De nieuwe ‘wrongful trading’-bepaling vergeleken met oprichtersaansprakelijkheid

Een post door gastblogger Tim Van Landeghem

De aansprakelijkheid voor ‘wrongful trading’ werd middels de wet van 11 augustus 2017 wettelijk verankerd in art. XX.227 WER.  Voormeld artikel heeft uitsluitend betrekking op de collectieve vorm van ‘wrongful trading’ en penaliseert met name bestuurders die een kennelijk reddeloos verloren onderneming op onrechtmatige wijze hebben voortgezet. Zo blijft de aansprakelijkheid van een bestuurder wegens individuele fouten bij het aangaan van contractuele verbintenissen nog steeds onderworpen aan art. 1382 BW.

Prikkels tot wrongful trading

Bestuurders kunnen om verschillende redenen geneigd zijn om bewust de activiteiten van een onderneming verder te zetten, ondanks het besef dat de onderneming in feite al reddeloos verloren is. Continue reading “De nieuwe ‘wrongful trading’-bepaling vergeleken met oprichtersaansprakelijkheid”

Vraagpunten op de grens van insolventierecht, goederenrecht en verbintenissenrecht

Studiedag ter ere van emeritaat van Prof. Dr. Eric Dirix

dirixOp vrijdag 26 oktober 2018 organiseert de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de KU Leuven ter ere van het emeritaat van Prof. Dr. Eric Dirix een studiedag over vraagpunten op de grens van insolventierecht, goederenrecht en verbintenissenrecht. Aansluitend is een academische zitting met het afscheidscollege van professor Dirix over “Het insolventierecht permanent in de steigers”.

De presentaties op de studiedag zullen aan de hand van casussen een aantal rechtsvragen stellen, en vervolgens ook beantwoorden. Hierdoor worden
de bijdragen zeer praktisch opgebouwd aan de hand van zeer specifieke vraagpunten. De studiedag komt met een verslagboek met opstellen aangeboden aan professor Dirix.

De volgende onderwerpen komen aan bod: Continue reading “Vraagpunten op de grens van insolventierecht, goederenrecht en verbintenissenrecht”

De kinderen van de toerekening

Uiteenlopende toerekeningsregels in Sw., ontwerp-WVV en ontwerp-BW

Een vorige post stelde het mooie toerekeningscriterium  van art. 5 Sw. in het licht. Een rechtspersoon of  maatschap is strafrechtelijk verantwoordelijk voor “misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, naar blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd”. De toerekening gebeurt hier aan de organisatie op autonome wijze, zonder dat een omweg langs een natuurlijke persoon is vereist. Daarin verschilt het van afgeleide toerekeningscriteria zoals de kwalitatieve aansprakelijkheid van art. 1384 BW of de zgn. orgaantheorie.

Dit aspect van art. 5 Sw bleef ongewijzigd bij de recente aanpassing van dit artikel.

Elders hebben we geargumenteerd dat dit autonoom criterium ook verklaart hoe onrechtmatige daden die geen misdrijf zijn, aan organisaties worden toegerekend. In Nederland heet dit de “verkeersopvattingen”.

Dit autonoom criterium heeft alvast het voordeel dat het verklaart wat er gebeurt in de hoven en rechtbanken. De aansprakelijkheid van een rechtspersoon of andere organisatie wordt zelden afgeleid van de aansprakelijkheid van een natuurlijke persoon. Integendeel, vaak is de aansprakelijkheid van de organisatie een gegeven en wordt eerder de vraag gesteld of de fout ook aan een natuurlijke persoon kan worden toegerekend. Externe bestuursaansprakelijkheid, heet dat.

Jammer genoeg maakt art. 5 Sw. op vlak van toerekening in de ontwerpen van WVV en aansprakelijkheidsrecht in het BW minder school dan op vlak van het toepassingsgebied (zie voornoemde post).  Continue reading “De kinderen van de toerekening”

Imperium delinquere potest

Artikel 5 Sw. gewijzigd

In het Staatsblad van 20 juli 2018 (eerste editie) verscheen de Wet van 11 juli 2018 tot wijziging van het Strafwetboek en de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering wat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen betreft (zie hier voor de parlementaire fiche). Na inwerkingtreding zal artikel 5 Sw. als volgt luiden:

“Een rechtspersoon is strafrechtelijk verantwoordelijk voor de misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, zoals blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd.

