraak op de persoonlijke activa van de aandeelhouders.

Een uitkering aan de aandeelhouders maakt van een vennootschapsactief een persoonlijk actief van de schuldeisers. Door een uitkering kruipen de aandeelhouders vóór de vennootschapsschuldeisers en ontkomen ze aan hun achtergestelde positie. Dit verrast des te meer omdat de beslissing tot uitkering toekomt aan die aandeelhouders zelf (dan wel in sommige gevallen aan het bestuur aangesteld door die aandeelhouders). 

In het privaatrecht is er een gezonde regel Nemo liberalis nisi liberatus. Vertaald: je kan maar geschenken beginnen uit te delen als je schuldeisers zijn voldaan. Continue reading “Over de nettoactief- en liquiditeitstest”

De alarmbelprocedure in het WVV: hoe en waarom nu weer precies?

Een post door gastblogger Lize Van Looy

Geen enkele wet kan voorkomen dat vennootschappen blootgesteld worden aan het ondernemingsrisico en verliezen zullen lijden, ook niet het WVV. Toch kunnen de aantastingen van het vennootschapsvermogen dermate vergaand zijn dat de continuïteit van de vennootschap in gevaar komt. In dat kader schrijft de Belgische wetgever de toepassing van de fameuze alarmbelprocedure voor. Een ex post beschermingsmaatregel die erop gericht is om het bestuursorgaan aan het denken te zetten over de toekomst van de verlieslatende vennootschap.

Wanneer trekt het bestuursorgaan aan de alarmbel?

De alarmbelprocedure werd in het WVV grotendeels behouden, met het verschil dat het moment waarop de alarmbel geluid moet worden, anders wordt ingevuld. Deze aanpassing was noodzakelijk gezien de afschaffing van het kapitaal in de BV. Voor de nieuwe invulling zocht men aansluiting bij een andere nieuwigheid van het WVV: de dubbele uitkeringstest. Continue reading “De alarmbelprocedure in het WVV: hoe en waarom nu weer precies?”

TRV-RPS-prijs: voordrachten vóór 30 november 2019

TRV-RPS : Revue pratique des sociétés - Tijdschrift voor Rechtspersoon en Vennootschap logoDe TRV-RPS-prijs wordt in maart 2020 voor de elfde keer uitgereikt.

Deze prijs beloont de beste meesterproef over vennootschapsrecht, financieel recht of vennootschapsbelastingrecht. De meesterproef dient voor publicatie in aanmerking te komen, en moet zijn tot stand gekomen in het kader van een (aanvullende) opleiding tot meester in de rechten aan een Belgische universiteit of georganiseerd in samenwerking met een Belgische universiteit.

De prijs bestaat uit een bedrag van EUR 1.500 en uit de publicatie (van een conform de richtlijnen van de redactie herwerkte en geüpdatete versie) in het TRV-RPS.

Kandidaten kunnen worden voorgedragen worden door hun promotor vóór 30-11-2019 bij het redactiesecretariaat (jasper.vaneetvelde@kuleuven.be of alice.hannouille@uclouvain.be).

Kan het WVV worden toegepast vóór het van toepassing is?

Volgens antwoord op parlementaire vraag: ‘ja’

‘Oude’ vennootschappen kunnen vóór 1 januari 2020 vrijwillig kiezen voor de toepassing van het WVV. Voor de werking in de tijd van deze opt-in koos art. 39 van de Invoeringswet van 23 maart 2019 voor een regime dat afwijkt van het gemeen recht inzake vennootschapsbesluiten. In het gemeen recht is de publicatie van het besluit enkel relevant voor de tegenwerpelijkheid aan derden, zonder dat publicatie een voorwaarde is voor het verbindend karakter van dit besluit. De Invoeringswet maakt de toepassing van het WVV conform het besluit tot opt-in afhankelijk van de publicatie. Zie hierover elders hier en hier.

In een antwoord op een schriftelijke vraag van mevr. Leen Dierick (CD&V) geeft de minister van justitie een creatieve interpretatie die de regel terug doet aansluiten bij het gemeen recht, waar publicatie enkel een derdenbeschermende functie heeft.