Met rechtspersonen worden gelijkgesteld:
1° tijdelijke handelsvennootschappen en stille handelsvennootschappen;
2° vennootschappen bedoeld in artikel 2, § 4, tweede lid, van het Wetboek van Vennootschappen, alsook handelsvennootschappen in oprichting;
3° burgerlijke vennootschappen die niet de vorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen.

De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersonen sluit die van de natuurlijke personen, die daders zijn van dezelfde feiten of eraan hebben deelgenomen, niet uit.”

Vergeleken met de huidige tekst houdt dit twee belangrijke wijzigingen in. Continue reading “Imperium delinquere potest”

Are loyalty voting rights efficient?

Some reflections on the Belgian proposals

Especially after the financial crisis, many people have drawn attention to the problem of short-termism. There are many possible strategies to address this problem, including awarding additional voting rights to loyal shareholders (“loyalty voting rights”). Both France and Italy have introduced loyalty voting rights, and now the Belgian proposal for a new Companies and Associations Code also contains the possibility of loyalty voting rights in listed companies (discussed in previous blog posts here and here).

Of course, this raises the question how effective loyalty voting rights, as proposed in the Belgian Company Law Reform, are in addressing the short-termism problem. In this blog post, I argue that loyalty voting rights are unlikely to increase the holding periods of investors, as the evidence suggests that they are only used by the controlling shareholders. However, loyalty voting rights will allow a controlling shareholder to insulate itself from short-term market pressures. On the other hand, insulation also comes with the disadvantage of higher agency costs.

Therefore, I argue that loyalty voting shares are in fact nothing else than a type of control-enhancing mechanism. This implies that shareholders should be protected against midstream introductions of loyalty voting rights. On this ground, I question the wisdom of lowering the threshold to introduce loyalty voting rights, as the Belgian legislator is proposing, inspired by the French and Italian examples. In addition, I propose an additional majority for the introduction of loyalty voting rights, inspired by the idea of “majority of the minority” approval.

Continue reading “Are loyalty voting rights efficient?”

Personenvennootschappen in het ontwerp-WVV: welke regels vallen op door hun afwezigheid of behoud?

Met een gastrol voor ‘gold-plating’

Een wetgevend project kenmerkt zich evenzeer door wat het niet wijzigt, als door wat het wel wijzigt. Dat op vlak van bestuursaansprakelijkheid de bestaande minderheidsvordering, ondanks evidente gebreken, niet werd opgelapt in het ontwerp-WVV zegt even veel over de maatschappelijke keuzes van het ontwerp als de invoering van een ‘cap’ op bestuursaansprakelijkheid.

Vorige posts behandelden enkele opvallende nieuwigheden voor maatschap, VOF en CommV. Het ontwerp behoudt ook veel; vele bepalingen zijn nog altijd een on- of nauwelijks gewijzigde kopie van de bepalingen uit art. 1832 e.v. van de Code civil  van 1804 (maatschap) of de Vennootschapswet van 1873 (VOF en CommV).

Deze post behandelt kort enkele regels die opvallen door dat ze bleven of ongeregeld werden gelaten. En soms is dit ook relevant voor de meer courante vennootschapsvormen. Continue reading “Personenvennootschappen in het ontwerp-WVV: welke regels vallen op door hun afwezigheid of behoud?”

‘De hernieuwde remuneratieregeling van curatoren creëert geen oplossing voor de lege boedelproblematiek’

Frederik De Leo, Roel Verheyden en Dennis Cardinaels in De Juristenkrant

In het recentste nummer van De Juristenkrant verscheen een bijdrage over de hernieuwde remuneratieregeling van curatoren, geschreven door Frederik De Leo (KU Leuven/UHasselt), Roel Verheyden (KU Leuven) en Dennis Cardinaels (University of Leeds, UK). Een eerste commentaar bij het KB van 26 april 2018 houdende vaststelling van de regels en barema’s tot bepaling van de kosten en het ereloon van de insolventiefunctionarissen kon u reeds hier lezen.

In deze bijdrage betreuren de auteurs dat het KB geen oplossing formuleert voor de zogenaamde lege boedelproblematiek. Zo schrijven zij het volgende: Continue reading “‘De hernieuwde remuneratieregeling van curatoren creëert geen oplossing voor de lege boedelproblematiek’”

De vrije beroeper kan van twee insolventiewalletjes eten; nog vier maanden

Tot 1 november 2018 overlap tussen Boek XX en collectieve schuldenregeling

Zoals bekend zijn de insolventieprocedures van Boek XX WER (faillissement en gerechtelijke reorganisatie) sinds 1 mei van toepassing op (i) elke natuurlijke persoon die een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent, (ii) elke privaatrechtelijke rechtspersoon en (iii) elke vennootschap.

Voor natuurlijke personen is er ook een insolventieprocedure in het Gerechtelijke Wetboek: de collectieve schuldenregeling (art. 1675/2 e.v. Ger.W.).  Deze procedure is van toepassing op “elke natuurlijke persoon, die geen koopman is in de zin van artikel 1 van het Wetboek van Koophandel” (art. 1675/2 al. 1 Ger.W). Continue reading “De vrije beroeper kan van twee insolventiewalletjes eten; nog vier maanden”

De maatschap: de reeds goedgekeurde wijzigingen

Inschrijvingsplicht, boekhoudplicht, hoofdelijkheid, bestuursaansprakelijkheid en procesbevoegdheid

Een vorige post raakte kort de wijzigingen aan in het ontwerp-WVV voor de maatschap. Belangrijk; maar dit mag niet doen vergeten dat er al een hele reeks wijzigingen voor de maatschap werden goedgekeurd bij de invoering van boek XX (inwerkingtreding 1 mei 2018) en de Wet Hervorming Ondernemingsrecht (inwerkingtreding 1 november 2018).

Boek XX maakt het insolventierecht van toepassing op de maatschap en onderwerpt ook de zaakvoerders van maatschappen aan bepaalde bestuursaansprakelijkheden. De Wet Hervorming Ondernemingsrecht voert een inschrijvingsplicht in het KBO in, een boekhoudplicht, breidt de hoofdelijkheid uit tot alle maatschappen en regelt de procesbevoegdheid van de maatschap. Deze post gaat kort in op deze aspecten, met uitzondering van de insolventie van de maatschap die eerder aan bod kwam. Op het einde behandelen we wanneer welke regel in werking treedt.

We maken onderweg twee kleine uitstapjes naar het ontwerp van WVV: de ‘cap’ (in een stuk over de maatschap? ja) en het ruime toerekeningscriterium voor schulden. Continue reading “De maatschap: de reeds goedgekeurde wijzigingen”

Ontwerp-WVV: hoe gemeen is het personenvennootschapsrecht?

Kloof tussen maatschap en onverdeeldheid wordt groter

Het ontwerp van WVV brengt personenvennootschappen (maatschap, stille vennootschap, VOF en  CommV) samen in boek 4. Dit boek herneemt heel wat van de bestaande inhoud van de volgende boeken van het W.Venn:

  • boek II (“Bepalingen gemeenschappelijk aan alle vennootschappen”);
  • boek III (“maatschap, TV en SV”); en
  • boek V (“VOF en CommV”).

De wijziging van structuur en de verplaatsing van bepalingen heeft juridische gevolgen, zelfs als die bepalingen niet inhoudelijk wijzigingen. Opmerkelijk is dat de belangrijkste gevolgen van deze Umschung gelden voor de andere vennootschappen, zoals een NV, BV of CV. Continue reading “Ontwerp-WVV: hoe gemeen is het personenvennootschapsrecht?”

Proposed New Belgian Companies Code: so what for Lenders?