Vraag:

“Het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen trad op 1 mei 2019 in werking. Voor een op 1 mei 2019 bestaande vennootschap of vereniging is het Wetboek voor het eerst van toepassing op 1 januari 2020. Bestaande vennootschappen en verenigingen kunnen echter beslissen om de bepalingen van het Wetboek toe te passen voor 1 januari 2020 (de opt-in). Deze beslissing vereist een statutenwijziging. Kan men na een opt-in waartoe een buitengewone algemene vergadering zou beslissen, overeenkomstig de door het Wetboek van vennootschappen voor statutenwijzigingen voorgeschreven vereisten, op andere punten statutenwijzigingen doorvoeren overeenkomstig de bepalingen van het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen onder de opschortende voorwaarde van de publicatie van de beslissing tot opt-in?”

Antwoord: Continue reading “Kan het WVV worden toegepast vóór het van toepassing is?”

Cash pooling voor beginners

Gecentraliseerd thesauriebeheer van vennootschapsgroepen: de basics

Cash pooling is een vorm van gecentraliseerd thesauriebeheer van vennootschapsgroepen. Er bestaan twee vormen van cash pooling: notionele cash pooling en fysieke cash pooling. Deze vormen worden vaak met elkaar gecombineerd.

Notionele cash pooling is in essentie een manier om de rentelast van de vennootschapsgroep te drukken. De debet- en creditstanden van de zichtrekeningen van de deelnemende vennootschappen worden virtueel met elkaar gecompenseerd. Vervolgens worden de aan of door de bank verschuldigde debet- of creditinteresten op deze nettobasis berekend. Dit is goedkoper voor de vennootschapsgroep dan het betalen en ontvangen van debet- respectievelijk creditinteresten op afzonderlijke basis. Debetrentes zijn immers veel hoger dan creditrentes. In tegenstelling tot bij fysieke cash pooling, gebeuren er bij notionele cash pooling geen daadwerkelijke geldoverdrachten. Hierna wordt enkel ingegaan op fysieke cash pooling.

Fysieke cash pooling is in essentie een geautomatiseerd systeem van intra-groepsleningen.[1] Het is een contractueel mechanisme dat een daadwerkelijke, periodieke en automatische overdracht van giraal geld bewerkstelligt tussen, enerzijds, de rekeningen van de deelnemende groepsvennootschappen en, anderzijds, een centrale rekening die wordt beheerd door de moedervennootschap of een beheervennootschap die deel uitmaakt van dezelfde vennootschapsgroep.[2] Deze overdracht wordt ook ‘nivellering’ genoemd. Tussen de deelnemende vennootschappen onderling vinden er geen rechtstreekse geldoverdrachten plaats. De beheerder van de centrale rekening, zij het de moedervennootschap of een andere groepsvennootschap, wordt hierna de “centraliserende vennootschap” genoemd. Continue reading “Cash pooling voor beginners”

Het Wetboek van vennootschappen en verenigingen: (r)evolutie ?

cover boek

 

Over het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (en stichtingen) is al heel wat goede rechtsleer verschenen. Aan de steeds uitdijende bibliotheek kan een nieuw boek toegevoegd worden. De fine fleur van de Belgische specialisten hebben het WVV geanalyseerd en hun bevindingen gebundeld in een boek dat zonet verschenen is bij Larcier (de bijdragen werden eerder reeds gepubliceerd in de bijzondere nummers 9 en 10 van jaargang 2018 TBH/RDC, vanzelfsprekend na stemming van de wet van 23 maart 2019 door de Kamer). Continue reading “Het Wetboek van vennootschappen en verenigingen: (r)evolutie ?”

Nieuw economisch recht in B2B relaties: mededinging, misbruik van economische afhankelijkheid, onrechtmatige bedingen en oneerlijke handelspraktijken

Studiemiddag KU Leuven | 17 oktober 2019

Eerder schreef hier Professor Evelyne Terryn over de verregaande inperking van de contractsvrijheid in de “B2B”-context: door de Wet van 4 april 2019:

“Tot hiertoe liet het Belgisch recht enkel een controle toe van onrechtmatige bedingen in overeenkomsten tussen ondernemingen en consumenten. Na de inwerkingtreding van de nieuwe wet, zullen de rechters ook controle kunnen uitoefenen over overeenkomsten tussen ondernemingen.