A post by guest blogger Eric Blomme (Simmons & Simmons)

The government’s proposal for a new Belgian Companies Code is a hot topic in the Belgian legal and business world.  Among the most publicized changes are a cap on directors’ liability for all company types and the abolition of the share capital for the private limited liability company (now BVBA/SPRL but to be renamed BV/SRL).  No doubt good news for directors and shareholders but what does this mean for lenders?  Continue reading “Proposed New Belgian Companies Code: so what for Lenders?”

‘Cuivre & Zinc’ wordt dertig

Cass. 20 juni 1988, TRV 1989, 540, noot P. Callens en S. Stijns: “Schijnvertegenwoordiging: een keerpunt!”

Wie met de trein Brussel-Zuid uitrijdt richting Gent of Parijs ziet onmiddellijk na het vertrek aan zijn rechterzijde in contrasterend metselwerk het opschrift van het Brussels magazijn van de voormalige Luikse Sociéte Anonyme des Usines à Cuivre et à Zinc. Dit magazijn bevindt zich in de Anderlechtse Tweestationsstraat, die Brussel-Zuid verbindt met het voormalige goederenstation Klein-Eiland.

De Belgische jurist kent de Usines à Cuivre et à Zinc, een voormalig kroonjuweel van de Luikse metaalindustrie, vooral van het Cuivre et Zinc-arrest van 20 juni 1988, dat morgen dertig wordt. Ik herinner me nog levendig de verbijstering bij professor Walter van Gerven in een les verbintenissenrecht in tweede kandidatuur rechten in 1993 toen hij zich realiseerde dat niemand in een cinemazaal vol studenten al gehoord had van dit arrest; de verwachtingen gesteld aan het middelbaar onderwijs waren toen duidelijker hoger dan nu.  Continue reading “‘Cuivre & Zinc’ wordt dertig”

Een demarrage voor dubbel stemrecht in het nieuwe WVV: goeie benen of doping?

Een post door gastblogger Jeroen Delvoie (VUB)

Met de indiening als wetsontwerp in de Kamer toont het nieuwe Wetboek van vennootschappen zich eindelijk aan het publiek. Na een lange vlakke aanloop, trekt het peloton zich op gang voor de slotklim. En al meteen valt een opvallende demarrage op te tekenen, met name op het vlak van meervoudig stemrecht.

De nieuwe regeling voor meervoudig stemrecht in de NV en de BV is ongetwijfeld een van de belangrijkste innovaties van het nieuwe wetboek. In niet-genoteerde vennootschappen zou meervoudig stemrecht volledig geliberaliseerd worden: vrijheid, blijheid. In genoteerde vennootschappen kiest het ontwerp voor een systeem van loyauteitsstemrecht naar Frans model: dubbel stemrecht voor aandeelhouders die hun aandelen ten minste twee jaar ononderbroken aanhouden. Daartoe moeten de aandelen wel op naam worden ingeschreven. Waarmee het nieuwe WVV meteen de taks op effectenrekeningen een extra padje in de korf zet, maar dit geheel terzijde. Tot daar weinig nieuws. Zelfs wie de koers maar met een half oog volgde, wist dat dit eraan kwam (zie o.m. J. DELVOIE, “Daar is Nessie! Naar meervoudig stemrecht in NV en BVBA”, TPR 2015, p. 985-989”).

Maar uit het ingediende wetsontwerp blijkt nu dat de regering het systeem van dubbel stemrecht een serieuze duw in de rug wil geven en daartoe de teksten in extremis heeft bijgestuurd:  Continue reading “Een demarrage voor dubbel stemrecht in het nieuwe WVV: goeie benen of doping?”

“Grensoverschijdende omzetting van rechtspersonen” (J. van den Broek en G. Rensen, eds.)

Serie Onderneming en Recht, nr. 103, Kluwer, Deventer, 2018

Afbeeldingsresultaat voor Grensoverschrijdende omzetting van rechtspersonen.In de Serie Onderneming en Recht verscheen de bundel Grensoverschrijdende omzetting van rechtspersonen. Civiel en fiscaal recht, samengesteld door J. van den Broek en G. Rensen van de Radboud Universiteit te Nijmegen.

Een grensoverschrijdende omzetting (ook wel: wijziging van toepasselijk vennootschapsrecht; ook wel: internationale verplaatsing van statutaire zetel) is in Nederland niet wettelijk geregeld. Ook in België is dit nauwelijks geregeld (op een zeer abstracte bepaling in het Wetboek IPR na). In België bestaat er al een gevestigde praktijk van inbound en outbound grensoverschrijdende omzettingen. In Nederland kwam die praktijk vooral de laatste jaren op gang. In België is de mogelijkheid van een wijziging van toepasselijk vennootschapsrecht principieel aanvaard sinds het bekende Lamot-arrest van het Hof van Cassatie uit 1965. De Nederlandse praktijk – die anders dan in België wel op principiële bezwaren stuit vanuit de doctrine – kwam er vooral onder invloed (druk?) van de arresten Cartesio en Vale van het Hof van Justitie. De bundel besteedt uitvoerig aandacht aan de invloed van het recente arrest Polbud.

In België wordt de “internationale zetelverplaatsing” geregeld in het ontwerp van WVV. In Nederland is er sinds 2014 een voorontwerp van wet betreffende grensoverschrijdende omzetting van vennootschappen. Dit voorontwerp lijkt in de koelkast te liggen in afwachting van de recent door de Commissie voorgestelde ontwerp-Richtlijn omtrent grensoverschrijdende omzettingen. Naar goede Nederlandse gewoonte is een internetconsultatie bezig over de ontwerp-Richtlijn om het Nederlandse standpunt beter te informeren.

De Nijmeegse bundel legt de nadruk op de grensoverschrijdende omzetting van rechtspersonen (niet enkel vennootschappen – zo is de bespreking van de stichting erg boeiend) vanuit Nederlands standpunt. De bundel bevat daarnaast een hoofdstuk exotica met daarin o.a. de bespreking van keuze en wijziging van toepasselijk vennootschapsrecht vanuit Belgisch standpunt. Dit deel werd geschreven door Vananroye en Lindemans (KU Leuven):  Continue reading ““Grensoverschijdende omzetting van rechtspersonen” (J. van den Broek en G. Rensen, eds.)”

Zorgt het ontwerp van nieuw BW voor een spectaculaire verzwaring van de externe bestuursaansprakelijkheid?

Voorgestelde afschaffing van immuniteit van uitvoeringsagent heeft onvoorziene gevolgen voor handelsverkeer

Het in een vorige post besproken cassatie-arrest van  4 mei 2018 bevestigt nogmaals dat ook de bestuurder van een vennootschap kan genieten van de immuniteit van de uitvoeringsagent indien hij wordt aangesproken door een contractuele schuldeiser van de vennootschap voor de niet-uitvoering van de contractuele verbintenis van die vennootschap:

“Lorsqu’une personne morale agit par un organe pour l’exécution de son obligation contractuelle, celui-ci ne peut être déclaré responsable sur le plan extracontractuel que si le manquement qui lui est reproché a causé un dommage autre que celui résultant de la mauvaise exécution du contrat.

Le moyen, qui, en cette branche, repose sur le soutènement qu’il suffit, pour engager sa responsabilité, que l’organe ait manqué à l’obligation générale de prudence, manque en droit.”

Ik zelf werd, zoals zovelen, ingeleid in de regel van de immuniteit van de uitvoeringsagent door een bespreking van het zgn. “Stuwadoorsarrest” van 7 december 1973. Ik had, zoals zovelen, geen idee wat een stuwadoor of stevedore is. Het bleek “iets in de haven” te zijn. Als student stopte ik dit in het het mentale vakje van kennis die ik wellicht nooit nodig zou hebben. Misschien komt het door mijn koudwatervrees, maar havenwerk sprak me niet aan.

Het onderschatten van de immuniteit van de uitvoeringsagent was een zware vergissing. Continue reading “Zorgt het ontwerp van nieuw BW voor een spectaculaire verzwaring van de externe bestuursaansprakelijkheid?”