De regeling krijgt een bijzonder ruim toepassingsgebied. Het gaat om alle overeenkomsten tussen ondernemingen (in de ruime zin van Boek VI). Er is geen beperking wat de grootte van de ondernemingen betreft. Alleen voor ‘financiële diensten’ en voor ‘overheidsopdrachten en contracten die daaruit voortvloeien’ geldt een uitzondering.  Men kan zich afvragen of en hoe dit onderscheid te rechtvaardigen valt. Kernbedingen blijven uitgezonderd van controle maar alleen als ze ‘duidelijk en begrijpelijk’ zijn opgesteld. Anders dan bijv. in Nederland, is de Belgische regeling evenmin beperkt tot standaardcontracten.

De controle zal gebeuren aan de hand van een ‘zwarte’ lijst (in alle omstandigheden onrechtmatig) van vier clausules; een ‘grijze’ lijst (vermoeden van onrechtmatigheid) van acht clausules en een algemene norm die, net als bij consumenten, bedingen verbiedt die, ‘alleen of in samenhang met één of meer andere bedingen, een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van de partijen’.  Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de omstandigheden bij het sluiten van het contract, de algemene economie van het contract, ‘alle geldende handelsgebruiken’ en de andere bedingen van het contract of een samenhangend contract. Ook de duidelijkheid en begrijpelijkheid is een element bij de beoordeling.

Net als in de B2C verhouding, bestaat de sanctie ook hier uit de nietigheid van de clausule. Het gaat in de regel om een partiële nietigheid. Enkel indien de overeenkomst zonder deze clausule niet kan voortbestaan, kan de nietigheid van een clausule leiden tot de nietigheid van de volledige overeenkomst.

De invulling van dergelijke algemene norm in een B2B context zal allicht aanleiding geven tot discussie en clausules die onrechtmatig zijn in een B2C context kunnen niet zonder meer onrechtmatig worden bevonden in een B2B context.”

Over deze verboden bedingen, maar ook over misbruik van economisch afhankelijkheid,  de nieuwe regels inzake marktpraktijken en de nieuwe regels inzake handhaving van het mededingingsrecht (Wet van 2 mei 2019) organiseert de KU Leuven op 17 oktober 2019 een studiemiddag: Continue reading “Nieuw economisch recht in B2B relaties: mededinging, misbruik van economische afhankelijkheid, onrechtmatige bedingen en oneerlijke handelspraktijken”

Moet een tijdelijke maatschap van aannemers zich inschrijven in het KBO vóór de gunning van een opdracht?

Commissie voor Justitie van woensdag 18 september 2019 – namiddag

Sinds de inwerkingtreding van de Wet Hervorming Ondernemingsrecht moeten maatschappen zich in principe inschrijven in het KBO. In de Commissie voor Justitie van 18 september j.l. kreeg Vice-Premier Koen Geens de kans om de draagwijdte van deze inschrijvingsplicht te verduidelijken (zie Integraal Verslag):

“04.01  Egbert Lachaert (Open Vld): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, mijn vraag betreft een interpretatiekwestie bij de hervorming van het vennootschapsrecht, waarbij het aantal vennootschapsvormen werd verminderd. Wij weten dat in de bouwsector regelmatig de vennootschapsvorm tijdelijke handelsvennootschap werd aangewend, terwijl nu de vennootschapsvorm tijdelijke maatschap moet worden gebruikt.

Mijnheer de minister, u las wellicht de schriftelijke versie van mijn vraag. Mijn concrete vraag is wanneer precies de activiteiten kunnen aanvangen conform het Wetboek van economisch recht, aangezien men zich dan moet inschrijven in de KBO. Inzake de tijdelijke maatschappen, voorheen tijdelijke handelsvennootschappen, heerst er momenteel inderdaad wat onduidelijkheid omtrent de aanvang van de activiteiten. Is dat zodra men daadwerkelijk activiteiten start inzake uitvoering van bouwwerken of is dat, volgens een tweede interpretatie, bij de aanvang van de voorbereidende werkzaamheden om eventueel in te schrijven voor een dergelijk project?

Als de tweede interpretatie geldt, dan betekent dit dat er heel wat administratieve plichtplegingen moeten gebeuren in de KBO en de boekhouding, terwijl men niet eens zeker is dat de maatschap later effectief een reële activiteit zal ontwikkelen. Vandaar het gevoel van onduidelijk dat op dat vlak heerst in de sector.

Wat is volgens u de aanvang van activiteiten van een tijdelijke maatschap in dit soort scenario’s? Continue reading “Moet een tijdelijke maatschap van aannemers zich inschrijven in het KBO vóór de gunning van een opdracht?”

Zijn vennootschapsbestuurders ook ondernemingen?

A. Van Hoe en N. Appermont, “Iedereen onderneming: wat met vennootschapsbestuurders?”, TBH/RDC 2019, 494-503.

Sinds de inwerkingtreding van het nieuwe ondernemingsrecht op 1 november 2018 heeft het de Belgische wetgever het verouderde handelaarsbegrip definitief ten grave gedragen en vervangen door een meer hedendaags ondernemingsbegrip. Enkele maanden vóór datum trad overigens ook het nieuwe insolventierecht (Boek XX WER) in werking. De gevolgen voor de rechtspraktijk zijn groot.

In de kielzog van deze wetgevende omwenteling rijzen echter verschillende vragen. Eén van deze vragen betreft de positie van de vennootschapsbestuurder[1] binnen het nieuwe ondernemingsrecht. Is de vennootschapsbestuurder ook een onderneming? En welke juridische gevolgen zou het kleven van het juridisch etiket op het voorhoofd van de vennootschapsbestuurder hebben? Kan een vennootschapsbestuurder dan ook failliet worden verklaard? Deze vragen hebben inmiddels reeds aanleiding gegeven tot uiteenlopende rechtspraak.[2]

Belang

Het antwoord op deze vragen is voor de rechtspraktijk niet zonder belang. Hoewel men op het eerste gezicht zou kunnen denken dat een vennootschapsbestuurder het faillissement te allen prijzen zou willen vermijden, gaat deze redenering in de brave new world van het ondernemingsrecht niet meer steeds op. Continue reading “Zijn vennootschapsbestuurders ook ondernemingen?”

Worden niet-urgente vragen om een vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek dringend?

Het vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek onder het WVV

Het vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek van art. 168 W.Venn. is geschreven als een procedure ten gronde.

Het vennootschapsrechtelijk onderzoek in het WVV verwijst daarentegen expliciet naar de procedure in kort geding. Zie bv. voor de BV art. 5:106.

“Op verzoek van één of meer aandeelhouders die aandelen bezitten die ten minste 10 % vertegenwoordigen van het aantal uitgegeven aandelen kan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank, in kort geding één of meer deskundigen aanstellen []”.

 Deze wijziging beslecht drie twistpunten maar roept er één nieuw op. Continue reading “Worden niet-urgente vragen om een vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek dringend?”

`Corporate social responsibility´ voorbij de mooie woorden

“Over de schutting” | Oratie gehouden op 1 april 2019 te Leiden ter gelegenheid van de TPR Wisselleerstoel (7)

In eerdere posts bespraken we enkele technieken die beperkte aansprakelijkheid en vermogensafscheiding voor de rechtsorde verteerbaar maken. De vierde techniek is misschien wel de meest miskende: bestuursaansprakelijkheid.

Aansprakelijkheid van bestuurders wordt meestal gezien als een remedie in het belangenconflict tussen aandeelhouders en bestuurders. Toch heeft bestuursaansprakelijkheid ook en vooral een derdenbeschermende functie. Dit is krachtige remedie: in het goederenrecht is het onbekend dat een zakelijk recht zich keert tegen de rechthebbende. Hier wordt zeer duidelijk wat het voordeel is om het afgescheiden vermogen te personifiëren: het krijgt een eigen belang en eigen ius standi, waardoor het zich tegen de eigenaars kan keren.

Dat is duidelijk bij de externe bestuursaansprakelijkheid van bestuurders jegens individuele slachtoffers van een onrechtmatige daad. De omstandigheid dat de aansprakelijkheid ook wordt toegerekend aan een rechtspersoon ontheft de bestuurder niet van eigen aansprakelijkheid. Dit is een belangrijke rem op moral hazard en het opportunistisch spelen met vermogenssplitsing.

Ook interne bestuursaansprakelijkheid, de aansprakelijkheid jegens de rechtspersoon zelf, beschermt externen. Als ik dit poneer slaan collega’s wel eens zuchtend de ogen ten hemel, verwonderd om zoveel onbegrip. Continue reading “`Corporate social responsibility´ voorbij de mooie woorden”

De maatschap: enkele praktische knelpunten na ruim 2000 jaar

Studienamiddag donderdag 24 oktober 2019, KU Leuven Campus Brussel (Leerstoel Constant Matheeussen)

De maatschap is onze oudste vennootschapsvorm en nog steeds de vennootschap ‘van gemeen recht’. Zij is polyvalent, flexibel, discreet, fiscaalvriendelijk en daarom vooral  sinds de jaren ’90 een zeer ‘gewild’ instrument van successieplanning.

Maar blijft dit wel zo?

Continue reading “De maatschap: enkele praktische knelpunten na ruim 2000 jaar”

‘Schuldeiser & Rechtspersoon’: de onderschatte rol van de pauliana in het vennootschapsrecht

G. Lindemans, Schuldeiser & Rechtspersoon: actio pauliana en aansprakelijkheid wegens ongeoorloofde benadeling van schuldeisers van vennootschappen en verenigingen, Intersentia, 2019, xx + 596 blz.

Schuldeiser & Rechtspersoon van dr. Gillis Lindemans zal voor de komende decennia het standaardwerk in België over de actio pauliana vormen. In het vennootschapsrecht en daarbuiten. Maar voor vele andere thema’s zal de praktijk en de doctrine hier niet omheen kunnen: toerekening van kennis, hindsight bias, corporate opportunities, groepsfinanciering, feniksvennootschappen, wrongful trading, kredietaansprakelijkheid, aandeelhoudersfinanciering,et j’en passe.

Indien een handeling de verhaalsmogelijkheden van de schuldeisers benadeelt, kan die handeling worden aangevochten door middel van de pauliaanse vordering (art. 1167 BW en art. XX.114 WER). Indien een actio pauliana gegrond wordt verklaard, bestaat de sanctie in de niet-tegenwerpelijkheid van de aangevochten rechtshandeling aan de benadeelde schuldeiser. De optredende schuldeiser moet geen rekening houden met de aangevochten rechtshandeling; hij kan uitvoeren op het vermogen van de schuldenaar, alsof het goed dat het voorwerp vormde van de benadelende rechtshandeling nooit het vermogen van de schuldenaar heeft verlaten. De actio pauliana stelt door middel van een ex post remedie een grens aan de vrije beschikkingsbevoegdheid van de eigenaar. Vanuit een ex ante perspectief geeft de pauliaanse vordering gestalte aan de zorgplichten die een eigenaar in acht dient te nemen ten aanzien van zijn schuldeisers.

In zijn weldra bij Intersentia verkrijgbare Schuldeisers & Rechtspersoon: actio pauliana en aansprakelijkheid wegens ongeoorloofde benadeling van schuldeisers van vennootschappen en verenigingen illustreert Dr. Gillis Lindemans (KU Leuven, advocaat Quinz) overtuigend dat die zorgplichten groter zijn bij het beheer van het vermogen van een rechtspersoon dan bij dat van een natuurlijke persoon. Continue reading “‘Schuldeiser & Rechtspersoon’: de onderschatte rol van de pauliana in het vennootschapsrecht”

Het recht laat zich niet in hokjes plaatsen. Of hoe art. 2:44 W.V.V. de Raad van State zijn rechtsmacht dreigt te ontnemen

Een post door gastblogger Tina Coen (aspirant FWO, VUB)

1. Met de invoering van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen werd ook het annulatiecontentieux van de ondernemingsrechtbanken hertekend. Tot voor kort beperkte art. 178 W.Venn. de exclusieve bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank om besluiten van vennootschapsorganen nietig te verklaren, zich tot besluiten van de algemene vergadering. Voortaan bepaalt art. 2:44 W.V.V. in zijn eerste lid dat “[d]e ondernemingsrechtbank […] de nietigheid van een besluit uit[spreekt] op verzoek van de rechtspersoon of een persoon die belang heeft bij de naleving van de rechtsregel die niet is nagekomen.”

In zuiver vennootschapsrechtelijke context brengt deze herformulering weinig zoden aan de dijk, nu de vennootschapswetgever in essentie niet meer heeft gedaan dan de jurisprudentiële praktijk om ook besluiten van de raad van bestuur per analogiam nietig te verklaren, te bevestigen. Hoogstens wordt de kring van vorderingsgerechtigden voortaan anders omschreven. Het annulatieberoep staat niet langer open voor elke belanghebbende maar enkel voor de vennootschap en personen die belang hebben bij de naleving van de rechtsregel die niet is nagekomen. Hoe die wijziging in de rechtspraak zal worden ontvangen, valt af te wachten, maar is voor deze blogpost minder van belang. Continue reading “Het recht laat zich niet in hokjes plaatsen. Of hoe art. 2:44 W.V.V. de Raad van State zijn rechtsmacht dreigt te ontnemen”